In het Deventer uitgaansleven was altijd wat te doen, herinnert Sjors Snijders zich. ‘Als de jongens van de Rivierenwijk en het Rode Dorp elkaar tegenkwamen, dan was het bingo: knokken.’

Buurman Sjors is bijna tachtig jaar, maar als hij over zijn jeugd in Deventer vertelt beginnen zijn ogen te twinkelen. Hij is dan opeens weer de jongen die hij eigenlijk ook altijd een beetje gebleven is. Sjors is geboren en getogen in Deventer. Deventer was voor hem in zijn kindertijd vooral het buitengebied dat toen nog grensde aan de Swaefkenstraat waar hij woonde. 

‘Vroeger zaten we altijd op het exercitieterrein. Wechelerveld heet het nu. Daar mocht je eigenlijk niet komen. Maar we gingen wel. Er waren ook wel eens schietoefeningen. Dat stond nergens aangegeven want het was militair terrein. Mag je daar niet komen? Nou dat zullen we dan wel eens even zien. In het gebied naast Park Braband tegen de Wetering aan, daar had je de zeven eilandjes. Dat was vroeger een heel leuk gebied, een soort moerasgebied: een rijtje bomen en sloten en dan weer een rijtje bomen en sloten. Het heette niet voor niets de zeven eilandjes. Dat was een heel stuk waar je lekker kon spelen. Vanaf onze straat tot aan de kazerne waren allemaal landerijen. Mijn moeder kon roepen als het eten klaar was.’

Sjors was bij de padvinderij. ‘Het was voetbal of de verkenners. Veel meer had je niet. Voetbal deed ik niet. Had ik geen zin aan ook.’ De BB (Bescherming Burgerbevolking) oefende in de restanten van de DAVO-fabriek, de verkenners speelden slachtoffers die geëvacueerd moesten worden. ‘Dan had je een papiertje op de borst waarop stond wat je mankeerde. Een geamputeerd been of een weggeschoten been en een ander had een beschadiging aan z’n hoofd.’

 

 

Huppakee, omkeren jij

Sjors vertelt dat hij veertien motoren had. ‘Nee, niet voor de verkoop, voor de lol. Sleutelwerk. Ik reed er zelf niet al te vaak mee, want ik had geen rijbewijs. Ik reed dus wel, maar ja, op een gegeven moment houden ze je aan en dan kennen ze jou en weten ze dat precies. Hé, daar heb je hem weer, daar moeten we eventjes achteraan. En dan was je weer de klos. Tot ze me drie keer in een week pakten.’ 

Dat gebeurde ook toen hij aan het afrijden was voor zijn motorrijbewijs. ‘Toen haalden ze me van de weg af want ze kenden me al. Ze wisten niet dat ik aan het examenrijden was. Ze hielden me tegen. ‘Hé, huppakee, omkeren jij, kom jij eens even hier. Wat ben je aan het doen?’ De examinator die achter me had gereden zei: ‘Nou, begin maar weer opnieuw.’ En toen had ik er geen zin meer in. Ik heb het nooit meer gehaald, het rijexamen, tenminste niet voor motoren.’

Voor hem als jongere speelden vooral de uitgaansgelegenheden in de binnenstad van Deventer een grote rol. ‘Het uitgaansleven, dat was wel mijn hobby. Zolang het geld het toeliet. Je had de jeugdsoos toen, de Rim Ram, die zat op het Grote Kerkhof. Op de Brink zat er ook nog één, hoe heet die ook alweer? Ik ben al die namen weer kwijt. Er waren er een stuk of drie, vier. Je liep van de één naar de ander en dan de kroegen af natuurlijk. Dat waren leuke tijden. Ik kende de horeca wel goed in die tijd. Ik ben wat dat betreft een stevige sponsor geweest.’

 

‘Je had kakkers en plakkers. Kakkers waren betere burgers, dachten ze’

 

Er werd vaak geknokt tussen de plakkers en de kakkers en tussen de jongeren uit de verschillende wijken. ‘Ik hoorde eerder bij de nozems, de plakkers. Tenminste, dat sprak me meer aan. Plakkers, die hadden plat haar, brylcreem erin, hè. Ikzelf had geen vetkuif, ik had lang haar zoals, kom hoe heette die zanger ook al weer, Armand. Kakkers waren net iets betere burgers, dachten ze. Echt niet, maar daar kwamen ze later wel achter. Maar ja, goed, zo hielden ze de zaak wel levendig. Er was altijd wat te doen met al die knokpartijen. De jongens van Tuindorp en de Rivierenwijk of van het Rode Dorp, Knutteldorp, de Molenwijk, die moesten elkaar niet tegenkomen, dan was het weer bingo. Als er een feestavond was geweest dan moest er wel even een toetje op, hè.’ 

Eén van de uitgaansgelegenheden was de Buitensoos aan de overkant van de IJssel, precies op de grens tussen twee gemeenten. Bij vechtpartijen was het daarom de vraag waar de politie vandaan moest komen, herinnert Sjors zich. ‘Welke politie moesten we nou bellen? Deventer zei: “Dan moet je die van Wilp hebben” en Wilp zei: “Dan moet je die van Deventer hebben.” Dat was altijd een feest.’

En dan was er de kermis. Sjors: ‘Dat was de jaarlijkse happening. Niet op de woensdagmiddag, dan was het kinderkermis. En donderdag kwamen de boeren. Daar waren vaste dagen voor. Dat wist je, dan moest je ’s avonds niet in de stad zijn. Maar in de weekenden werd er nog wel eens een vechtpartijtje uitgevochten.’

 

Peutboeren

Net toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst was Sjors klaar met de opleiding voor vliegtuigmonteur. ‘Overdag werkte ik bij de Fittingfabriek en één dag in de week ging ik naar school. De rest deed ik schriftelijk, in de avonduren.’ De dienstplicht vervulde hij bij de Luchtmacht. ‘Ik werkte niet als monteur aan de vliegtuigen zelf, daar hebben ze eigen personeel voor. Ik was monteur van de tankwagens van de “peutboeren”, tanken van kerosine in de vliegtuigen. Voor dienstplichtigen was dit het hoogste wat je halen kon. Het was heel relaxt. Alleen moest je ’s avonds na het weekend al vroeg weer weg en door de week was je ook van huis. Maar goed, daar word je niet minder van.’ 

Toen hij de dienst inging woonde hij nog steeds in de Swaefkenstraat, aan de rand van de stad. ‘Toen ik na 24 maanden de dienst uitkwam was heel Tuindorp gebouwd, allemaal in een paar jaar tijd. Dat is mijn Deventer niet. En wat er nu allemaal bijgebouwd is… ik weet het niet. Dat is allemaal te groot. Ik vind het minder gezellig in Deventer. Mensen gingen vroeger ook heel anders met elkaar om, ze kennen elkaar niet meer. Je ziet het hier in de straat eigenlijk al. Als er nieuwe mensen komen – ik ken ze niet. Ze stellen zich ook niet meer voor.’

Sjors woont al sinds 1973 in de Oudegoedstraat. ‘Ik heb dit huis gekocht in 1973’, vertelt Sjors. ‘Ik ben er direct ingetrokken en ga hier niet weg. Het zijn hier allemaal volhouders hoor. Je kende iedereen in de straat. Een kruidenier had je hier zitten. En op de Diepenveenseweg zat nog een kledingzaak, een fietsenmaker, een bloemenzaak. De winkels waren hier gewoon rondom. Al die zaken zijn nu weg.’

‘Waar we hier in de straat heel druk mee zijn geweest, is het pleintje. Dat pleintje vroeger, dat was gewoon een woestenij en daar hadden we dus een kinderspeeltuin van willen hebben. De hele buurt bemoeide zich ermee. Er zijn plannen geweest, alleen de gemeente deed niet mee. Maar toen onze kinderen groot waren, vond de gemeente het leuk om van het pleintje een speeltuin te maken. Wat moet je daar nou mee?’

 

 

Niet verpieteren

De ouderen in de straat vallen één voor één weg. Ook Astrid, de vrouw van Sjors, is vier jaar geleden plotseling gestorven. Zij onderhield de contacten, ook met de nieuwe mensen. Ze was van alles altijd op de hoogte. Nu is hij van die informatiebron afgesneden. Maar hij verpietert niet, hij heeft genoeg te doen. Hij klust veel, in en rond het eigen huis of voor zijn dochters. Die ondernemen telkens iets nieuws in Deventer, kapperszaken en bloemenzaken, een restaurant, een kroeg en een bed & breakfast op een boot. En altijd is er wel iets te doen waarvoor de hulp van hun vader moet worden ingeroepen. 

Op een klein uitstapje na, toen hij op jonge leeftijd een tijdje bij de KLM werkte, is hij nooit uit Deventer weggegaan. De Amsterdammers bevielen hem niet zo. Hij voelde er zich niet thuis en ging daarom snel weer terug. ‘Als ik alleen al naar Zutphen ga, voel ik me daar niet thuis.’

Wat bindt hem aan Deventer? ‘Het is hier bekend en ik heb hier vrienden. Ik vind zeker de binnenstad echt wel aantrekkelijk. In grote lijnen is de binnenstad niet veel veranderd. Het stratenplan is hetzelfde. Het enige is dat in de Overstraten en de Korte en de Lange Bisschopstraat veel zaken zijn veranderd. Maar het huizenpatroon is in wezen nog steeds hetzelfde. En boven de gevels, als je even omhoog kijkt, dan is het lekker nog allemaal ouderwets. Dat is gezellig en het is mooi.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman