Gerda Pieters was in de jaren 70 jarenlang bijna dagelijks te vinden in het Enkhuis, het sociale centrum van het Rode Dorp. Het voelde als een soort thuis en gaf haar ook een eigen inkomen, niet onbelangrijk.

‘Eindelijk! Ons eigen huis, in de Enkstraat. Wat was ik blij!’ Half mei 1972 betrok Gerda Pieters met man, zoontje en hoogzwanger van haar tweede kind voor het eerst een eigen huis. Ze woonden daar zes jaar, totdat hun woning bij de renovatie werd verbouwd tot bejaardenwoning. Toen verhuisden ze naar de Diepenveenseweg, aan de rand van het Rode Dorp.

Gerda werd geboren op de Worp, waar haar ouders inwoonden bij opa en oma van moederskant. Opa en oma waren dol op hun oudste kleinkind. Ze bleven haar hun leven lang verwennen. ‘Hier heb je een gulden, maar niet tegen oma zeggen.’ En: ’Hier heb je een rijksdaalder, maar niet tegen opa zeggen.’

Na wat omzwervingen kwam het gezin terecht in Voorstad. Daar ging Gerda naar de Van Marleschool in de Oosterstraat (nu de Vrije School) en later naar de ULO op de Ceintuurbaan. Ze haalde mooie cijfers. Maar doorleren? ‘Geen sprake van’, zei haar vader. ‘Aan het werk.’ En dat deed ze, want vaders wil was wet.


‘Gedoe’ met kinderen 

Het werd Groot Schuylenburg in Apeldoorn, een woon- en werkplek voor mensen met een verstandelijke beperking. Gerda, toen zeventien jaar kreeg de verantwoordelijkheid voor een hele zaal kinderen. Ze was er intern. Ze genoot van het ‘gedoe’ met de kinderen: knutselen, spelletjes doen, krulspelden zetten op zaterdagavond. Maar ze moest ook regelmatig politieagent spelen, want het ging er soms ruig aan toe. Zeker ook belangrijk was dat ze haar eigen geld verdiende en financieel onafhankelijk werd. Gerda zag thuis hoe moeilijk haar moeder het had met het financieel afhankelijk zijn. ‘Mag ik asjeblieft een lapje kopen want ik heb een jurkje nodig’, zei ze dan. Gerda dacht: ‘Dat gaat mij nooit gebeuren!’ Ook de traditionele taakverdeling thuis was haar moeder, en ook Gerda, een doorn in het oog. ‘Mijn vader tilde alleen zijn voeten op als de stofzuiger er onderdoor moest.’
 

 

 

Bij kennissen ontmoette ze Ab. ‘Hij zag mij en wist blijkbaar direct dat ik de vrouw was waar hij mee wilde trouwen’, vertelt Gerda. ‘Ik zei: “Je kent me niet eens, misschien ben ik wel een kreng.”’

Haar vader was het niet eens met de relatie. ‘Als je de verkering uitmaakt krijg je van mij een naaimachine’, probeerde hij. ‘Die koop ik mezelf wel’, antwoordde Gerda. En dat deed ze, van haar eerste vakantiegeld. Zodra het gesprek thuis ging over trouwen, zei hij: ’Ben je al dertig dan?’ Bijna drie jaar ging dat zo door.

Gelukkig veranderde de wet waarin je tot je dertigste toestemming van je ouders nodig had om te trouwen op 1 januari 1970. Op 29 januari 1970 trouwde Gerda met Ab. Ook toen was er woningnood. Ze woonden tijdelijk in een huisjespark op de Holterberg, maar al snel weer in Deventer. Ze vonden een kleine bovenwoning op de hoek van de Assenstraat en de Bursesteeg, boven boekhandel Veldink. Daar werd hun oudste zoon geboren. Gelukkig kregen ze van de woningbouwvereniging uiteindelijk een woning toegewezen, in de Enkstraat. Hun eerste echte eigen huis, met een tuin.


Grote plaats voor het Enkhuis

Toen Gerda eenmaal in het Rode Dorp woonde nam buurthuis het Enkhuis algauw een grote plaats in in haar leven. Of is het omgekeerd, nam Gerda een grote plaats in in het Enkhuis? Het ging een beetje vanzelf, van het een kwam het ander. De naaiclub van het Enkhuis zat net zonder docent. ‘Kun jij dat overnemen’, was de vraag. ‘Ik had dan wel geen naaidiploma maar wel veel ervaring’, vertelt Gerda. ‘Ik leerde naaien van mijn moeder. Inmiddels naaide ik alles voor mezelf, voor de kinderen en voor wie zo eens langs kwam. Er was een vast groepje van zo’n tien vrouwen op naailes. Moeders kwamen soms samen met hun dochters. Ze namen zelf mee wat ze wilden naaien, of veranderen. Of de broeken waar de knieën van kapot waren. Zelf was ik ook wat je noemt een armoenaaister, ik had ook geen losse knoop, maakte van niets iets. Van een jas van oma, binnenstebuiten omdat de kleur dan mooier was, maakte ik jasjes voor de jongens. Uiteindelijk, op m’n veertigste, haalde ik toch nog een naaidiploma.’

 

‘Ik was een armoenaaister, ik maakte van niets iets’

 

De administratie van het Enkhuis deed ze ook al snel daarna, de man die daar verantwoordelijk voor was ging met pensioen. Algauw zat Gerda ook in het bestuur. Als ze zaten te vergaderen, zette ze haar jongste zoon in de kinderwagen bij de douches. Ze ziet mijn verbaasde blik en vervolgt: ‘De huizen in het Rode Dorp hadden toen nog geen douche. Het Enkhuis functioneerde ook als badhuis. Theo en Gerrie te Wolde waren de beheerders. Je lei een gulden op het tafeltje en dan kon je met z’n drieën, want ik ging met de kinderen, heerlijk schoon worden.’


Grote zaal voor kinderen

En er was de zondagmiddagclub. Daar draaide Henkie Schurink films: Roodkapje, Tweety, De drie eendjes en ga zo maar door. De grote zaal vol kinderen. Het borstelwinkeltje in de Menstraat verhuurde allerlei films, voor volwassenen en ook voor kinderen. Allemaal stomme films. Henkie zocht daar elke keer een film uit. Hij vertelde dan het verhaal bij de film. ‘Ik bracht kinderen naar de wc, schonk limonade in en hield toezicht, samen met Ab. Ook jaren gedaan.’

Gerda ging assisteren bij de peuterspeelzaal. Eerst omdat haar jongste zoon nog niet zo goed kon lopen. Maar ze bleef, jarenlang, als leiding en genoot van het werken met de peuters. Natuurlijk hielp Gerda ook met het organiseren van de jaarlijkse rommelmarkt op het plein voor het Enkhuis.

Met veel vrijwilligers en betrokken buurtbewoners was het Enkhuis echt het sociale centrum van de wijk. Niet onbelangrijk: voor Gerda betekende het Enkhuis ook een eigen inkomen, een beetje onafhankelijkheid. ‘Het Enkhuis voelde voor mij als een soort thuis. Ab heeft eens gedreigd om een blik bruine bonen te komen brengen. Dan hoefde ik ook niet meer naar huis te komen om te eten.’

 


Ineens was het genoeg

Gerda zat nog in het bestuur van het Enkhuis toen de bouw van de nieuwe peuterspeelzaal ‘De rode rakkertjes’ werd voorbereid. Ergens in die tijd nam iemand anders de naailessen over. Zomaar. Er ontstonden conflicten en meningsverschillen in het sociale centrum. Ineens was het genoeg, Gerda stapte op. ‘Ik heb er nooit meer een voet over de drempel gezet’, zegt ze fier, ‘behalve om te stemmen.’ Het Enkhuis is veranderd. Wat blijft voor Gerda zijn de goede herinneringen en de warme vriendschap met een oud-collega.

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Deventenaar Anton Brack werd in de jaren zestig door zijn ouders naar de dokter gestuurd om te ‘genezen’ van zijn homoseksualiteit. Dat hielp natuurlijk niet. ‘Wat hebben we een lol gehad in de homobars.’

‘Ik kom uit een groot gezin, we waren met elf kinderen. Dus je begrijpt wel dat het geen vetpot was bij ons. Dat was geen fijne tijd. Vroeger vond ik er niets aan. Ik had een oudere broer die vrat alles van mien op. En mien vader dat was een echte neukerd! Een nare kerel, hie hef mie nog nooit um de nekke epakt. Dat gebeurde niet, dat dejen ze niet. Raar is dat hè? Daarom had ik ook zo’n hekel aan mien vaoder. 

Ik zat op de schuilingschool. Ging daar op mijn twaalfde van af naar de LTS. Op mijn veertiende ging ik werken. Ik mocht niet meer doorleren en eigenlijk kon ik ook niet zo goed leren. Schrijven, lezen en rekenen lukt prima.

Al heel vroeg had ik verkering met Janny. Ze kwam vaak bij ons. Mijn vader kwam opeens spiernakend uit de douche lopen. Die viezerik. Janny schrok daarvan en vertelde mij dat. Daarna zijn we met elkaar naar bed gegaan en heb ik me “verneukt”. Toen moesten we trouwen… Bij de burgemeester moest ontheffing aangevraagd worden want zij was nog maar vijftien jaar en ik zestien. 

Onze dochter is in maart geboren. Anderhalf jaar later onze zoon. Omdat we zo jong waren kregen we natuurlijk geen huis. Wij gingen bij de burgemeester in de tuin zitten. “Wat doet u hier?” vroeg hij. “Ik woon hier”, zei ik. Toen hebben we wel een huis gekregen, aan de Rozengaarderweg. Het was een oud huis. De trap zat onder de stront. Ze zullen wel gedacht hebben: dat huis kunnen we toch niet verhuren. Niemand wilde daar wonen. Het was toen al een uitgewoonde buurt.

 

 

Hondenriem

Met Janny was ik op vakantie in Spanje. Voor vertrek hadden we geen afscheid genomen van mijn vader. Hij had tegen mijn moeder gezegd: als ze over veertien dagen terug zijn ben ik dood. En hij ging ook dood, twee dagen voordat wij er weer waren. Toen zei ik tegen mijn moeder: kun ie lekker naar de bingo…

Hij had ook losse handjes. Hij sloeg ons. Verschrikkelijk. Hij sloeg nooit mijn moeder. Alleen mijn zusters. Als mijn zusters te laat thuis kwamen stond ie hen al op te wachten met de hondenriem. Mijn moeder was altijd lief, dat is me bijgebleven. Zij is 78 geworden. We steunden mijn moeder na het overlijden van Pa altijd. We zijn nu nog met zijn drieën over. Mijn vader was eerder getrouwd geweest en daar had ie ook nog drie kinderen bij.

Toen ik twaalf of dertien was had ik al “iets” gevoeld bij mezelf. Toen had ik nog echt geen idee dat ik homo was. Dat heb ik natuurlijk ook niet tegen Janny gezegd. Ik had een broer en daarmee vergeleek ik mij. Hij was een heel ander type dan ik. Maar dan ben je al getrouwd en heb je kinderen…

Ik heb nog steeds heel goed contact met Janny. We hebben een dochter en een zoon. Hele fijne kinderen. Ze staan altijd voor me klaar. Ze zijn opgegroeid met het besef dat ik homo ben. Soms pakte mijn dochter de telefoon op en dan kreeg ze te horen: heeft je vader nog een lul in zijn kont gehad? Nou en dan werd er gescholden: “Vuile homo!” Deze treiterijen hebben ongeveer zeven jaar geduurd. We zijn er nooit achter gekomen wie ons belde. Wel hoorden we steeds dezelfde stem. 

 

Onder de rok van Wilhelmina

Ik ben 27 jaar met Janny getrouwd geweest. Zij was overal van op de hoogte en ging ook mee naar het COC. Na een half jaar heb ik “het” aan Janny verteld. Ik zei: ik ben zó. Dat kwam omdat ik door mijn broer onder druk werd gezet. Hij stond me op te wachten bij het urinoir op het stationsplein. “Zo, flikkertje, dat moet je wel even aan je vrouw vertellen.” Hij dreigde mij dood te slaan als ik dat niet deed. Daar was ik best bang voor, hij was heel sterk. Als kind waren we al bang voor hem. 

Ik was toen ongeveer zeventien en een half. Ik droeg lange spijkerbroeken en als ik naar de pisbak was geweest stonk mijn broek naar zeik. Dan zei ze: ben je er weer geweest? Ik ging ook naar de pisbak aan de Gedempte gracht. Dat was altijd heel gezellig. Daar was je onder elkaar en kon je ook nog “scoren”. Elke avond waren er wel een stuk of twintig homo’s. Dat was lol. 

“Gewone” mannen gingen niet naar binnen bij de pisbak. Dat durfden ze niet. Op de Brink was ook een mooie pisbak voor ons. Onder de Wilhelminafontein. Dan zeiden we: ik ga nog even onder de rok van Wilhelmina kijken. De pisbak van het Stationsplein staat nu in het openluchtmuseum. O ja, dat waren nog eens tijden. Frans met de grote neus, juwelen Hanna, tante Julia. Een man met een rooie pruik, die noemden we natuurlijk pruikie.

Als we naar die pisbakken gingen moesten we altijd oppassen voor de jongens van het kamp. Die wilden ons in elkaar slaan. Ik weet nog dat ik zonder schoenen liep in de Nieuwstraat. Dan liep ik harder. Ik heb het wel gered! Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje, kankerflikker. Ze hebben mij nooit gepakt.

Ik werkte bij Thomassen en Drijver, daar heb ik 38 jaar gewerkt. Ik had een dubbele baan. ’s Middags ging ik naar slachterij Gosschalk in Epe. Dan kwam er een busje bij T&D en stapten we met acht man stiekem in. Ik heb daardoor goed verdiend. Toen kon dat nog, “zwart” werken. We konden ons hierdoor goed redden. Kochten een stacaravan op camping het Haasje in Olst. Daar staan veel Deventernaren. Dat was altijd gezellig!

 

‘Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje!’ 

 

Mooie man op bezoek

Sinds ik hier woon, in het Groote en Voorster verzorgingstehuis, heb ik veel dingen weg moeten doen. Maar die kast is nog uit ons huwelijk. Janny wou hem wegdoen, maar ik zeg: zet hem hier maar neer. 

Op dit moment heb ik niet zoveel behoefte aan seks. Af en toe komen hier nog wel eens mannen die ik mag verwennen, maar ze hoeven niet aan me te komen. Ze weten hier wel dat ik homo ben. Af en toe is er een verpleegkundige die zegt: wat had jij weer een mooie man op bezoek vandaag!

Ik heb vaak moeten liegen, maar ik lieg voor niemand meer. Ik ben niet meer gek, ik trek me nergens iets van aan. Ik heb een brede rug. Ik heb ervoor gekozen om “het” te accepteren. Soms beet ik van me af, maar ik liet me ook uitschelden. Ook nu nog in het Meester Geertshuis plagen ze me, maar ik trek me er niets van aan. Als ze “vieze homo” zeggen, dan zeg ik: was je maar eerst voordat ik je gebruik. En dan zijn ze stil!

Vroeger vond ik mezelf geen knapperd. Ik werd uitgescholden vanwege mijn flaporen. Later was het wel een gezellige tijd, vooral toen ik Henk leerde kennen. Hij had een advertentie in de Stedendriehoek geplaatst. We zijn 22 jaar bij elkaar geweest. Hij is overleden aan longkanker. Het was een toffe kerel. Hij kon me goed aan, want zo aardig was ik soms niet. Hij wel. 

Ook mijn moeder vond Henk een aardige kerel. De familie niet, daar mocht ik niet komen. Ze waren bang dat ze aids kregen. Mijn zuster zei: ik heb liever niet meer dat je komt. Dat zeiden ze allemaal! Later hoorde ik dat mijn andere zuster zei: daar komen die flikkers ook weer aan. Toen ben ik ook niet meer naar haar toegegaan. 

 

Dikke Harry

In Deventer waren ook homobars: Incognito van Paultje, achter de Hema de Peter Cuyper taveerne en het COC. We gingen ook naar Enschede. We hebben lol gehad. Bij Incognito kwamen homo’s, biseksuelen en echtparen. De mensen waren gek met Paul. Hij werd goed beschermd. Dikke Harry stond aan de deur. Hem ken ik vanuit de Menstraat, daar is het COC begonnen. Tijdens de opening waren de muren nog niet droog, iedereen was wit. Ik heb nog geholpen bij de inrichting ervan. Jammer dat er geen homobar meer is in Deventer.

In het COC aan de Assenstraat kwam ik ook. Daar zat een grote kluis in de kelder, die één keer in de maand werd verhuurd aan de VSSM. Daar hielden zij sm-bijeenkomsten. Dat was spannend! Ik liet mensen binnen en vroeg wat hun wensen waren. Soms kon ik ze “helpen” maar als je daar geen aanleg voor hebt, dan wordt het geen succes. 

Ook ging ik wel naar het Ginkelse zand. Daar was het op maandagavond leeravond. Gezellig en spannend. Nu mis ik die spanning wel. Ik zou nog zo een sm-zaak kunnen beginnen. Dan koop ik gewoon twee nieuwe benen, haha. Ook ging ik wel naar de parkeerplaats aan de A1 bij Apeldoorn. Dat was wel opletten. Ze konden je kenteken opschrijven en dan proberen je te chanteren. 

Amsterdam vond ik leuk. In die tijd was er nog geen “donkere kamer” in de kroegen. Dan ging je met iemand mee naar zijn kamer. Leuke tijd. Ik heb ‘m altijd laten werken net als mijn vader.

Bij Janny ben ik weggegaan omdat zij verliefd werd op Freddie. Ze bleef een nacht weg en de volgende dag zei ze: ik ben verliefd… en dat is al een paar maand aan de gang. Maar eigenlijk wist ik het al. Toen zei ik: dan ga ik weg. Dan kun je met Freddie samenleven. Gelukkig is ons contact nog heel goed. Achteraf denk ik: hadden we niet met zijn drieën kunnen samen leven? Janny was een mooie vrouw. We zijn nog steeds gek op elkaar. 

Ik heb een heel fijn huwelijk gehad, zij heeft alles geaccepteerd. Alleen die trubbels dat ik homo ben, ik kan er ook niets aan doen. Ik moest naar een dokter in Overveen. Dokter Van den Aardweg, zijn naam zal ik nooit vergeten. Daar werd ik naar toe gestuurd om te “genezen”. Mijn vader zei: “dat betaal ik wel” en ik ging ernaar toe. De dokter vond het helemaal prachtig dat ik wou veranderen. 

Misschien ben ik er tien keer geweest, toen ben ik gestopt. Dat heeft heel veel geld gekost. De hele familie lapte geld bij elkaar om de behandeling te betalen, misschien wel duizend gulden! Maar het heeft natuurlijk niet geholpen. Dat dacht ik gelijk al. 

 

Geen illusies

Iedereen weet hier dat ik homo ben. Als er nieuwe bewoonsters komen en ik merk dat ze me aardig vinden, dan zeg ik dat ik homo ben. Dan hoeven zij zich geen illusies te maken en heb ik er geen last van.  Ik heb vier kleinkinderen en binnenkort word ik overgrootvader. Hopelijk maak ik dat nog mee voordat ik doodga. Eén van mijn kleinkinderen is homo en woont samen met een vriend in Apeldoorn.

Mijn leven was goed. Ik ben niet verbitterd, klaag weinig. Hier wordt wel geklaagd. “Mijn been doet zo zeer.” Dan denk ik: hol oe stille, daar heb ik toch niets mee te maken. Ook klagen ze over het eten. Dan zeg ik: heb jij het vroeger beter gehad dan?’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Jeanette van Gestel is geboren en getogen op de Zandweerd, en wil er nooit meer weg. ‘Hier is het ons kent ons. Niet zo’n poeha.’

‘Mijn opa had de eerste friettent van Deventer, genaamd De Brabander’, vertelt Jeanette van Gestel. ‘Standplaats Pikeursbaan. Mijn moeder komt uit Wilp en vader uit Oirschot in Brabant. Op zijn twaalfde is hij naar Deventer gekomen. Hij moest op de Sijzenbaan de aardappels ophalen voor de friet, uit een pakhuis. Met die aardappels liep hij over de Brink, waar hij ging voetballen. Dan kwamen agenten aan de friettent: “Janus, die jongen van jou staat weer te voetballen. Je aardappels staan op de Brink.” Dan moest mijn oma mijn vader ophalen en de aardappels meenemen naar de patatkraam.

Mijn moeder kwam daar een keer met haar zus. Ze waren naar de bioscoop geweest en zij zei tegen haar zus: kijk eens wat een leuke jongen daar achter de kraam staat. En toen is het snel gegaan. Op 21 april zijn ze getrouwd en op 5 juni is onze Hannie geboren.

Later heeft ze alles aan ons verteld. Mijn moeder kwam uit een gezin van veertien kinderen. Haar tante had gezegd: “Teuske, je moet vertellen aan je vader en moeder dat je een baby krijgt.” Mijn moeder was toen al zes maanden zwanger, maar ze durfde niet. Toen ze het ‘s avonds toch vertelde, zeiden haar ouders dat ze dan moest trouwen en zichzelf moest zien te redden. Dat moesten zij ook.

Mijn ouders kwamen te wonen in een kelderwoning aan de Sijzenbaan in Deventer. Met twee kacheltjes, mijn vader lag op een zak stro en mijn moeder op een bed. Het waren oude, slechte huizen. Via de voordeur moesten we naar buiten, een lange trap af naast het huis, om naar de wc te gaan.

 

 

Eerst woonden ze in de kelder, maar toen ik werd geboren – te vroeg – zei dokter Bolhuis: “Mevrouw Van Gestel, hier kunt u niet blijven wonen!” Toen zijn ze naar boven gegaan. In die bovenwoning hebben we nog twee jaar gewoond, maar ook daar liepen de muizen gewoon achter het behang. En toen heeft de dokter ervoor gezorgd dat wij naar de Gronoviusstraat konden, nummer 53. Ik denk vanaf mijn zesde, want ik kan me herinneren dat ik op de Noorderkleuterschool heb gezeten, in de buurt van de Lange Zandstraat. Dat was later nog een sociale werkplaats voor Ander Werk.

 

Niet aanbellen

Bij die woning had mijn vader een serre aangebouwd, met een douche. Want oorspronkelijk zat er geen douche in dat huis. Eigenlijk stond je dan buiten te douchen, en de deur kon niet op slot. Dus als iemand achterom kwam en jij stond toevallig onder de douche, dan had je pech. En als het heel koud was dan ging je in de teil in de keuken. Dan deed mijn moeder alle gaspitten aan, zodat het een beetje warm werd. Of ze zette de teil voor de kachel in de kamer. Als je pech had was je de laatste. Ik had twee zussen, ik ben de middelste.

In de straat kon je zo bij iedereen naar binnen lopen. Je hoefde niet aan te bellen, je ging gewoon achterom. En vrijdag ’s middags poetsten al die moeders, al die dames, hun brievenbussen. Die waren van koper en daar stond dan ‘brieven’ op. Nou bij mijn moeder stond er helemaal geen ‘brieven’ meer op. Mijn moeder was de hele dag aan het poetsen. 

Thuis mocht er niet geknutseld worden, en na school mochten we niet naar binnen. Het was net een toonzaal. Ik zat toen op de huishoudschool. Mijn moeder stuurde ons rustig naar buiten. Ja, maar mama, het regent, zeiden we dan. “Kan me niet schelen, dan ga je maar onder de poort zitten, ik ben nog lange niet klaar.” Als ze dan klaar was mochten we naar binnen, maar niet in de kamer. Pas na zeven uur. De kamer moest netjes blijven.

Twee keer in de week werd boven gedaan, elke week werden de ramen gelapt, elke veertien dagen gingen de gordijnen eraf. Die vrouwen die letten allemaal op elkaar, niemand ging werken. Dus ze hadden heel de dag de tijd: “O, doet ze nu die ramen nu nog niet?” Ze roddelden onder elkaar.

Als de jaarlijkse gas- en lichtafrekening arriveerde dan kwamen ze ook allemaal naar buiten: “En wat moet ie betalen? Of krieje wat terugge?” Mijn moeder had wel eens dat ze bij moest betalen, dat ze geen geld had. Dan moest ze iedere maand naar de Gasunie fietsen aan de Zutphenseweg. Of de huur, die moest ze iedere maand wegbrengen naar een kantoor van de gemeente, op de hoek van de Assenstraat. 

 

Biertje

Toen de kinderen klein waren was mijn moeder thuis. Later ging ze wel werken, met de buurvrouw, zwart. Dan gingen ze ‘s avonds schoonmaken. Mijn vader was op zijn 32ste al werkloos. Eind jaren zeventig was het heel slecht in de bouw. Al die vaders bij ons in de buurt waren thuis. De ene was metselaar, de ander schilder of timmerman.

Beunhazen deed mijn vader wel. Het geld dat hij daarmee verdiende, gaf hij niet af. Hij dronk graag een biertje. Soms wel te veel. Niet in huis, maar in het café, bijvoorbeeld bij tante Doortje of Hein en Mina. Als het een beetje mooi weer was kon je de klok erop geliek zetten.

Mijn moeder heeft het altijd goed gevonden. Daar hebben we het later nog wel eens met haar over gehad. Zij was een onderdanig type. Als mijn vader ging douchen dan zei hij “Teus, Teuske, ik ga mien douchen hoor.” Dan wist mijn moeder dat ze zijn schone ondergoed sokken en kleren moest klaarleggen. En als ze al eens een keer wegging, wat ze bijna nooit deed, dan moest ze de koffie klaarzetten, zodat mijn vader alleen het knopje hoefde in te drukken. Ik zou het nooit gepikt hebben. Maar het was een heel andere tijd. 

 

Vers gebakken brood

Wij hadden de eerste Turkse buren van de straat. Een Turkse buurman, meneer Altenbas. Hij kwam eerst, hij werkte bij de Akzo. Een jaar of twee jaar later kwam zijn vrouw uit Turkije met drie kinderen. Ze praatte slecht Nederlands. Als ze kwam vroeg ze eerst: “Buurman thuis?” Ja, zei mijn moeder: buurman thuis. “Ik niet komen. Ik morgen komen.” Dan ging ze niet naar binnen. 

De buurvrouw bakte Turks brood op de kachel. Dan gingen wij erheen, we vonden het lekker, warm, met een beetje jam ertussen. Als de kinderen een beetje vervelend waren, kwakte ze zo met die stok waarmee ze het deeg rolde op hun kop. Dat was niet misselijk hoor. Het waren heel aardige mensen, die kinderen zie ik nog wel eens.

Mijn moeder ging nooit naar de stad, alles was hier: de groenteboer, de melkboer, de bloemist, de bakker. En wij kinderen speelden altijd buiten, de speeltuinverenigingen organiseerden van alles: sinterklaas, carnaval, zeskampen, voetbaltoernooien. Er was altijd bedrijvigheid. 

Soms loop ik met mijn kleinzoon door de buurt. Dan gaan we naar de speeltuin en zeg ik: kom maar, oma weet allemaal mooie sluiproutes. Want ik ken natuurlijk alle gangetjes en iedere straat op de Zandweerd. En dan zeg ik: kijk daar heeft oma gewoond. Op nummer 53.

 

 

Nooit geen narigheid

Op de Zandweerd is het ons kent ons. Niet zo’n poeha, relaxt gewoon. Nooit geen narigheid. Als er hier een politieauto door de straat rijdt, staan ze allemaal buiten. Wat gebeurt hier dan? Er gebeurt hier nooit wat. Aan deze kant, hè! Ik weet niet hoe het verder in de wijk is.

Toen we gingen samenwonen was dat eerst in de Smedenstraat, daar woonde Peter al op zichzelf. Daar had hij een appartementje, dat was makkelijk. Dat was maar een half jaartje, want het was veel te klein. Toen hebben we ons in laten schrijven voor een flatje, binnen twee maanden kregen we er een op de Bukhorst. We hebben er zo’n twee jaar gewoond. Veel langer niet, ik kon niet aarden daar. Er was niks te beleven. “Er kan gebeuren wat gebeurt, maar ik blief hier niet wonen”, zei ik. Peter maakt het niet veel uit waar hij woont.

 

Neem dat huus niet, ie kunt niet wennen

 

We zijn in de Cartesiusstraat gaan kijken. Deze straat vond ik altijd wel mooi, maar het was een beetje een kakstraat in onze belevenis. Het waren allemaal koopwoningen en als je uit zo’n volksbuurtje komt is iedereen die een huis heeft een kakker. Maar het voelde direct vertrouwd, dus we kochten het. 

Mijn zuster woonde nog lang in ons ouderlijk huis. Als ik van mijn werk af kwam, ging ik langs haar en dan pas naar huis. “Bin ie dur alweer”, zei ze dan. Nu woont ze op Borgele, achter de Schalm. Zaterdag was ik er even en ik zei: “En?” “Ik blijf hier niet wonen”, zegt ze. “Dat heb ik oe toch ezegd”, zei ik. “Neem dat huus niet, ie kunt niet wennen, Hannie. Ie komt ook van de Zandweerd.”’

 

Fotografie: Viorica Cernica

 

 

AnneMarie Zweers gaat in deze interviewreeks op zoek naar verhalen van de Zandweerd. Waarom houden ze zo van deze wijk?

In deze aflevering spreekt AnneMarie met Jeanette van Gestel. Jeanette is geboren en getogen op de Zandweerd, en wil er nooit meer weg. ‘Hier is het ons kent ons. Niet zo’n poeha.’ Lees hier het interview met Jeanette.

 

 

Fotografie: Viorica Cernica

 

Hans te Riele groeide op op een stadsboerderij in de Walstraat. ‘Twee keer per jaar brachten we de koeien naar de overkant van de IJssel. Dat was een heel spektakel.’

Als klein kind zag Hans te Riele (1934) zijn vader aan het werk met de koeien en paarden van hun familieboerderij in de Walstraat. Hij weet nog hoe hij tegen hem opkeek en hoe trots hij op hem was. Het was een, voor die tijd, flink boerenbedrijf, met aanvankelijk twaalf koeien. Na de oorlog kon zijn vader het bedrijf naast hen kopen, een garagebedrijf van de firma Slangen. Hij kon er een schuur bij bouwen en het aantal koeien uitbreiden tot eenentwintig. Daarnaast waren er drie paarden, vooral voor het werk op de akker, en wat varkens.

Het gezin telde uiteindelijk acht kinderen: zeven jongens en één meisje. Hans was het vierde kind en de derde zoon. Al van jongs af aan werden de kinderen ingeschakeld bij het werk dat gedaan moest worden. ‘Vanaf een jaar of vier gingen we naar de bewaarschool bij de nonnetjes, en later naar de lagere school. De school was in de Broederenstraat, maar de nonnetjes woonden in de Nieuwstraat bij het Elizabethziekenhuis. Een van mijn jongste herinneringen is dat ik samen met mijn broertje nog vóór schooltijd twintig liter melk moest brengen bij de nonnen. De melk zat in een flinke melkemmer en die sjouwden wij samen dwars door de stad, op onze klompjes, naar de Nieuwstraat. Dan moesten we daar in een zijstraatje aankloppen bij een deur van het klooster en wachten tot er werd opengedaan. Maar het gebeurde nogal eens dat het lang duurde voor de nonnen reageerden op ons gebons, met als gevolg dat we te laat op school kwamen. Dan kregen we gerust nog een draai om de oren van de non die ons binnenliet.’

 

 

Zo dol als wat

De boerderij was een gemengd bedrijf: het accent lag op het melkvee, maar daarnaast werden er ook suikerbieten, uien, koolrapen, wortelen, voederbieten en graan voor de beesten verbouwd. De koeien van de stadsboeren stonden ‘s zomers op het land aan de overkant van de IJssel, op de weiden rond de Bolwerkersmolen. Hans’ vader had ook nog land op het ‘Stadsland’, de weiden die lagen tussen Terwolde en Deventer, rechts van de Spoorbrug.

Hans, met glunderende ogen: ‘Het was een heel spektakel twee keer per jaar: in mei en tegen de winter moest het vee dwars door de stad naar de overkant worden gebracht. De hele familie werd ingeschakeld om het vee te begeleiden, allemaal drie koeien aan een touw. Best pittig hoor, want die koeien waren in het voorjaar zo dol als wat. Maar het was ook leuk, zo’n klus met de hele familie.’

De koeien werden in die tijd over de Wilhelminabrug gedreven. Maar aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd die brug gebombardeerd en moesten ze het vee over de Schipbrug drijven. ‘Dat was lastiger, omdat er spleten in de planken van deze noodbrug zaten’, vertelt Hans. ‘Daar werden de koeien angstig en onrustig van. Pas later, ver na de oorlog, liet mijn vader de firma Klunder komen om de koeien op te halen. Zij hadden een vee-transportbedrijf.’

Kwam er geen kritiek van de stadsbewoners over overlast van de koeien die door de stad moesten lopen? ‘O nee, daar hebben we nooit last mee gehad’, zegt Hans. ‘Dat werd in die tijd heel gewoon gevonden.’ Ook waren er geen klachten over overlast vanwege de mest. Bij sommige stadsboeren was dat niet zo goed verzorgd, dan lag de mest soms tot aan de weg en liep het gier vaak gewoon weg via het riool. Maar bij de boerderij van Hans’ vader hadden ze een grote betonnen mestvaalt en kon het vocht uit de mest weglopen via een aansluiting op de gierkelder, van waar het later op de weides kon worden gebracht.

 

‘Hé jongens, komp d’ruut’

Pas veel later ging de gemeente Deventer met de stadsboeren in gesprek over het voortzetten van de bedrijven op een locatie buiten de stad. ‘Het was in die tijd een hele klus voor mijn vader om alles aan de overkant van de IJssel te krijgen: al het veevoer en al het materiaal om te melken. Twee keer per dag ging hij melken.’

De dag begon voor Hans’ vader al om een uur of vijf ‘s morgens. Ook de oudste jongens werden dan uit hun bed getrommeld om mee te helpen. ‘Dan hoorde ik vanuit mijn warme bed: “Hé jongens, komp d’ruut!”’ De koeien werden aanvankelijk nog met de hand gemolken, afhankelijk van het seizoen in de stal of op het land. ‘Ik zal een jaar of negen zijn geweest toen mijn vader naar een koe wees en zei: ga maar melken. Ik had er al zo vaak naar staan kijken dat ik het ook meteen wel kon.’ Hans straalt bij deze herinnering.

Na de lagere school ging hij nog twee jaar naar het voortgezet gewoon lager onderwijs (vglo). ‘Leren op een schoolse manier, dat was niets voor mij’, vertelt Hans. ‘Ik wilde werken. Dus na de vglo ben ik gaan meewerken op de boerderij. Dat vond ik heerlijk. Mijn werk bestond uit ‘s morgens en ‘s avonds meehelpen met de koeien melken. Daarna moest de melk verkocht worden, dat deden we zelf. We verkochten de melk deels aan huis, we bezorgden bij instellingen en we ventten de melk uit in bepaalde buurten. Dat ging nog met paard en wagen.’

Pas later, zo eind jaren veertig, brachten ze hun melk naar de melkfabriek Ons Belang. ‘Die stond in de Boxbergerweg’, zegt Hans, ‘ongeveer waar nu bakkerij Wessels en de verfwinkel zijn. Dat viel toen ongeveer samen met een verordening dat boeren niet meer de melk aan huis mochten verkopen: te gevoelig voor gesjoemel.

 

Acht koters

Het wegbrengen van de melk was vanaf zijn vijftiende zijn taak, en Hans kijkt daar met trots op terug. ‘Het was een beste klus om met een stuk of vijf, zes melkbussen op een karretje te lopen, vanaf de Walstraat, langs het station en dan naar de melkfabriek. En als de melkemmers dan geleegd waren kon je ze daar met heet water en stoom schoonmaken.’

Hans’ moeder ging nooit mee om de koeien te melken. ‘Dat kon ook niet met acht koters thuis’, zegt Hans. ‘Maar mijn moeder verkocht melk en groenten aan huis en deed, zonder werkster, al het huishoudelijke werk. Op een gegeven moment werd ze ernstig ziek, en ja, toen moest mijn oudste zus thuiskomen om de taken van moeder over te nemen. Nou, wat had mijn zus het daar moeilijk mee! Ze had zo graag de mulo af willen maken… Maar ja, zo ging dat nu eenmaal in die tijd. Ik had echt met haar te doen.’

Het boerenwerk lag Hans wel en het liefst had hij de boerderij overgenomen. ‘Dat ging mooi niet, want mijn oudste broer mocht de boerderij overnemen’, zegt Hans. ‘Dat was nou eenmaal zo. Dat ging zo in alle boerenfamilies.’

In 1961 begon de gemeente erop aan te dringen dat de boerenbedrijven zouden verdwijnen uit de binnenstad. ‘Mijn broer had in die tijd net de boerderij overgenomen. Hij is toen uitgekocht door de gemeente, die voor hem een mooie boerderij in Lochem kocht met zestien hectare land. Later gaf de gemeente het beheer van de boerderij en de gronden aan wat toen nog heette de Verenigde Gestichten, later overgegaan in Stichting IJsselland.’

Alle andere kinderen kregen ook hun deel van het uitkoopbedrag. ‘Ik heb daar een huis van kunnen kopen op de Worp’, vertelt Hans, ‘aan de rand van de Hoven met mooi uitzicht op het boerenland. Inmiddels was ik getrouwd met Miny Logtenberg, waar ik drie jaar daarvoor verkering mee kreeg. We zagen elkaar voor het eerst op de Broeklandse kermis, en we trouwden in 1962. In 2022 hopen wij ons diamanten huwelijk te vieren met onze drie kinderen en kleinkinderen.’

Al kon Hans het boerenbedrijf niet overnemen van zijn vader, toch heeft hij altijd met plezier in Deventer gewerkt. Begonnen in de brandstoffenhandel, bekwaamde hij zich steeds verder door middel van allerlei cursussen. En na een aantal jaren als zelfstandige in de handel en de techniek te hebben gewerkt, eindigde hij zijn loopbaan bij Thomassen en Drijver als hoofd verwarmingsinstallaties.

 


Duitsers in Deventer

Dan komt de oorlog nog ter sprake, die hij als kind meemaakte. ‘Toen die uitbrak was ik zes jaar. Ik zie nog voor mijn ogen hoe een van de eerste dagen van de oorlog een kolonne Duitsers de Walstraat inreed met pantserwagens en jeeps, vanuit de Keizerstraat. Het maakte veel indruk op mij. Een ander beeld wat ik zó nog voor me zie is dat de familie Muller, een joods gezin dat een stoffenhandel had tegenover de boerderij van mijn vader, moest vertrekken. Ik speelde weleens met de zoon, Isaac, en die zag ik op een kwade dag staan met zijn koffertje. Hij zei: we gaan met vakantie! Ze zijn allemaal omgekomen…’

 

‘Een kolonne Duitsers reed de Walstraat in. Dat maakte veel indruk’ 

 

Onderduikers hebben zij niet gehad, maar wel veel mensen uit het Westen die strandden in Deventer op hun hongertochten over het platteland. “Ze kwamen dan terug met het etenswaar dat ze hadden kunnen kopen, maar het was heel gevaarlijk om over de brug de IJssel over te steken om hun tocht te vervolgen naar het Westen. Vaak werden ze aan de overkant opgewacht door Duitsers, maar ook door Hollandse dienders, en dan moesten ze al hun eten inleveren.’

Hans’ vader had een vergunning om twee keer per dag over de brug naar zijn vee aan de overkant te gaan. ‘Die mensen, die vaak na een lange moeizame tocht met hun ingezamelde voedsel in Deventer de IIssel wilden oversteken, klopten vaak in nood aan bij de kerk’, vertelt Hans. ‘Dan kregen ze te horen: “Ga maar naar Te Riele in de Walstraat, die kan je misschien helpen!” Vaak waren die mensen zo uitgeput dat mijn vader en moeder hun eerst te eten gaven en een slaapplaats boden, gewoon in de stal op stro, tussen de koeien – dat was lekker warm. Soms waren het er wel dertig. De volgende dag mochten ze hun etenswaar in grote melkbussen verstoppen en dan reed mijn vader met soms wel twintig melkbussen over de IJssel naar zijn land. De grap was dat we in die tijd maar negen koetjes hadden, omdat er een aantal koeien gevorderd waren door de Duitsers.

Als kinderen werden Hans en zijn broers en zussen vaak ook ingezet. ‘Wij moesten dan zo veel mogelijk bovenop die melkbussen gaan zitten. Tja, eigenlijk nam mijn vader daar best een groot risico, maar hij was een koele hoor. En hij zei altijd: “Ik hoop dat ik nooit in dezelfde omstandigheden kom.”

 

Fotografie: Viorica Cernica