Toen Mien van Houten vanuit het Westen verhuisde naar Bathmen, had ze nog geen idee wat noaberschap inhield. Dat veranderde algauw toen het noodlot toesloeg.

‘Een boerderijtje, buiten wonen en veel dieren, het leek ons echt ideaal. In 1972 verhuisden we daarom van het Groene Hart naar het oosten van het land.’ Aan het woord is Mien van Houten (74), een kleurrijke en enthousiaste vrouw uit Bathmen. Aan haar keukentafel vertelt ze over de ervaringen met Bathmen en de noaberschap. ‘Die saamhorigheid vind ik een van de fijnste en mooiste kenmerken van het dorp. Natuurlijk doe je mee als ze vragen of je wilt buurtmaken en noaste noaber wil zijn. Ik had geen idee wat het inhield, bleek later!’ 

‘Een net gebouwde Battumse wijk was onze eerste woonstek. Een moderne doorzonwoning met grijze betonstenen en zwarte kozijnen. Zo konden we zien of we wel aardden in een dorp over de IJssel. Kwam er een boerderijtje te koop, dan zaten we dichtbij. En ja hoor… twee jaar later, voor 125.000 gulden, waren we eigenaar van een prachtpand in het buitengebied, toen nog gemeente Diepenveen. Een originele boerderij met rode luikjes uit 1924. Alsof de koeien de dag ervoor nog op stal stonden, compleet met de stront op de vloer.’

Kropjes sla en zakjes boontjes

‘Verbouwen van de woning deden ze we deels zelf. Iedere avond waren we flink aan de slag. Op de stoep voor de deur vonden we kropjes sla en zakjes boontjes, vers van het land. Zo maakten we kennis met de dichtstbijzijnde buren, een ouder echtpaar met een ongetrouwde thuiswonende zoon. Zij doopten ons tot noaste noabers. 

In Salland is de noaberschap een ongeschreven plicht die je hebt als buren onderling. ‘Noaberplicht höldt in dat noabers mekare bi-j mot stoan in road en doad as dat neudig is.’ Vanouds een vorm van burenhulp voor bewoners van boerderijen en in dorpen. Een belangrijke schakel in het sociale leven. Mien weet te vertellen dat het destijds in ‘haar’ buitengebied erg traditioneel geregeld was, zeker bij de oudere generatie. Noaste noaber ben je als meest nabije buur in voor- en tegenspoed oftewel ‘bij rouwtje en trouwtje’. De naaste buur ondersteunt bij overlijden en trouwpartijen en verdeelt dan de taken onder de buren, in samenspraak met de familie. 

‘We voelden het als een eer, we dronken regelmatig samen koffie en sloten steevast af met iets sterkers’, vervolgt Mien haar verhaal. ‘Buurvrouw Janna dronk dan een cb-tje – citroenbrandewijn met suiker – en ik, als stadse, nipte van de sherry. “Wie zult geerne de buurvrouwe onder tafel drinken…”, zei buurman dan.’

‘Noabers houden hun functie bij verhuizing. Onze buren woonden er hun hele leven en hadden dan ook 24 noabers. Het hele jaar door legden zij nieuwjaarsvisites af bij de verschillende noabers. We zagen ze dan weer met hun oude Ford Taunus voorbij tuffen.
Ze klonken een glaasje met hen en zijn dus goed geoefend.’ 

 

Het noodlot slaat toe

Na een jaar sloeg het noodlot toe en werd de noaberplicht serieus. Op een avond klopte de buurman aan: Janna was plotseling overleden. Als noaste noaber en vrouw hielp Mien een verzorgster uit het dorp met het wassen van Janna. ‘Ik had nog nooit een lijk gezien, laat staan het washandje met zeep over een dood lichaam gehaald. Janna moest een pyjamajas aan. Helaas stonden die nog nat in een teiltje om op de deel uit te hangen. Midden in de nacht ging ik naar een manufacturenzaak in Dijkerhoek. De winkelier had helaas geen damesjasjes meer. Nood breekt wet: Janna is in een binnenstebuiten gedraaid pyjamajasje van haar echtgenoot gekleed’, vertelt Mien. 

‘Zorg voor de opgebaarde hoorde ook bij de burenplicht. Regelmatig keek ik hoe het lijk erbij lag. Bleven mond en ogen gesloten en was het niet te warm? Een horror voor mij. Het kisten van een dode was mannenwerk en zo was ook mijn echtgenoot betrokken. Janna is met hulp van ons gekleed en gekist. Onze eerste echte noabertaak.’  

Aan alles zit een grens, ook aan noaberhulp. Toen buurman later zei: ‘Wie had -edacht… wie vroag de buurvrouwe veur de vensters’, bedankte Mien hartelijk. Tips rond het huishouden wilde ze van harte uitwisselen, maar ramenlappen… nee, dit was de grens voor haar. Wel heeft Mien de thuiswonende zoon nog getipt een vrouw te zoeken, waarop hij zei: ‘Mien moe zeg alle holt is geen timmerholt.’

 

Battum in voor- en tegenspoed 

Het leven in Bathmen en het buitengebied beviel goed. De contacten met buren en dorpsbewoners groeiden voor het hele gezin. Ze kregen tips voor de verbouwing van de boerderij en het aantal dieren rond het huis groeide gestaag. Mien kreeg een job op de peuterspeelzaal in Bathmen en werkte als invaljuf één dag per week op de basisschool in Loo, het buurtschap naast Bathmen. Haar kinderen, een zoon en dochter, gingen naar de dorpsschool in Bathmen en maakten veel vriendjes. Na tien jaar Bathmen was een heel netwerk ontstaan. Mien omschrijft het als gelukkige jaren. 

‘Toen plotseling… het was 1982, de kinderen waren tien en zes jaar oud, verdween mijn echtgenoot. Werkelijk van het ene op het andere moment – zonder enig afscheid is hij vertrokken. Zoiets van: hij ging een pakje sigaretten kopen en kwam nooit weerom. Een enorme schok, zeker voor de kinderen. Ik stond er alleen voor, heb al mijn werkzaamheden opgegeven en ben volledig voor mijn zoon en dochter gaan zorgen. Alle dieren én de boerderij moesten worden verkocht. Het was echt vreselijk.’

Mien kreeg door bemiddeling van haar netwerk van noabers en bekenden een huurhuis in Bathmen. Ze verhuisde naar het buurtje van weleer, kon een beroep doen op de bijstand en ontving een uitkering van 1328 gulden per maand. ‘Geen vetpot natuurlijk, maar heel fijn dat ik zo genoeg tijd voor mijn kinderen had. Voor hen streefde ik naar stabiliteit. Met medeweten van de gemeente deed ik soms een klusje. Zo verkocht ik op zondag ijsjes in Bussloo, maakte hier en daar een huis schoon of stond ’s avonds laat in de kantine van de tennishal. Mijn ouders stopten me af en toe een tas boodschappen toe. Zo redde ik het financieel, ik wilde het zelf zien te klaren. Ik kreeg ook controle van de sociale dienst. Heel naar, het voelde vernederend. De stap van buiten wonen met twee auto’s voor de deur naar hier was gewoon groot. Toch heb ik me altijd zo positief mogelijk opgesteld.’

‘Op een dag ben ik naar de burgemeester van Bathmen gestapt en heb gezegd: “Burgemeester, hier op school werken allemaal vrouwen wier echtgenoten ook een baan hebben. Ik vind dat ik nu aan de beurt ben en wil gewoon aan de slag.” De burgemeester was het met me eens en zegde toe de school te benaderen. Zo ben ik in 1991 weer aan het werk gegaan op de basisschool in Bathmen. Ik heb tenslotte een onderwijsbevoegdheid.’ 

‘Ik blijf een westerling’

Mien heeft genoten van haar werk op de dorpsscholen in Bathmen en Loo. ‘Ik ben altijd met veel plezier naar mijn werk gegaan. Ik heb veel kinderen zien komen en gaan, heb kennis gemaakt met hun ouders en heb inmiddels een enorm netwerk in het dorp. Natuurlijk blijf ik een westerling, wat betekent dat ik erg rechtstreeks kan zijn in mijn opmerkingen. Daar hou ik van. Nee… niet iedereen is ervan gediend.’ 

Mien heeft twintig jaar voor de klas gestaan toen ze in 2011 met pensioen ging. Nog altijd houdt ze er een druk leven op na. Ze somt een reeks aan activiteiten op: bestuurslid van de Kunstmarkt Bathmen, lid van de Plattelandsvrouwen, medeoprichter van het Filmhuis in Bathmen, acteur in de plaatselijk toneelvoorstellingen, koken voor ouderen en activiteiten in het Kulturhuus Braakhekke.

Aan het eind van het interview vraag ik Mien wat ze het meest waardeert in of aan het dorp. Uit het diepst van haar hart zegt Mien: ‘De mentaliteit in Bathmen. De saamhorigheid, hartelijkheid, de talrijke initiatieven en sociale steun die er is. Werkelijk iedereen kan en mag zijn wie hij is en mag meedoen.’

Fotografie: Lieke Kooyman