Deventenaar Anton Brack werd in de jaren zestig door zijn ouders naar de dokter gestuurd om te ‘genezen’ van zijn homoseksualiteit. Dat hielp natuurlijk niet. ‘Wat hebben we een lol gehad in de homobars.’

‘Ik kom uit een groot gezin, we waren met elf kinderen. Dus je begrijpt wel dat het geen vetpot was bij ons. Dat was geen fijne tijd. Vroeger vond ik er niets aan. Ik had een oudere broer die vrat alles van mien op. En mien vader dat was een echte neukerd! Een nare kerel, hie hef mie nog nooit um de nekke epakt. Dat gebeurde niet, dat dejen ze niet. Raar is dat hè? Daarom had ik ook zo’n hekel aan mien vaoder. 

Ik zat op de schuilingschool. Ging daar op mijn twaalfde van af naar de LTS. Op mijn veertiende ging ik werken. Ik mocht niet meer doorleren en eigenlijk kon ik ook niet zo goed leren. Schrijven, lezen en rekenen lukt prima.

Al heel vroeg had ik verkering met Janny. Ze kwam vaak bij ons. Mijn vader kwam opeens spiernakend uit de douche lopen. Die viezerik. Janny schrok daarvan en vertelde mij dat. Daarna zijn we met elkaar naar bed gegaan en heb ik me “verneukt”. Toen moesten we trouwen… Bij de burgemeester moest ontheffing aangevraagd worden want zij was nog maar vijftien jaar en ik zestien. 

Onze dochter is in maart geboren. Anderhalf jaar later onze zoon. Omdat we zo jong waren kregen we natuurlijk geen huis. Wij gingen bij de burgemeester in de tuin zitten. “Wat doet u hier?” vroeg hij. “Ik woon hier”, zei ik. Toen hebben we wel een huis gekregen, aan de Rozengaarderweg. Het was een oud huis. De trap zat onder de stront. Ze zullen wel gedacht hebben: dat huis kunnen we toch niet verhuren. Niemand wilde daar wonen. Het was toen al een uitgewoonde buurt.

 

 

Hondenriem

Met Janny was ik op vakantie in Spanje. Voor vertrek hadden we geen afscheid genomen van mijn vader. Hij had tegen mijn moeder gezegd: als ze over veertien dagen terug zijn ben ik dood. En hij ging ook dood, twee dagen voordat wij er weer waren. Toen zei ik tegen mijn moeder: kun ie lekker naar de bingo…

Hij had ook losse handjes. Hij sloeg ons. Verschrikkelijk. Hij sloeg nooit mijn moeder. Alleen mijn zusters. Als mijn zusters te laat thuis kwamen stond ie hen al op te wachten met de hondenriem. Mijn moeder was altijd lief, dat is me bijgebleven. Zij is 78 geworden. We steunden mijn moeder na het overlijden van Pa altijd. We zijn nu nog met zijn drieën over. Mijn vader was eerder getrouwd geweest en daar had ie ook nog drie kinderen bij.

Toen ik twaalf of dertien was had ik al “iets” gevoeld bij mezelf. Toen had ik nog echt geen idee dat ik homo was. Dat heb ik natuurlijk ook niet tegen Janny gezegd. Ik had een broer en daarmee vergeleek ik mij. Hij was een heel ander type dan ik. Maar dan ben je al getrouwd en heb je kinderen…

Ik heb nog steeds heel goed contact met Janny. We hebben een dochter en een zoon. Hele fijne kinderen. Ze staan altijd voor me klaar. Ze zijn opgegroeid met het besef dat ik homo ben. Soms pakte mijn dochter de telefoon op en dan kreeg ze te horen: heeft je vader nog een lul in zijn kont gehad? Nou en dan werd er gescholden: “Vuile homo!” Deze treiterijen hebben ongeveer zeven jaar geduurd. We zijn er nooit achter gekomen wie ons belde. Wel hoorden we steeds dezelfde stem. 

 

Onder de rok van Wilhelmina

Ik ben 27 jaar met Janny getrouwd geweest. Zij was overal van op de hoogte en ging ook mee naar het COC. Na een half jaar heb ik “het” aan Janny verteld. Ik zei: ik ben zó. Dat kwam omdat ik door mijn broer onder druk werd gezet. Hij stond me op te wachten bij het urinoir op het stationsplein. “Zo, flikkertje, dat moet je wel even aan je vrouw vertellen.” Hij dreigde mij dood te slaan als ik dat niet deed. Daar was ik best bang voor, hij was heel sterk. Als kind waren we al bang voor hem. 

Ik was toen ongeveer zeventien en een half. Ik droeg lange spijkerbroeken en als ik naar de pisbak was geweest stonk mijn broek naar zeik. Dan zei ze: ben je er weer geweest? Ik ging ook naar de pisbak aan de Gedempte gracht. Dat was altijd heel gezellig. Daar was je onder elkaar en kon je ook nog “scoren”. Elke avond waren er wel een stuk of twintig homo’s. Dat was lol. 

“Gewone” mannen gingen niet naar binnen bij de pisbak. Dat durfden ze niet. Op de Brink was ook een mooie pisbak voor ons. Onder de Wilhelminafontein. Dan zeiden we: ik ga nog even onder de rok van Wilhelmina kijken. De pisbak van het Stationsplein staat nu in het openluchtmuseum. O ja, dat waren nog eens tijden. Frans met de grote neus, juwelen Hanna, tante Julia. Een man met een rooie pruik, die noemden we natuurlijk pruikie.

Als we naar die pisbakken gingen moesten we altijd oppassen voor de jongens van het kamp. Die wilden ons in elkaar slaan. Ik weet nog dat ik zonder schoenen liep in de Nieuwstraat. Dan liep ik harder. Ik heb het wel gered! Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje, kankerflikker. Ze hebben mij nooit gepakt.

Ik werkte bij Thomassen en Drijver, daar heb ik 38 jaar gewerkt. Ik had een dubbele baan. ’s Middags ging ik naar slachterij Gosschalk in Epe. Dan kwam er een busje bij T&D en stapten we met acht man stiekem in. Ik heb daardoor goed verdiend. Toen kon dat nog, “zwart” werken. We konden ons hierdoor goed redden. Kochten een stacaravan op camping het Haasje in Olst. Daar staan veel Deventernaren. Dat was altijd gezellig!

 

‘Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje!’ 

 

Mooie man op bezoek

Sinds ik hier woon, in het Groote en Voorster verzorgingstehuis, heb ik veel dingen weg moeten doen. Maar die kast is nog uit ons huwelijk. Janny wou hem wegdoen, maar ik zeg: zet hem hier maar neer. 

Op dit moment heb ik niet zoveel behoefte aan seks. Af en toe komen hier nog wel eens mannen die ik mag verwennen, maar ze hoeven niet aan me te komen. Ze weten hier wel dat ik homo ben. Af en toe is er een verpleegkundige die zegt: wat had jij weer een mooie man op bezoek vandaag!

Ik heb vaak moeten liegen, maar ik lieg voor niemand meer. Ik ben niet meer gek, ik trek me nergens iets van aan. Ik heb een brede rug. Ik heb ervoor gekozen om “het” te accepteren. Soms beet ik van me af, maar ik liet me ook uitschelden. Ook nu nog in het Meester Geertshuis plagen ze me, maar ik trek me er niets van aan. Als ze “vieze homo” zeggen, dan zeg ik: was je maar eerst voordat ik je gebruik. En dan zijn ze stil!

Vroeger vond ik mezelf geen knapperd. Ik werd uitgescholden vanwege mijn flaporen. Later was het wel een gezellige tijd, vooral toen ik Henk leerde kennen. Hij had een advertentie in de Stedendriehoek geplaatst. We zijn 22 jaar bij elkaar geweest. Hij is overleden aan longkanker. Het was een toffe kerel. Hij kon me goed aan, want zo aardig was ik soms niet. Hij wel. 

Ook mijn moeder vond Henk een aardige kerel. De familie niet, daar mocht ik niet komen. Ze waren bang dat ze aids kregen. Mijn zuster zei: ik heb liever niet meer dat je komt. Dat zeiden ze allemaal! Later hoorde ik dat mijn andere zuster zei: daar komen die flikkers ook weer aan. Toen ben ik ook niet meer naar haar toegegaan. 

 

Dikke Harry

In Deventer waren ook homobars: Incognito van Paultje, achter de Hema de Peter Cuyper taveerne en het COC. We gingen ook naar Enschede. We hebben lol gehad. Bij Incognito kwamen homo’s, biseksuelen en echtparen. De mensen waren gek met Paul. Hij werd goed beschermd. Dikke Harry stond aan de deur. Hem ken ik vanuit de Menstraat, daar is het COC begonnen. Tijdens de opening waren de muren nog niet droog, iedereen was wit. Ik heb nog geholpen bij de inrichting ervan. Jammer dat er geen homobar meer is in Deventer.

In het COC aan de Assenstraat kwam ik ook. Daar zat een grote kluis in de kelder, die één keer in de maand werd verhuurd aan de VSSM. Daar hielden zij sm-bijeenkomsten. Dat was spannend! Ik liet mensen binnen en vroeg wat hun wensen waren. Soms kon ik ze “helpen” maar als je daar geen aanleg voor hebt, dan wordt het geen succes. 

Ook ging ik wel naar het Ginkelse zand. Daar was het op maandagavond leeravond. Gezellig en spannend. Nu mis ik die spanning wel. Ik zou nog zo een sm-zaak kunnen beginnen. Dan koop ik gewoon twee nieuwe benen, haha. Ook ging ik wel naar de parkeerplaats aan de A1 bij Apeldoorn. Dat was wel opletten. Ze konden je kenteken opschrijven en dan proberen je te chanteren. 

Amsterdam vond ik leuk. In die tijd was er nog geen “donkere kamer” in de kroegen. Dan ging je met iemand mee naar zijn kamer. Leuke tijd. Ik heb ‘m altijd laten werken net als mijn vader.

Bij Janny ben ik weggegaan omdat zij verliefd werd op Freddie. Ze bleef een nacht weg en de volgende dag zei ze: ik ben verliefd… en dat is al een paar maand aan de gang. Maar eigenlijk wist ik het al. Toen zei ik: dan ga ik weg. Dan kun je met Freddie samenleven. Gelukkig is ons contact nog heel goed. Achteraf denk ik: hadden we niet met zijn drieën kunnen samen leven? Janny was een mooie vrouw. We zijn nog steeds gek op elkaar. 

Ik heb een heel fijn huwelijk gehad, zij heeft alles geaccepteerd. Alleen die trubbels dat ik homo ben, ik kan er ook niets aan doen. Ik moest naar een dokter in Overveen. Dokter Van den Aardweg, zijn naam zal ik nooit vergeten. Daar werd ik naar toe gestuurd om te “genezen”. Mijn vader zei: “dat betaal ik wel” en ik ging ernaar toe. De dokter vond het helemaal prachtig dat ik wou veranderen. 

Misschien ben ik er tien keer geweest, toen ben ik gestopt. Dat heeft heel veel geld gekost. De hele familie lapte geld bij elkaar om de behandeling te betalen, misschien wel duizend gulden! Maar het heeft natuurlijk niet geholpen. Dat dacht ik gelijk al. 

 

Geen illusies

Iedereen weet hier dat ik homo ben. Als er nieuwe bewoonsters komen en ik merk dat ze me aardig vinden, dan zeg ik dat ik homo ben. Dan hoeven zij zich geen illusies te maken en heb ik er geen last van.  Ik heb vier kleinkinderen en binnenkort word ik overgrootvader. Hopelijk maak ik dat nog mee voordat ik doodga. Eén van mijn kleinkinderen is homo en woont samen met een vriend in Apeldoorn.

Mijn leven was goed. Ik ben niet verbitterd, klaag weinig. Hier wordt wel geklaagd. “Mijn been doet zo zeer.” Dan denk ik: hol oe stille, daar heb ik toch niets mee te maken. Ook klagen ze over het eten. Dan zeg ik: heb jij het vroeger beter gehad dan?’

 

Fotografie: Lieke Kooyman