In Boskamp (bij Olst) stond de wieg van Frans van Oldeniel. Een roomse omgeving: dorp, school, een bejaardentehuis met nonnen. Zijn vader was aannemer. Hij maakte alles wat er in de boerderij nodig was, van gebinten tot karren. Het waren de vijftiger jaren, er was nog geen gas en geen waterleiding. Het water kwam nog uit de pomp en koken werd gedaan op oliestel of butagas.

Hoe jong Frans ook was, hij hielp zijn vader mee. ‘Meehelpen was vanzelfsprekend’, zegt Frans. ‘Niks mis mee. Ik kwam uit een gezin van elf kinderen; de op vier na jongste in het gezin. Een groot gezin, heerlijk! Met kerst zaten we in een grote kring rond de kachel. We zongen samen, mijn broer speelde orgel. Gezelligheid kun je niet kopen. Er was geen televisie.’ Terwijl hij dit vertelt, glimmen zijn ogen.

‘Mijn grootvader was molenaar, ook vakwerk’, gaat hij verder. ‘Hij maakte bijvoorbeeld de wielen voor de karren. In de schuur was daarnaast ruimte voor dieren, onder andere varkens en kippen en ook drie koeien, voor melk. We hadden in die tijd een bokkenkar met van die spaken, zelf gemaakt met een geit ervoor. Je had konijnen, duiven – je had alles.’

 

Rotkoeien
Frans’ vader is ingetrouwd. ‘’s Morgens moest hij gaan melken’, vertelt hij. ‘Twee keer had hij het gedaan en toen zei hij: “Die rotkoeien, ik ga niet meer.” Vader was geen boer. “Wil jij het doen”, vroeg hij. Voor tien cent per keer ben ik het gaan doen. Ja, ik kom uit een familie van handige jongens. Aanpakken is ons levensmotto. Anders hadden we dit bedrijf niet op kunnen bouwen. Het jonge volk zou meer in beweging moeten komen. En wij zouden meer met ze moeten praten.’

 Hoe kwam je van de aannemerij in de installatietechniek?
Frans: ‘We kregen waterleiding in huis. Mijn vader zei: jongen, dat kun jij ook wel doen. Zo ging ik naar de LTS, afdeling elektro. Daarna ging ik bij verschillende bedrijven aan het werk en deed ik ook nog de avondschool, afdeling loodgieterswerk.’

Dat was zeker een hele ontwikkeling: water in huis?
‘Ik ben blij dat ik het heb mee mogen maken. Je leert lopen, je leert fietsen en je ontwikkelt je, stapje voor stapje omhoog.’

Zijn vrouw Wil: ‘In ons leven hebben we heel wat veranderingen doorgemaakt.’

Het bedrijf van Frans was nog niet zo groot. ‘Door je sociale contacten en door je werk goed te doen, mocht je terugkomen’, vertelt hij. ‘Ik kwam een keer bij Piet van der Lande, een industrieel, werk afleveren. Ik had mijn soepjurk (de overall) nog aan. We spraken Nederlands. Na een tijdje zei hij: “Kun je geen Dempters, mien jong?” Dat die man dat zo zei, dat had ik niet verwacht! Ik zei: “Dit voelt wel beter.””

 

 

Van huis uit sprak het gezin Sallands. ‘In Deventer had je Deventer binnen de grachten (het geld) en Deventer van buiten de grachten (dat was van de arbeidersklasse)’, zegt Frans. ‘Ik kon beide wel verstaan, ik kende veel mensen en maakte met iedereen een praatje. Ik had contact met energiebedrijven, was betrokken bij de oprichting van AGAS, zat in bestuur van installateursvereniging. Helaas is dat allemaal niet meer.’

Zou het kunnen zijn dat je dit sociale al van huis uit hebt meegekregen? ‘Tuurlijk! Als je vroeger met Kerst om vier uur ‘s morgens naar de nachtmis ging, dan was dat bijzonder. De klokken luidden, je liep de kerk in en het was feest. Door het jaar heen was het eten minder, maar op die dagen kreeg je speciale gerechten, zoals balkenbrij en kaantjes. Geweldig, wat was je er gelukkig mee. Nagelhout, ken je dat?

Wel van gehoord, nooit geproefd.
‘Dat zou je toch eens moeten kopen.’

Ik ben vegetariër.
‘Ja, maar een klein stukje mag wel!’

 We lachen voluit met elkaar, zo leer ik Frans kennen. De roomse lijn en even ervan afwijken: dat herkennen we beiden. Terug naar de sociale contacten: mijn beeld is dat wat er ook gebeurt in het Bergkwartier, jullie zijn erbij en kennen iedereen. ‘Ja, ik ken de hele buurt van A tot Z. Ik begon met mijn vader langs boeren te gaan die hij allemaal kende om daar elektrisch aan te leggen. Mijn vader als deuropener. Van de Boskamp ben ik naar de stad gegaan omdat ik algauw doorhad dat bij de boeren niet veel te verdienen viel. Toen kwam ik in deze buurt, in de Smedenstraat en Bierstraat, ik heb hier voor verschillende bedrijven gewerkt. Maar “eigen baas” zijn is me met de paplepel ingegoten.’

‘In 1961, op een carnavalsavond bij de Lindeboom in Schalkhaar sprak ik iemand aan de bar die bij Assendorp werkte’, vertelt Frans. ‘Hij zei me dat die zaak te koop kwam. Meteen de volgende middag heb ik een rondje stad gedaan om te kijken waar de Menstraat was. ’s Avonds stapte ik bij Assendorp binnen, een leuk ouderwets winkeltje met een pannen en potten, petroleum, laarzen, katoen. Wat er allemaal wel niet in die winkel stond!’

‘De man kwam op me af. “Ik heb gehoord dat je er wel mee ophouden wilt”, zei ik. “Wel een keer”, zei Assendorp. Ik zei dat ik wel interesse had. “Hou oud ben je?” vroeg Assendorp in plat Deventers. Ik zei dat ik 23 was. “Dat is veels te jong”, zei hij. Gelukkig stond zijn vrouw in de gang mee te luisteren. Zij kwam binnen en vroeg of ik een kopje koffie wilde. Om een lang verhaal kort te maken: we hebben van half zes tot negen uur zitten praten.’

‘Assendorp vond het blijkbaar moeilijk om het over te dragen. Ik had een voorstel: als ik nou eens hier komen helpen ’s avonds na mijn werk, je hoeft me niks te betalen. Als er iets verdiend wordt, deel ik mee. De man klaarde helemaal op. Zo zijn we gestart.’

 

Strijkijzers
‘Assendorp had connecties met Ten Have, de koffiefabriek. De directeur liet me komen om in zijn fabriek machines te onderhouden of weer aan de gang te helpen. Later bleek dat hij zelf de storing veroorzaakte om zo te kunnen checken wat ik kon. Na een half jaar riep hij me bij zich. Hij vertelde dat hij me gecontroleerd had en had gezien wat ik kon en wat ik niet kon. “Ben ik goed bevonden?” vroeg ik. Dat was ik, ik kreeg de opdracht om in de hele fabriek een nieuwe installatie te maken. Een karwei van een jaar werk voor vier mensen. Zo ben ik gestart, en ieder keer heb ik iets verder uitgebreid.’

In 1964 kwam Wil, zijn vrouw, in de zaak werken. ‘Het was de tijd van de overgang naar het aardgas en de overgang van 127 volt naar 220 volt. Er was veel werk te doen. Wil deed de  apparaten, zoals strijkijzers. Die zette ze over naar 220 volt. Het was ook de tijd dat het Bergkwartier bouwvallig was. In de oorlog was er veel weggebombardeerd. Er zaten nog wel enkele bedrijven, zoals de Bunschoten wijnhandel, Hengelo bier, uitgeverij AnkhHermes, een slagerij, een kruidenierswinkel, een boekbinder. In de Kerksteeg waren vooral pakhuizen.

‘Wij breidden uit van het ene pand naar het andere’, vertelt Frans. ‘Het uitgangspunt was niet zozeer het vergaren van bezit, we hadden de ruimte nodig. De gereformeerde kerk in Achter de muren Santpoort kwam vrij, eerst is het nog een moskee geweest. Als wij het niet kochten, waren er ontwikkelaars die andere plannen hadden voor die ruimte. Met onze plannen daarvoor ben ik naar de commissie van de gemeente geweest en heb ik persoonlijk met de heer Goudappel, de voorzitter, gesproken. Ik kreeg de vrijheid om het te verbouwen zoals wij het wilden. Onlangs hebben we het pand geheel gerestaureerd.  Wij houden van Deventer, vandaar.

 

Met de tijd mee

Dit was ook de tijd van de opbouw van het Bergkwartier. ‘De heren Witteveen, Eggink en Strik hebben veel gedaan voor de stad’, zegt Frans. ‘Ze werden gesteund door burgemeester Bolkestein, die ervaring had met restaureren en het herstel van een historisch centrum in een andere gemeente. Langzaamaan is de buurt daardoor wel veranderd: pakhuizen verdwenen, de koffiefabriek in het pakhuis aan het begin van de Menstraat ging weg, evenals de vishandel.  Het is meer een woonbuurt geworden.’

Volgens Frans is het contact met de buren nu anders. ‘Naoberschap was hier al. Nu moest er een buurtvereniging komen. Belangen van bedrijven zijn echter anders dan die van particulieren, onder andere ten aanzien van verkeer. Particulieren willen de auto’s graag weg hebben, ik sta daar wat anders in.’

 

‘In het Bergkwartier kun je met mummies praten’

 

Wel vindt hij het nog steeds gezellig. ‘Je kunt bij iedereen binnenlopen. Het is een samengaan van mensen, zoals bij het Dickens-festival. De liefde voor Deventer moet blijven. Het is een oude buurt: je kunt met de mummies praten.’ In de zaak staan intussen zoon en dochter aan het roer. Frans kijkt met dankbaarheid terug. ‘Wil en ik hebben het samen opgebouwd. Nu zijn we gestopt – je moet met de tijd meegaan en dat konden wij niet meer. Onlangs bij de restauratie stond Wil nog wel even op de steigers om de werkzaamheden van boven te aanschouwen.’

Fijn van een familiebedrijf is dat zelfs de kleinkinderen in tijd van nood bijna automatisch een aantal taken overnemen. Zoals nu: de kleinzoon komt binnen voor de lunch bij zijn grootouders, om daarna weer in het bedrijf aan de slag te gaan.