Onmisbaar in de zuivelindustrie waren de melkritten, waarbij een melkrijder de melk van meerdere boeren naar de zuivelfabriek reed. Broer en zus Marijke Kleindouwel en Joop Achtereekte zaten als kind regelmatig tussen de melkbussen. Mee met de melkrit van hun vader.
Kort na de Tweede Wereldoorlog en ook nog daarvoor hadden veel dorpen en steden een eigen zuivelfabriek. Boerenbedrijven waren in die tijd vaak klein met maar een paar koeien, wat varkens en soms nog wat land. In het begin bracht elke boer zijn melk, soms maar een paar bussen, zelf naar de fabriek, maar dat bleek niet praktisch en zo ontstonden de zogenaamde melkritten. Tijdens een melkrit reed een boer, de melkrijder, langs meerdere boerderijen om de melk op te halen waarna hij deze naar de zuivelfabriek bracht. De melk werd door de boeren in melkbussen langs de weg gezet. Voor de melkritten werd een vergoeding betaald en de ritten werden toegewezen aan de boer die dit voor het laagste bedrag wilde uitvoeren.

Joop: ‘Ons gezin woonde in Diepenveen op een boerderij en bestond uit vader, moeder en acht kinderen, twee meisjes en zes jongens. Opa en oma (ouders van Vader) maakten ook deel uit van het gezin en woonden naast de boerderij. We hadden veertien koeien en een paar varkens en iets akkerbouw. Pa had geen andere baan. Het was thuis echt geen vetpot dus de melkrit was een welkome aanvulling.’
Marijke: ‘Het verkrijgen van de melkrit was heel spannend, de biedingen waren een keer per jaar. Samen met de boekhouder werd er doorgenomen voor welk bedrag je kon inschrijven. Dan was er een bijeenkomst in een zaaltje en werd bekend gemaakt wie het laagst had geboden en die kreeg dan de rit. De gunfactor speelde hierbij zeker mee, evenals een vaste rijder op de betreffende melkrit. De uitbetaling van de melkritten was één keer in de veertien dagen. De melkrijder haalde dan op kantoor zijn geld op, later werd het via de bank overgemaakt. De melkrit bestond uit zo’n veertien tot vijftien boerderijen waar de melkrijder dan de bussen ophaalde, de boeren hadden de bussen aan de weg gezet en de melkrijder bracht ze naar de fabriek. Onze opa is ooit als melkrijder begonnen met paard en wagen en vader heeft dit overgenomen maar dan met de tractor.’
Joop: ‘Wij gingen vooral mee tijdens de vakanties en op de zaterdagmorgen of ‘s avonds. ‘s Ochtends vertrokken we om half acht. Elke boer had een eigen bus-nummer en later ook een kleurband. Die kleurband zorgde ervoor dat men in de fabriek wist dat er weer een volgende boer was met zijn melk. Mijn eerste herinnering was toen ik een jaar of tien was en voor het eerst mee mocht op de kar.’
Marijke: ‘Pa maakte dan een plek tussen de melkbussen waar we konden zitten, meestal konden er maar twee kinderen mee want aan het eind van de rit stond de kar vol met melkbussen. Dat ik als meisje meeging op de melkrit was heel normaal, er werd bij ons thuis geen verschil gemaakt tussen jongens en meisjes, er liepen dan ook wel meer ‘deerntjes’ rond bij de melkfabriek. Maar onze moeder had natuurlijk liever dat wij hielpen in de huishouding. Als we dan bij de fabriek aankwamen werden de deksels (ook wel lid genoemd) van de bussen er met een rubberen hamer afgeslagen. Als iemand anders de hamer in gebruik had, dan deed je dat afslaan met een andere deksel. Daarom hadden veel deksels deuken in de rand. Ook had je wel eens het vel van je handen.’

Joop: ‘Er werd op zes dagen melk gereden en op zondag niet. Er werd natuurlijk wel op zondag gemolken, daarom werd er maandagmorgen voor het melken eerst een extra rit gedaan om de zondagmelk weg te brengen. Vervolgens werd er thuis gemolken en werd er weer een rit gedaan om de verse melk naar de fabriek te brengen. In de zomer liepen de koeien buiten en van het mooie zomergras gaven de koeien meer melk met als gevolg ook meer melk aan de weg. De wagen raakte daardoor eerder vol en bij de laatste boeren ging er dan schotten boven op de volle melkbussen en daar werden dan de laatste melkbussen op gezet. Dat waren er meestal een stuk of tien. We noemden dat een dubbele lading.’
Marijke: ‘In de zomer was het wel eens een probleem om de melk goed te houden. Als de melk door de warmte zuur was geworden, werd de melk aan de fabriek geweigerd. Alle melk werd namelijk bij aankomst bij de fabriek gecontroleerd op de zuurtegraad. De afgekeurde melk ging dan mee terug naar de boer die het dan aan de varkens voerde. Dit was wel een kostenpost want hij kreeg hier geen geld voor. Op de boerderij werd de melk gekoeld in een koelbak. Een andere methode was het gebruik van PVC-ringen met gaatjes, die om de melkbus werden gewikkeld. Hierop werd een waterslang aangesloten om de melk koel te houden. De melk werd dan zo laat mogelijk aan de weg gezet.’
Joop: ‘Ik kan me nog goed herinneren dat Pa een slecht humeur kreeg als de bussen niet op tijd aan de weg stonden, want dan kwam hij te laat aan op de fabriek en moest hij weer achter aansluiten. Hij begon dan steeds driftiger aan zijn sigaret te trekken en dan wisten we wel hoe laat het was. Er was eigenlijk wel een vaste volgorde van lossen. Als je aankwam bij de fabriek, ging je bij je voorganger de deksels van de bussen slaan. Daarna zette je de eigen bussen op de band. Als de bussen weer uit de fabriek kwamen waren ze nog warm, omdat ze gereinigd waren met zeer heet water. In de winter wel prettig. Daarna leverde Pa de bestelbonnen en lege flessen in en was er tijd voor koffie en de laatste nieuwtjes. Deze bonnen hing hij pas weer aan de bus bij het terugzetten aan de weg. Op dezelfde manier liet hij de zakjes met het melkgeld achter.’
Marijke: ‘Er gingen ook weer producten mee terug zoals “wei”, dit is een restproduct van de kaasbereiding, die diende als kalvervoer, flessen met karnemelk, yoghurt en later vla. Ook kaas en boter, dit werd in de melkbus gestopt. Soms vergat de boer dit eruit te halen en bij de volgende stort in de fabriek kwam het er weer uit waardoor de hele band stil kwam te staan. Van concurrentie in het begin kan ik me niets herinneren, maar later wel. Zeker als het weer tijd was voor de aanbesteding, dat was altijd weer spannend of Pa zijn melkrit kon houden. Vooral toen het tijdstip dichterbij kwam dat de boeren over gingen op een melktank. Pa is toen gestopt en heeft thuis de varkenstak uitgebreid om toch meer inkomen te realiseren.’

Joop: ‘In de loop van de jaren tachtig kwam er een eind aan het melk leveren in melkbussen. De laatste melkbussen werden over een groot gebied verzameld en naar Kamperveen gebracht waar de melk werd verwerkt. De boeren stapten geleidelijk over naar melkkoeltanks. Een tankwagen haalde toen na vier keer melken de melk op. Deze melk werd naar Wesepe en Bathmen gereden. Meerdere kleine zuivelfabrieken zijn samen gegaan in de Coöperatie Coberco en deze stonden in Eefde en Deventer. Coberco fuseerde al snel tot Frieslands Foods en daar werd later ook Campina aan toegevoegd waardoor Friesland-Campina ontstond. Dit bedrijf bestaat nog steeds. Voor Friesland-Campina werk ik nog als chauffeur op een RMO melkwagen (Rijdend Melk Ontvangst). Eigenlijk doe ik hetzelfde werk als mijn vader, maar dan in het groot.
Marijke: ‘Wat me het meest is bijgebleven van de melkritten, is dat we nooit vakantie hadden. Vervanging vinden was erg moeilijk. Als we een dagje uit gingen, zei Pa tegen de boeren dat hij de volgende dag wat eerder kwam. Ook kan ik me nog goed herinneren als het nieuwjaar was. De eerste week moest hij bij veel boeren koffiedrinken, soms ook nog een borrel en overal een oliebol. Die waren soms zo hard of taai dat hij ze stiekem in de broek of jaszak stopte om ze thuis aan de varkens te geven. Pa zei dan: “die moet je met een knijptang eten. Wat me ook is bijgebleven is hoe Pa de volle melkbussen van dertig liter op de melkwagen gooide, het was een soort slagwerk . Hij pakte de melkbus bij de handgreep en zwaaide hem tussen zijn benen door de wagen op. Als de slag niet goed ging dan kwam hij tegen de rand van de wagen aan. De bus van 30 liter kwam dan retour en raakte dan wel eens zijn scheenbeen. Pa was maar een mager mannetje met dunne beentjes, zijn scheenbeen zag er soms ook niet uit.’
Joop: ‘Wat mij nog goed is bijgebleven is dat ik toen ik ongeveer zestien jaar was, ik op zaterdagavond alleen een melkrit mocht doen met de tractor. Je hard toen nog geen tractor-rijbewijs nodig. Ik reed veel te hard waardoor ik in een bocht een deel van de melkbussen verloor. Nu was de melkwagen op zaterdagavond ook niet geheel vol, dus schoof de lading bussen gemakkelijk. Ze waren daar thuis niet zo blij mee, maar ja, je bent jong en je hebt weinig ervaring. Maar wat overheerst is dat het een gemoedelijke tijd was.’

Fotografie: Viorica Cernica

Reacties 0
Nog geen reacties.
Reactie plaatsen