Als laatste directeur van Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters weet Hendrik Jan Peters hoe een stedelijk landschap kan veranderen. Hij blikt terug op de industriële bedrijvigheid in Zandweerd, waar zijn overgrootvader destijds een fabriek had gevestigd. ‘Soms kleurde de IJssel rood van de kleurstof.’

‘In 1907 vestigde mijn overgrootvader H.J. Peters, Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters aan de Lange Zandstraat, in Zandweerd. Daarvoor was hij onderdirecteur bij de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek. Onze hele familie was betrokken bij de weverij. Toen er in de jaren vijftig en zestig een grote dip ontstond in de vraag naar textiel, ontstond er discussie binnen de familie. Hoe nu verder? Uiteindelijk is besloten het roer om te gooien, in samenwerking met een andere partner in tapijt- en grondstoffen. Bij die turnaround binnen het bedrijf, kreeg ik het verzoek vanuit mijn familie: “wil jij ook voor ons komen werken?” Dat was 1968, ik had net mijn studie aan de Hogere Textielschool afgerond. Toch kreeg ik mijn plek in het bedrijf niet cadeau. Al snel werd er namelijk door de familie gezegd: “Je kunt dan wel gestudeerd hebben, maar jij gaat eerst maar eens kijken hoe tapijt verkocht moet worden.” Dat heb ik gedaan. En ik zag ook al vrij snel nieuwe kansen. Er kwam gelukkig weer voldoende kapitaal binnen, waarmee we ons konden ontwikkelen.’

 

 

Opslag in leegstaande hallen van Ankersmit
‘We zijn destijds sterk gegroeid. We hadden daardoor extra ruimte nodig voor de opslag van garens. In de leegstaande hallen van de toen net gesloten textielfabriek Ankersmit konden we zo’n 40.000 vierkante meter ruimte huren. Op zich een heel interessante tijd, omdat wij productontwikkeling moesten doen. Je besefte wel steeds dat de fabriek te midden van de woonhuizen stond.’

 

Vrijwel direct na het schoonblazen van de schoorsteen kwamen de telefoontjes uit de buurt’

 

Vlampijpen schoonblazen
‘We hadden hier in Zandweerd een ketelhuis. Daar stonden stoomketels, want stoom was nodig voor de productie en de verwarming. We stookten op kolen en bij de ketels stond een grote schoorsteen. De geroete vlampijpen maakten we schoon door er met stoom doorheen te blazen. Dat deden wij altijd op maandag. En we konden er de klok gelijk opzetten: vrijwel direct na het schoonblazen, kwamen de telefoontjes uit de buurt: “Oh, mijn wasgoed hangt buiten…” Soms kwamen mensen zelfs naar kantoor. In totaal stonden er destijds drie fabrieken in Zandweerd en gaandeweg werd wel duidelijk dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest. Daar was en ben ik het serieus mee eens.’

 

 

De IJssel blauw, of rood.
Vroeger bestonden er nog andere productiemethoden. Zo werkten we met latex-oplossingen, beenderlijm of zetmeel. Dat brandt niet, maar het stinkt wel! We gebruiken ook kleurstof, om garens te verven. Die verfresten liepen na de productie via een zinkput met spoelwater het riool in. En in die dagen kwam dat uit in de IJssel. Soms zag je blauwe verf in het water. Waarschijnlijk kleurstof van Ankersmit? Of het water kleurde rood. Van het tapijt, van Peters? Zo vroeg Zandweerd zich af, wie er achter die kleuren in de IJssel zat. Grote Ankersmit of kleine Peters?’

 

 

Brand in onze magazijnen op het Ankersmit-terrein
‘In onze magazijnen op het Ankersmit-terrein zijn drie branden geweest. Een keer op oudejaarsdag, door vuurwerk. Die laatste brand was binnen een half uur geblust. De brandweerkazerne zat toen nog in de Lange Zandstraat. Ik ben daar jarenlang brandmeester geweest. Dat was een familietraditie. Mijn grootvader was dertig jaar lang directeur der Deventer Brandweer. En mijn vader was jarenlang ondercommandant, hier in Deventer. Toen ik na mijn studie in 1968 terugkwam in Deventer werd mij gevraagd of ik ook brandweerwerk wilde doen. Natuurlijk wilde ik dat. Uiteindelijk kon ik dat met de dagelijkse drukte tussen de verschillende productielocaties niet volhouden. Maar die branden destijds heb ik van dichtbij meegemaakt. Het stond in de kranten iedereen sprak erover. “Heeft papa een leuke barbecue gehouden?”, zo kwam dochterlief thuis, van de lagere school, waar iedereen het natuurlijk over de brand had gehad. Dus ik zei toen tegen mijn secretaresse: “Bel banketbakker Wiltink ,die zat destijds direct op de hoek van de Radstakeweg, en vraag of ze honderd taarten willen maken. Dan kunnen we in ieder geval alle bewoners als troost bij de brand een taart aan huis bezorgen. Nou, dat werd natuurlijk geweldig op prijs gesteld. De kleine dingen zijn dan toch belangrijk.’

Uiteindelijke consequentie
‘Natuurlijk waren we ook goed verzekerd. Die noodzaak kent iedere textielfabrikant, of grondstofleverancier, zoals de onderneming die bij ons ook aandeelhouder was. Díe organisatie was de juridische en commerciële eigenaar van de textiel-grondstoffen en inventaris. Niet H.J. Peters. Ons bedrijf managede de activiteiten en verwerking. Maar ík kreeg de verzekeraars op bezoek. En ook al werd voor iedereen alles netjes afgehandeld, met name die branden en de nasleep ervan toonden aan dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest.’

 

 

Weg uit de wijk
‘Stap voor stap werden de activiteiten aan de Lange Zandstraat beëindigd en uiteindelijk is alles gesloopt voor woningbouw. Ik wilde wel in Deventer blijven produceren. Daarom stond ik in 1987 bij de gemeente op de stoep en vertelde hen: “Ik heb een paar duizend vierkante meter grond nodig op het industrieterrein. Ik wil er een kantoor op bouwen en ik wil er een hal bouwen, want ik moet een stuk productie onderbrengen. In 1988 hebben we op Kloosterlanden een pand kunnen neerzetten, direct aan de A1. Weg met de bedrijven uit Zandweerd. En zo is het gegaan.”

 

Ter herinnering aan de tapijtfabriek rest nog de naam van het pad dat de wijk doorsnijdt: PETERSPAD.

Fotografie: Viorica Cernica