De fabriek van Ankersmit, de omliggende wijk Zandweerd en de aangrenzende IJssel vormden het landschap waarin Adriaan Wielhouwer (1942) opgroeide. ‘In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan.’

‘Leren vond ik niks toen ik op de mulo zat, ik ging liever vissen, ik zat altijd aan de waterkant. Mijn vader zei: “of je gaat studeren of je moet werken.” Meer keuzes waren er niet. Nou dan maar werken, in de fabriek. Mijn vader was een hele goede verpleegkundige en hij kreeg een betrekking bij Brinkgreven. Tja, dan moest je mee he? Dat was zo in die tijd. Ik was toen zeventien.’

 

 

‘Een vriend van me was al eerder naar Deventer verhuisd. Hij nam me op sleeptouw toen ik verhuisd was. Mijn vader zei: “Je hoeft de eerste drie maanden geen kostgeld te betalen, maar dan moet je zorgen dat je binnen drie maanden een baan hebt.” Via-via ben ik er bij Ankersmit in gerold. Ik kwam terecht op de graveerderij en dat leek me wel wat. Het was een beetje technisch werk. Niet dat ik technisch geschoold was, ik had helemaal geen opleiding. Twee jaar mulo, dat was alles.’

Zelfgemaakt vuurwerk
‘Wij woonden aan de Veenweg, bij de blikfabriek. In onze straat stond een rijtje huizen, wij woonden vlakbij het tunneltje en bij de Snipperlingsdijk. In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan. Iets voorbij de woonarken staak ik daar met wat vrienden in de decembertijd ook zelfgemaakt vuurwerk af. We maakten een enorm gat, vulden dat met zand en plaatsten een zelf geknutselde bom erin, die stak je aan en ‘KNAL!!!’. Maar er kwam niemand ooit kijken ofzo. Soms denk je wel, dat kon toen zomaar.’
‘Ik had een houten bootje achter het huis liggen en had er een paar wielen onder gemaakt. Met dat bootje ging ik iets voorbij Klosters aan de Snipperlingsdijk het water op. Dan roeide ik wat verder tot op het Overijssels kanaal, om te vissen. Ik ving er ook goed, van alles wel, brasem, paling, snoekbaars. Tja, geweldig was dat.’

 

 

Zaagsel als bescherming
‘Bij Ankersmit ben ik aangenomen als leerling, dat stelsel had je toen nog. Langzaam kon je ervaring opbouwen en als er weer een nieuwe leerling kwam, kon ik een stap verder, aan de machine en zo verder. Maar je begon gewoon met de vloer aanvegen. In de begintijd als jongste bediende moest ik regelmatig zaagsel halen bij de aansluitende houtfabriek van Stoffel. Dan ging ik buitenom. Via bruggetjes over een zij-inham van de IJssel, die door Ankersmit gebruikt werd als koelwater, liep tot bij de houtfabriek en dan moest ik terug met de emmer zaagsel. Dat werd dan nat gemaakt en gestrooid onder de machines tegen het stof ter bescherming van machines en drukwalsen. Later in de week, op zaterdag, moest ik dat met een stoffer allemaal opvegen. Ik zag er dan uit als een beest.’

 

 

‘In de ochtend ging ik op de fiets naar de Zandweerd, daar had Ankersmit een enorm groot terrein. Direct als je de fabriekspoort door was, kwam je op een lange straat met aan de linkerkant de spinnerij. Ik werkte verderop in een gebouw met vier verdiepingen en een torentje. De bovenste verdieping was de handdrukkerij, op de derde, mijn plek, was de graveerderij en lager, wat deden ze daar toch? Spoelen of verven. Aan de rechterkant van de graveerderij zag je die bakken met blauwe verf staan. Soms moest ik op een andere afdeling weleens wat halen, en dan ging ik via deuren buitenom, door gangen en andere fabrieksgebouwen. Je was zo een kwartiertje kwijt, voordat je weer op de werkplek terug was. Het was een enorm terrein, maar zonder bomen.’

Diensttijd in Nieuw-Guinea
In die tijd, ik was achttien, negentien jaar, dacht ik niet zoveel na over carrière. Tenminste toen in die tijd nog niet. Werk was werk. Simpel werken, waarmee ik wat geld had om een autootje te kopen. Ik heb daar gewerkt van 1959 tot en met 1961. En van ‘62 tot en met ‘66. Die periode er tussenuit ben ik in dienst geweest, in Nieuw-Guinea, omdat ik dat spannend vond. In Nederland heb ik vooraf een opleiding gehad om het werk in Nieuw-Guinea correct uit te kunnen voeren. Omdat ik in de textiel werkte, werd ik in  Nieuw-Guinea ingedeeld bij de stoffen. In dit geval de wasserij, samen met een collega-militair uit de textiel. De inheemse mensen moesten daar het werk uitvoeren en onze taak was controleren of alles goed ging. Het was een tijd waarin ik wat van de wereld kon zien, ik herinner me nog de warmte en alle bijzondere dieren. Ik heb in mijn vrije tijd heel wat dieren opgezet. Na dienst kon ik direct weer aan de slag bij Ankersmit. Het werk bleef gewoon het werk, er was er niks veranderd. Alleen ik was zo veranderd. Wat volwassener en serieuzer.’

 

 

Sigaar
Ik kan me nog herinneren dat we elke middag een half uurtje pauze hadden en in de zomer zwom ik dan met een collega de IJssel over. We hadden precies tijd voor over en weer terug. We zwommen met een sigaar in ons mond. Het was de bedoeling om de sigaar droog te houden. Dat lukte ook.
Dat overzwemmen zou nu niet meer kunnen. De IJssel is wat breder geworden, wat uitgediept hier en daar en veel meer scheepvaart. Tja, in de tijd dat ik er werkte, kwam je af en toe eens een boot tegen, maar die zag je al van verre en dan daar paste je je zwemmen op aan. Maar als je ziet wat voor boten er nu langs komen. Onvergelijkbaar.’

Serieuzer door sluiting
‘Maar terug bij het werk, op 5 december 1965 moesten we allemaal bij elkaar komen in de kantine en kregen we te horen ”De fabriek gaat dicht.” Van de ene op de andere dag. Hoewel onze afdeling voor de Afrikaanse wasdruk tot in 1966 doorging. Misschien juist wel door die sluiting, ging ik wat serieuzer op zoek naar beter werk. Ik wilde niet steeds weer ontslagen worden en dacht aan drie opties waar altijd werk blijft; politie, belastingen en verpleging. Dat laatste beroep kende ik van mijn vader, die als B-verpleegkundige werk genoeg had.’

‘Ik ben begonnen, eind februari in Groot Graffel in Zutphen. Het eerste jaar ging heel voorspoedig en het tweede jaar ben ik naar Brinkgreven gegaan. Het liep als een trein, ook met de opleiding. Na één jaar was ik al eerste B-verpleegkundige. Ik wilde wat verder kijken en in MSPO (middelbaar sociaalpedagogisch onderwijs), kon ik als docent, leidinggevende en later zelfs adjunct-hoofd opleidingen werken. Zo heb ik zo’n 25 jaar in het verpleeg-onderwijs gezeten, erg naar mijn zin.’

‘Tegenwoordig woon ik in Dronten, een eigen huis met een fikse tuin, waar ik graag in werk. En aan de waterkant zit ik nog altijd vaak. Deventer was voor mij de stad met gewone mensen, waar niemand onder- of bovenuit stak, een fijne stad.’