De verhalen
De verhalen

Toen Ziad Al Hossein van het asielzoekerscentrum in Ter Apel aankwam in Deventer, was het liefde het op het eerste gezicht. ‘Ik vond het een rustige en mooie stad. Daar wilde ik wel wonen.’ 

Vluchtend voor de oorlog en het vooruitzicht te moeten vechten in het leger, verliet Ziad zo’n tien jaar geleden zijn thuisland Syrië. Lange tijd verbleef hij Turkije. In de zomer van 2021 vroeg hij asiel aan in Nederland. Na een kort verblijf in Ter Apel kreeg hij te horen dat hij in Deventer mocht wonen. Ondertussen was ook zijn vrouw, Baatool, uit Turkije gekomen.

‘Ik woon nu een jaar en twee maanden in Deventer. Het bevalt me hier. Ik heb alles hier. Een huis, Nederlandse mensen die als familie voor mij zijn, aardige buren. En mijn vrouw is hier gekomen. Wat wil ik meer? Ik ga naar school en kijk uit naar werk. Binnenkort ga ik meelopen in de winkel van een vriend. En wie weet vind ik straks een baan die past bij mijn eerdere ervaring, in Syrië had ik een technisch beroep.’

‘Ik vind de mensen hier meestal aardiger dan in Turkije. Als ik daar bijvoorbeeld aan iemand de weg vroeg, gaven ze vaak geen antwoord. Hier lopen ze zelfs een eindje met je mee. Ik vond het in Turkije een beetje moeilijk voor mij en voor mijn vrouw. Hier in Nederland is iedereen gelijk. Ik wil hier wel blijven.’

‘Deventer is een oude stad. Wij hadden in Syrië ook oude steden. Als je kijkt naar de huizen en straten, voel je dat de muren jou verhalen vertellen. Daarom voelt Deventer soms hetzelfde als Syrië, ik voel me hier thuis.’

‘Ik ging laatst naar het museum (de Waag) en daar kon ik me voorstellen hoe de mensen in het centrum, rond de Brink, vroeger leefden. Hoe ze kochten en verkochten op de markt. Ik vind in Deventer de oude straten in het centrum het mooist. Ik vind het fijn als ik de grote kerk en de lange toren zie, bijvoorbeeld op een schilderij. Als het mooi weer is ga ik ’s avonds naar het centrum en kijk ik naar mensen op de terrassen met de verlichting. Dat vind ik gezellig.’

‘Wij woonden in Syrië in een klein dorp. Vroeger woonde mijn moeder in Homs, een grote stad. Als mijn moeder op bezoek ging bij haar familie wilde ze dat ik met haar meeging. De eerst keer wilde ik wel. Ik was nog klein, bijna zes jaar. Maar deze stad was zo druk en de mensen maakten zoveel lawaai. Ik voelde mij daar niet goed en daarom wilde ik nooit meer naar Homs. Ik had er heimwee naar mijn dorp. En als ik hier naar een andere stad ga krijg ik hetzelfde gevoel, heimwee naar Deventer. Ik weet niet waarom. Misschien omdat ik alles ben kwijtgeraakt toen ik vluchtte en in Deventer ik het weer heb gevonden. Misschien is dat de reden. Ik houd van rustige steden en mooie en oude steden en dat heb ik hier gevonden. Misschien houden jonge mensen meer van Amsterdam of ander grote steden, maar ik heb een ander gevoel.’

Fotografie: Viorica Cernica

Harry Schömaker is kunstenaar én gepensioneerd onderwijzer. Ruim 40 jaar stond hij in Deventer voor de klas. Zowel in het basis- als middelbaaronderwijs. #DeventerVerhalen sprak hem over zijn ervaringen. ‘Alles werd besproken tijdens de koffiepauzes of de lunch.’

Bekijk hier de video van het interview.

Waar kom je vandaan?
‘Ik ben in 1954 in Ter Apel geboren en door het werk van mijn vader terechtgekomen in Diepenveen. Hij werkte bij defensie en kreeg daardoor een huis toegewezen. In Diepenveen heb ik de lagere school doorlopen en daarna ben ik naar de jongens-MULO gegaan in Deventer, aan het Spijkerpad. Vervolgens ging ik naar de HAVO-top, een voorbereiding voor de kweekschool (de pedagogische academie) tegenover het station in Deventer. Ik ben dus opgegroeid in Diepenveen, maar eigenlijk was ik veel meer gericht op Deventer. Vanwege mijn studie en vanwege de sport, ik voetbalde bij Daventria.’

Wat vonden je ouders van je keuze voor het onderwijs?
‘Mijn ouders en ook mijn opa vonden het een goede keuze. Onderwijzer was destijds een gewaardeerd beroep met een goed salaris, een goed pensioen en veel vrije tijd.’

 

 

Wat waren in jouw begintijd de speerpunten van het onderwijs?
‘Vooral de Nederlandse taal, rekenen, didactiek en pedagogiek. Het was daarnaast belangrijk dat je veel stage liep en daarover van de docenten feedback kreeg. Ook werd de stageperiode met de hele klas uitgebreid geëvalueerd. Zo ging je vanzelf wel voelen of het onderwijs bij je paste. Bij mij was dat zeker zo, ik vond het altijd leuk om weer terug te gaan naar de reuring van de klas en de kinderen. Of die vormende feedback nu nog steeds wordt gegeven, weet ik niet.’

 

“Wat ik me met name herinner is dat we vooral bezig waren met lesgeven”

 

Hoe zag je eerste baan in het lager onderwijs eruit?
‘Na mijn afstuderen kreeg ik een baan bij de Jacob van Deventerschool, waar ik 25 jaar gewerkt heb. Toen ik begon, maakte ik onderdeel uit van een heel jong team met allemaal mensen van mijn leeftijd. Iedereen gaf alle vakken. Er was geen teamoverleg, alles werd besproken tijdens de koffiepauzes of de lunch.’

 

 

‘Wat ik me met name herinner is dat we vooral bezig waren met lesgeven. Zes mensen voor zes klassen, allemaal fulltime, geen klimaatonderwijs, burgerschapsonderwijs of verkeersles. Het was heel overzichtelijk en niet ingewikkeld. Je had in die tijd als onderwijzer ook wel een bepaalde maatschappelijke status en het vak van onderwijzer werd toen ook als een echt vak beschouwd.’

Na 25 jaar maakte je een overstap van het basis- naar het voortgezet onderwijs, hoe ging dat in zijn werk?
‘Na 25 jaar in het basisonderwijs ging in ik deeltijd naar de kunstacademie – Ik schilderde altijd al veel – en maakte daarna de overstap naar het middelbare onderwijs. Dat was voor mij een grote verandering. Ik kwam in een veel groter team, kreeg heel veel verschillende leerlingen en gaf nog maar les in één vak, namelijk tekenen. Met tekenen en schilderen was ik in mijn vrije tijd ook veel bezig, dus ik maakte van mijn hobby mijn werk. En zo heb ik het ook altijd gevoeld.’

 

Een shot uit het interview met Harry.

 

Is het contact tussen de leraar en de kinderen en hun ouders in die jaren veranderd?
‘Ja, dat kun je wel zeggen. In het begin van mijn loopbaan was er veel meer respect en waardering voor de mening van de docent. Dit is waarschijnlijk ook een afspiegeling van een maatschappelijke verandering. Nu is het vaak zo dat als de schoolprestaties niet voldoen aan de verwachting van het kind en de ouders, dat de leraar hiervoor ter verantwoording wordt geroepen. En dat er verwacht wordt dat de school het oplost. Het is allemaal veel assertiever geworden, zeker op de middelbare school waar ook de vervolgopleiding aan de orde komt. In die zin heeft het vak van onderwijzer wel aan autoriteit ingeboet.’

 

“Of er op school sprake is van een soort van Deventer-DNA is moeilijk te zeggen”

 

Ondanks deze veranderingen heeft Harry zijn plezier in het onderwijs geven in de loop van de tijd niet verloren. Op de vraag hoe het was om juist in een stad als Deventer voor de klas te staan, antwoordt Harry:

‘Dat was enorm leuk, maar of er in die zin ook sprake is van een soort van Deventer-DNA is moeilijk te zeggen. Wel zijn in Deventer alle achtergronden vertegenwoordigd, kinderen met en zonder een migratieachtergrond, hoger en lager opgeleide ouders. En daarmee verschilde ook de steun in de rug die het kind van huis meekreeg. Dan merk je dat het uiteindelijk vooral gaat over de ambitie van het kind, het natuurlijke talent en de begeleiding die ze krijgen, waardoor ze op een gegeven moment hun niveau halen. En dat kan heel verrassend zijn. Ik vind het de taak van de docent om de leerling zo te prikkelen dat het beste in hem of haar naar boven komt.’

 

 

Heb je het onderwijs structureel zien veranderen in de afgelopen 44 jaar?
‘Ja. Waar het onderwijs vroeger meer gericht was op kennis, is daar nu de maatschappelijke problematiek bijgekomen. Denk bijvoorbeeld aan het klimaat en discriminatie. Ook de sociale media spelen een steeds grotere rol en daar moet je als school ook op in spelen.’

‘Wat ook een verschil is met vroeger, is de al eerder aangestipte rol van de ouders die zich toen meer betrokken voelden met de school en ook meer ingeschakeld werden bij allerlei activiteiten. Dat is nu minder, omdat veel mensen voor hun gevoel veel drukker zijn.’

Hoe kijk je terug op je eigen docentschap?
‘Met heel veel plezier, het paste mij als een jas. Met name de eerste tien jaar heb ik als een groot feest ervaren. Een klein team dat heel goed samenwerkte. Er waren veel Deventer schoolsporttoernooien waar de meeste docenten, en ook ouders als vrijwilliger, altijd enthousiast aan meewerkten.’

 

 

Stel dat je nu zelf nog kleine kinderen zou hebben en je zou een school moeten kiezen, waar zou je dan op letten bij die keuze?
‘Ik zou in eerste instantie kiezen voor een school die dicht in de buurt is zodat een kind zijn/haar vriendjes/vriendinnetjes ook op het schoolplein tegenkomt. Maar er zijn momenteel veel schooltypes met verschillende uitgangspunten, bijvoorbeeld Dalton en de Vrije School. Dus er valt voor ouders veel te kiezen en ik kan me voorstellen dat dat best lastig is. Maar over het algemeen is de schoolkwaliteit in Nederland wel geborgd.’

Wat zou je advies zijn aan de minister van onderwijs?
‘Haha, heb je even? Ik zou de minister vooral adviseren om alleen die dingen aan te passen of te vernieuwen waarvan de docenten het gevoel krijgen dat ze hun vak er beter door kunnen uitoefenen. Tegenwoordig krijg ik de indruk dat veel veranderingen in het onderwijs vaak bedacht worden door mensen die niet voor de klas staan en geen affiniteit hebben met het rumoer in de klas. Juist die mensen gaan dan bedenken hoe jij je vak beter kunt uitoefenen.’

 

 

‘Mijn advies zou zijn: veel minder management en bestuurslagen en geen overbodige overhead die het vak niet leuker, maar ook zeker niet beter maken. Het is namelijk niet alleen maar een vak, maar een gevoel dat je moet hebben als je voor zo’n klas staat met dertig kinderen. Daar moet je tegen kunnen. Ooit zei een collega tegen mij, je kunt het eigenlijk niet leren, het moet een beetje in je zitten.’


Benieuwd naar de kunstenaar Harry Schömaker? Bekijk www.jhschomaker.com
Foto’s: archief Harry Schömaker

Janny Reimering (87) zag veel van de wereld, voordat ze neerstreek in Deventer. Inmiddels is ze met de stad vergroeid. Met een scherp oog voor schoonheid en blijvend nieuwsgierig geniet ze van de grote en kleine dingen die Deventer zo uniek maken.

Vanuit haar appartement op het Pothoofd kijkt Janny uit over de IJssel, op de skyline van Deventer. Haar woning ademt één en al reizen uit, met voorwerpen en kunst uit alle windstreken. Ze woonde in Venezuela en trok door Peru, India en Afrika. In de jaren 70 stapte ze als één van de eerste vrouwelijke, buitenlandse toeristen op de Transsiberië Express naar Mongolië. Op zoveel plekken geweest…en het is Deventer waar ze zich meteen thuis voelt.

 

 

Thuishaven op Worp 3
Het begon allemaal met ‘puur een blik op de kaart, verder geen bijzondere reden.’ Na 11 jaar gewoond te hebben in Suriname, waar haar toenmalige echtgenoot als bioloog zeeschildpadden bestudeerde, wilde het jonge gezin zich terug in Nederland settelen. De nieuwe thuishaven op Worp nummer 3 bleek een schot in de roos. ‘Het voelde als een dorp, heel intiem. Alles was er, je kende je buren, de school zat aan de overkant van de straat, we hadden hier een moestuin waar ik met veel plezier in werkte. Tijdens de strenge winters leerde ik mijn dochter schaatsen in het ondergelopen Worpplantsoen.’ Het was toen 1978, de overtocht met het pontje kostte nog een kwartje. Ze geniet naast de geborgen sfeer op de Worp, ook van het culturele leven. ‘Zo volgde ik cursussen in tekenen, boetseren, schilderen – of trad op in de Broederenkerk toen in de jaren 80 lid was van het Deventer Kamerkoor.’

Iets te saai
Een scheiding bracht haar uiteindelijk naar een andere kant van de stad. ‘Ik betrok een flat in Keizerslanden. Daar leerde ik mijn man uit Zwolle kennen. Daarna verhuisde ik naar Zwolle en in de jaren 90 woonden we nog zo’n 10 jaar in Kampen. In geen van beide steden heb ik me gevoeld zoals hier. Het was toch iets te saai.’

 

 

Terug naar Deventer
Een advertentie in de krant wees Janny op appartementen die gebouwd werden aan de IJssel. Nadat haar man eerst een beroerte kreeg en daarna leukemie, was het voor zijn gezondheid geen overbodige luxe om dichtbij een ziekenhuis te wonen. Begin deze eeuw besloot ze terug te keren naar Deventer. Sinds haar man overleed in 2010, woont Janny zelfstandig op het Pothoofd. Na al haar reizen over de wereld en wonen in andere Hanzesteden vraag je je af: waarom voelt juist Deventer zo als haar thuis? En wat is er in die jaren veranderd – of juist gebleven – dat haar hier zo gelukkig maakt?

In Deventer leeft het
Eigenlijk ervaart ze weinig veranderingen tussen toen en nu. ‘Je hoeft niet rijk te zijn. Er zijn hier zoveel mogelijkheden. Ik geniet dagelijks van grote en kleine dingen; de binnenstad met haar verwarmde terrassen. Maar minstens zo erg van struinen door de straten en langs de winkels. In Deventer…leeft het gewoon.’

 

 

De stad voor mezelf
Ze lijkt de stad nog wel het mooist te vinden in de stilte voor de storm. De opbouw van de markt is misschien wel één van haar meest favoriete momenten. ‘Je ziet koopmannen bevoorraden, een praatje maken. Zo heeft de stad een hele andere sfeer, dat is zo leuk om te zien.’ Haar mooiste herinnering? ‘In de lockdown tijdens de coronatijd zag je geen kip op straat. In de kerstperiode bleven de prachtige lichtinstallaties staan. Het was eigenlijk doodstil. Toch wilde ik die sfeer eens proeven. Dus ben ik zo tegen 18.00 uur de stad in gefietst. Ik zag de winkels dichtgaan en mensen weggaan, dus de enige die ik nog zag was een vrouw, die met een touw een mandje met boodschappen omhoog haalde naar haar woning op de 2e of 3e etage. Ik fietste vervolgens langs de Brink en door de Overstraten; het dat je hoorde was getik en gehamer, van restaurants die hun zomermeubels aan het opknappen waren. Op wat giechelende tienermeiden na was er niemand op de Brink. Die hele sfeer is me nog steeds bijgebleven, ik was helemaal in m’n eentje en had de stad voor mezelf. Een hele bijzondere ervaring was dat.’

Oog voor schoonheid
Thuis op het Pothoofd ligt altijd een verrekijker binnen handbereik om het waterleven op de IJssel te spotten. ‘Soms als het mistig is, dan zie ik alleen het silhouet van een schip. Dat vind ik prachtig. Bij mistig of helder weer, onweer of een dag met sneeuw, zie je de zon op zoveel manieren.’ Ze heeft de meest bijzondere zonsondergangen aan de IJssel vastgelegd en gebundeld in een fotoboek. Haar scherpe oog voor de schoonheid in het dagelijkse leven.

Galerie Art Brut
Dat oog voor schoonheid kan ze ook kwijt in haar passie voor kunst. Ze maakt zelf schilderijen en is actief liefhebber en verzamelaar. Daarnaast werkt ze ook nog eens meerdere dagen per week als vrijwilliger bij Galerie Art Brut. En dat allemaal op 87-jarige leeftijd. Waar haalt ze die enorme energie en levenslust vandaan? ‘Er zijn drie dingen waar ik me goed aan houd. Verse groentes eten, zoveel mogelijk in beweging blijven. En het derde ding: ik ben nieuwsgierig en ik blijf nieuwsgierig.’

 

 

Laatbloeier
Zo scrabbelt ze elke ochtend via haar mobiel met haar dochter in Benin. ‘Om te blijven nadenken. Dit is een hele fijne tijd, ik mag dan wel oud zijn. Nu heb je alle tijd om alles uit te zoeken in plaats van vroeger met kinderen. Wat dat betreft ben ik wel een laatbloeier. Ik heb altijd wel gelezen, maar nooit zo veel als nu. Ik lees meerdere kranten per dag en een paar boeken per week. Ook ben ik lid van het Filmhuis Mimik, daar ga ik op het fietsje heen. Of ik kijk op Indebuurt.nl welke winkels geopend zijn, dan ga ik even kijken.’

Dol op kunst en cultuur. Bereisd en belezen. Maar bovenal bewust van de mooie momenten in het dagelijks leven. Het is de levenskunst die zo enorm aanstekelijk van haar afspat. Daarom voelt ze zich zo thuis in Deventer. Want hoe jong of oud je ook bent, het is maar net met welke bril je naar de stad kijkt, volgens Janny. `Je moet ook wel geïnteresseerd zijn en je dingen afvragen. Als je niet nieuwsgierig bent, dan maak je ook niks mee.’

 

Fotografie: Viorica Cernica

Jan Willem van Holst en zijn gezin hadden het goed op hun boerderij in Drenthe. Tot ze in Diepenveen kennis maakte met Klooster Nieuw Sion, waar ze inmiddels drie jaar wonen. ‘Je leert hier om voorbij jezelf te kijken’.

Op een zonnige dag ontmoet ik Jan Willem van Holst voor de imposante, net gebouwde kas, het centrum van de groentekwekerij van Nieuw Sion. Jan Willem is een stoere veertiger met een rustige vriendelijke uitstraling. Hij is tuinder op het klooster en lid van de woongemeenschap die in het poortgebouw van het kloostercomplex is gehuisvest.

 

 

‘Toen ik hier de eerste keer was, wist ik het zeker, hier ga ik niet wonen’, zegt Jan Willem. ‘Het was midden in de winter, een donkere, koude, troosteloze dag. De groep van acht monniken die als laatste van de kloosterorde hier geleefd had, was al lang weg; vertrokken naar Schiermonnikoog. De gebouwen waren groot en in vervallen staat. In Drenthe hadden mijn vrouw en ik een prachtig boerderijtje voor onszelf.’

Uniek in Nederland
Maar de plek met zijn gewijde sfeer bleef trekken, sprak iets aan bij Jan Willem, iets waar hij al veel langer naar op zoek was. Na meerdere bezoeken en een informatieavond met gunstiger weer, besloten Jan Willem en zijn vrouw Ineke een sollicitatiebrief te schrijven voor de woongemeenschap, die het bestuur van Nieuw Sion hier wilde opzetten. Uniek in Nederland dat ze binnen kloostermuren een woongemeenschap zouden gaan vormen met gezinnen en kinderen. Ze maakten de sprong.

Jan Willem woont nu drie jaar samen met zijn vrouw en twee kinderen in het poortgebouw van het klooster. Ze maken deel uit van een woongemeenschap van 23 vaste mensen. Zeven jongeren hebben zich voor kortere tijd aangesloten bij de woongemeenschap.

 

 

Bid, leef samen en werk
Het grote Cisterciënzer klooster Sion aan de Vulikerweg in Diepenveen werd in 1883 gesticht vanuit het moederklooster in Achel, net over de Belgische grens. Daartoe werd boerderij de Vulik aangekocht met 58 hectare grond. De bouw begon van een klooster voor 90 monniken. De Cisterciënzers zijn monniken die in stilte leven. Leidraad is het ritme van de getijdengebeden. En de regel van Benedictus: “Ora, convive et labora” oftewel “Bid, leef samen en werk”.

De kapel vormt het middelpunt van de kloostergemeenschap. De monniken leggen dagelijks op gezette tijden hun werk neer en komen naar de kapel voor de getijdengebeden. Hij ligt in het gedeelte van het klooster dat niet toegankelijk is voor voorbijgangers, maar voor de kapel geldt een uitzondering. De monniken noemen dit besloten gedeelte het Slot. Je vindt daar de refter waar de monniken vroeger in stilte aten. Naast de refter is een grote keuken, waar de broeders met veel aandacht de maaltijden voor zoveel mensen bereiden.

In de binnentuin worden allerlei kruiden geteeld. De prachtig gewelfde kruisgang verbindt de ruimtes en geeft ook toegang tot andere gemeenschappelijke ruimtes zoals bibliotheek en sacristie. De cellen, de eenvoudige kamers van de monniken, liggen boven de kruisgang.  Aan de noordkant vind je werkplaatsen en stallen van de grote boerderij die bij het klooster hoorde.

 

“Deze bijzondere plek vraagt om mensen die bezieling brengen.”

 

De overgang tussen het Slot en het voor publiek toegankelijke deel van de kloostergebouwen wordt gevormd door het poortgebouw. Daar woont Jan Willem met zijn gezin als lid van de woongemeenschap. En er zijn kamers voor gasten. Hier vind je ook de buitenkapel, van oudsher de kapel die door mensen van buiten het klooster werd bezocht. ‘Vroeger kwamen hier de “moetjes” uit de wijde omgeving, tot aan Raalte toe. Je kon je hier voor een habbekrats laten trouwen door de monniken. Dat gaf bij de monniken ook  minder gedoe dan bij de pastoor’, vertelt Jan Willem met een glimlach. In de buitenkapel is in de nieuwe opzet de theeschenkerij gevestigd.

 

 

Heilige ruimte
Jan Willem neemt me mee naar een plek, waar hij graag is binnen het klooster. Via de kloosterkeuken en door de lange stille kruisgang komen we in de sacristie. Een heilige ruimte waar de monniken hun attributen voor de mis bewaarden. We strijken neer in een klein hoog kamertje, waar een groot heiligenbeeld ons welwillend lijkt te verwelkomen. Door de hoge ramen van de stille ruimte vallen banen bladgefilterd licht.

Jan Willem heeft nog geen moment spijt gehad van zijn keuze op Nieuw Sion te gaan wonen. Wel is het een hele kunst om zo’n woongemeenschap vorm te geven met een nieuwe groep mensen. De dagelijkse getijdengebeden ervaart hij als een grote bron van hulp hierbij, zowel voor zichzelf als voor de gemeenschap.

 

 

‘Je leert om voorbij jezelf te kijken; elkaar aan te spreken op wat God voor jou is, voor jou betekent. Ik ben er opener en buigzamer door geworden, minder onverschillig ook in die zin dat ik niet meer voor dingen wegloop. Misschien is het wel mijn roeping om hier mijn leven vorm te geven, dienstbaar aan de gemeenschap. Deze bijzondere plek vraagt om mensen die bezieling brengen.’

 

 

Vandaag heeft Jan Willem het druk. Op deze mooie dag wil alles groeien en bloeien, werk aan de winkel. Overal lopen vrijwilligers die even moeten weten wat ze kunnen doen. In de kas, in de tuin, op het erf of bij de verbouw van één van de stallen. Dit is de plek waar zijn hart ligt. “Bid en werk” en vooral ook “leef samen met bezieling”. Het hangt hier in de lucht en wordt ingeademd door al deze behulpzame mensen.

 

Fotografie: Viorica Cernica

Opgericht eind jaren dertig voor de Nederlandse krijgsmacht, is de Westenbergkazerne in Schalkhaar nu in gebruik als asielzoekerscentrum. Veelal voor de opvang van oorlogsvluchtelingen. Oorlogsdreiging is daarmee onbedoeld een blijvende rode draad van Spanjaardsdijk 47, waarvan een deel Rijksmonument is. Huismeester Paul Geurtsen en locatiemanager Anja Ran over de historie en huidige functie van hun monumentale werkplek.

Een destijds geheime brief uit 1957, ingelijst tegenover het bureau van Paul, verraadt iets van de bijzondere historie van Spanjaardsdijk 47 in Schalkhaar, het asielzoekerscentrum (AZC) waar sinds dertig jaar vele nationaliteiten zijn opgevangen. Anja: ‘Afhankelijk van de brandhaard kwamen de oorlogsvluchtelingen uit Iran, Irak, Somalië, Nigeria, Kongo, Rwanda, Burundi. Nu komen de meeste asielzoekers uit Wit-Rusland, Syrië, Jemen, Turkije en Afghanistan. In totaal is er plek voor 650 asielzoekers.’

 

 

Schalkhaarder 

Velen van hen zullen zich amper tot niet bewust zijn van de geschiedenis van hun opvangplek en de rol die oorlog hierin heeft gespeeld. Eind jaren dertig van de vorige eeuw wordt architect A.G. Boost door het Ministerie van Oorlog benaderd voor het ontwerpen van zestien kazernecomplexen, waaronder De Westenbergkazerne. Het dankt zijn naam aan generaal-majoor Westenberg (1764-1841). De bouw werd abrupt onderbroken door de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog. De Duitse bezetter voltooide in 1940 de kazerne en huisvestte er het beruchte Politieopleidingsbataljon (POB) Schalkhaar. In de periode 1941-1944 werden er ongeveer 3.000 Nederlanders onder Duits toezicht geschoold in de ideologie van de SS. De benaming Schalkhaarder was in oorlogstijd en lang daarna een scheldwoord. De kazerne huisvestte ook de Storm Westenberg van de Nederlandse SS. Dat de Duitse bezetter daar veel belang aan hechtte, blijkt uit een bezoek van de nazikopstukken Heinrich Himmler, Hans Rauter en Arthur Seyss-Inquart in februari 1944 aan de locatie.


Paul van Vliet
Paul: ‘Na de oorlog werd de Westenbergkazerne in gebruik genomen door de Koninklijke Landmacht. Vele duizenden dienstplichtigen en beroepsmilitairen beleefden vanaf 1953 mooie tijden op de Westenbergkazerne. Een van de prominentste dienstplichtige op de Westenbergkazerne was de onlangs overleden Nederlandse cabaretier Paul van Vliet. Hij diende in de jaren 1955/1956 als welzijnszorgofficier en trad er volgens zeggen ’s avonds op met onder andere zelfgeschreven revues. Zijn conference Majoor Kees uit de jaren zeventig zou geïnspireerd zijn op zijn verblijf op de Westenberg.’

 

 

Het Poortgebouw
In de kazernetijd tot 1992 kenden de diverse ruimtes in het Poortgebouw de volgende gebruikers: officiers- en onderofficiersmess, sportzaal, wacht, welzijnszorg, tandarts, bataljonsstaf en de militaire geneeskundige dienst. ‘Dat is nu compleet anders’, vertelt Anja. ‘Links van de poort maken kinderen de dienst uit in de peuterspeelzaal en in de voorschoolse opvang met buiten een speelterrein. De ruimte daarnaast is voor overleg en trainingen. Rechts van de poort hebben de vrouwen een eigen honk met de naam Sisters. Er staan naaimachines en er is een gezamenlijke ruimte voor vermaak.’

Originele cellen
Paul: ‘Andere gebruikers in het Poortgebouw zijn de woonbegeleiders, de managers en managementassistenten, de IBO en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). IBO staat voor Intensieve Behandel Opvang die een tweedehands kledingwinkel hebben ingericht. De afdeling ICT heeft er zijn kantoren en een patchruimte (voor telefonie en het netwerk). De originele cellen, waar overtredende militairen tijdelijk werden opgesloten, zijn nog grotendeels intact en nu in gebruik als opslagruimtes. Tot slot heb je helemaal links de sportzaal waar diverse sporten worden uitgeoefend.’

 

 

Brothers
Rondom het Poortgebouw zitten de Bewonersgebouwen voor de 550 asielzoekers. Dan heb je ook nog het woongebouw voor de IBO, een gebouw voor de gezondheidsorganisatie VZA en vluchtelingen werk. Verder een ruimte voor de flexwerkers en een grote vergaderzaal waar o.a. de kinderen van groepen 7 en 8 van de Nicolaas en De Sleutel elk jaar hun eindejaar voorstelling voor hun ouders houden. Bij de ingang aan de Frieswijkerweg vind je de receptie en het magazijn. Het grote gebouw E herbergt het openleercentrum, de ICT- en computerruimte voor de asielzoekers, de fietsenwerkplaats en een ruimte voor de kleermaker en kapper. Tot slot zit in dat gebouw de woonkamer waar de bewoners, voornamelijk mannen, tv kunnen kijken en kunnen biljarten. Dit is ook de uitvalsbasis waar de mannen via hun honk Brothers van alles organiseren.

 

‘Meest opvallend aan de buitenkant zijn de halfronde, glazen wachterscabines, aangebracht onder een plat koperen dakje met brede dakrand’

 

Rijksmonument
Het Poortgebouw van de Westenbergkazerne-complex heeft het predicaat Rijksmonument, onder andere vanwege de vormgeving in een zakelijke stijl. Anja: ‘Meest opvallend aan de buitenkant zijn de halfronde, glazen wachterscabines, aangebracht onder een plat koperen dakje met brede dakrand.’
Het Poortgebouw wordt door Rijksmonumenten geroemd om zijn algemeen cultuur-, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig belang en uitwendige gaafheid. Verder is het een beeldbepalend onderdeel van het kazernecomplex. Tot 1987 diende het Poortgebouw als hoofdingang naar het kazerneterrein. In dat jaar kreeg de kazerne een nieuwe hoofdingang aan de Frieswijkerweg. Dat was nodig, omdat het bataljon de vertrouwde wielvoertuigen verwisselde voor rupsvoertuigen. Paul: ‘In de doorrit zit nog altijd de inscriptie in natuursteen, ter herinnering aan de legging van de eerste steen.’ Deze werd op 29 maart 1939 gelegd door baron van Voorst tot Voorst, commissaris van de koningin te Overijssel.

 

 

Regimentsmonument
Achter het poortgebouw stond het Regimentsmonument, dat inmiddels is vervangen door een kunstobject. Het kunstobject, een wereldbol, gedragen door twee (naakte) vrouwen met ernaast twee zittende (naakte) kinderen is in opdracht van de eerste AZC-directeur Jacques Eijpe gemaakt. Paul: ‘In het verleden kwam het wel voor dat de naakte sculpturen door sommige asielzoekers aanstootgevend werden gevonden en door hen werden aangekleed. Nu wordt dat meer geaccepteerd en gebeurt dat niet meer.’

Het oorspronkelijke Regimentsmonument op de Westenbergkazerne is nagebouwd en staat nu in het Museum Garderegiment Prinses Irene op het terrein van de Generaal Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot. Verhuizing van het bakstenen muurtje was niet mogelijk. De namenplaquette is in 2022 vervangen door een beter leesbare plaquette en is opgenomen in het museum aldaar. De complete museumverzameling over het Garderegiment Prinses Irene begon ooit in Vught en verhuisde van Assen via Schalkhaar naar uiteindelijk Oirschot. De collectie van het museum is grotendeels samengesteld uit attributen van veteranen. Er is meer te zien dan alleen foto’s, uniformen en wapens. Er staan ook enkele voertuigen opgesteld.

 

‘Sommige dingen kun je beter niet oprakelen’

 

Facebookgroep
Naast deze museumverzameling leeft de Westenberg ook voort in de Facebookgroep 13 painfbat GFPI Westenbergkazerne. Deze groep telt momenteel 1.300 leden. In deze groep stelden we de vraag: ‘wie wil een opvallende gebeurtenis op de Westenbergkazerne met ons delen?’. Dit vanwege Open Monumentendag dat dit jaar als thema heeft ‘Als muren konden spreken’. Daar kregen we een aantal reacties op waarvan de meest voor de hand liggende reactie komt van Johnny (lichting ‘82/’87: ‘Het is maar goed dat de muren niet kunnen spreken. Sommige dingen kun je beter niet oprakelen.’

Klein dorp
Anja’s eerste herinneringen aan de Westenbergkazerne gaat terug naar 1994 toen ze begon bij het COA. Ze zou er bijna tien jaar werken: ‘Mijn eerste ervaring met de locatie was dat ik het erg versteend vond; indrukwekkende kille Spartaanse gebouwen, mooi karakteristiek hoofdgebouw, versteende binnenplaats en daaromheen het nodige groen.’ Paul herinnert zich de Westenberg in 1996 vooral als een militair complex met grote slaapzalen en bijbehorend sanitair voor groepen. Dat is na 1996 langzaamaan veranderd. ‘Nu heb ik het gevoel dat het een klein dorp is met een centraal dorpsplein met inmiddels grote platanen.’

 

 

Groener dan toen
Na een periode waarin Anja werkzaam was bij andere organisaties, keerde ze in 2022 terug in Schalkhaar: ‘Toen ik het terrein weer opliep, vond ik het heel groen, groener dan toen ik vertrok in 2003. Mijn favoriete plek is nu wel het middenterrein bij lekker weer; veel mensen buiten aan tafels en op bankjes en kinderen aan het spelen. Tegelijkertijd zag ik ook dat de gebouwen nog steeds de gebouwen zijn, daar veranderd niet veel aan. Teleurstellend vond ik dat er heel weinig geïnvesteerd is in onderhoud en vernieuwing van de gebouwen.’ Paul: ‘Toch zijn in 2014/2015 alle woongebouwen van binnen en buiten gerenoveerd. Dat zie je nu niet meer zo, door het intensieve gebruik moet je veel sneller renoveren dan normaal.’

 

‘Ik vind het een karakteristieke omgeving om te behouden’

 


Verduurzamen
Voor de toekomst staan er allerlei plannen op stapel. Anja vertelt dat het de bedoeling is het Poortgebouw evenwichtiger in te delen en te verduurzamen. ‘Een van de ideeën is het inrichten als kantoor voor het woonteam. Dat betekent een compleet nieuwe herinrichting. Aan de buitenkant zal niet veel veranderen omdat het een Rijksmonument is. Dit speelt in het dagelijks werk wel een rol; het terrein is meer vergroend en samen met de stenen gebouwen is het door de jaren mooier geworden. Ik vind het een karakteristieke omgeving om te behouden. Met de nodige verbouwingen, die noodzakelijk zijn, wordt rekening gehouden om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de huidige omgeving en de historie. Het verduurzamen is een kostbare zaak, maar zeker de moeite waard.’ Anja vindt het Poortgebouw historisch gezien zeer de moeite waard om behouden te blijven voor het dorp Schalkhaar en omgeving.

 

 

Geheime brief 

Transparantie met de buurt is niet altijd vanzelfsprekend geweest, zo getuigt ook die brief aan de muur op Pauls werkplek. Paul: ‘Met de verbouwing van de officiersmess kwam ik deze brief tegen die toen ook al was ingelijst. Toen dacht ik laat ik hem maar in mijn kantoor ophangen voordat die verdwijnt.’ Het is een geheime brief van 2 november 1957. Gericht aan Koningin Juliana, Staatssecretaris Sociale Zaken A.A. van Rhijn en Minister van Defensie C. Daaronder staat geschreven ‘dat er onder strenge geheimhouding een munitiemagazijn voor maximaal 58 ton munitie wordt opgericht’. Weinig omwonenden zullen geweten hebben van dit explosieve geheim op het terrein van hun buren.
Het AZC doet niet mee aan de Open Monumentendag op 9 en 10 september. Wel kan de omgeving kennismaken met het AZC tijdens Burendag op zaterdag 23 september 2023.

 

Meer weten?
Boek: Schalkhaar. Zicht op Kerk en Dorp; door Ton Groot Koerkamp, Paul Eggermont en Paul Tervoort; uitgegeven door Parochie van de H. Nicolaas te Schalkhaar; 1993.
Boek: In de schaduw van de stad; De geschiedenis van de Gemeente Diepenveen’, Deel II door Wim Coster; uitgegeven door IJsselacademie; 2000.
Boek: De Schallinckhaer, van heideveld tot kerkdorp; Ontstaan en ontwikkeling van het Sallands kerkdorp Schalkhaar’; Idee Diny Mulder-Steman; Tekst Tonny Mulder; 2012.Museum Brigade en Garde Prinses Irene in de Generaal-majoor de Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot, www.fuseliers.nl
Facebookgroep ’13 painfbat GFPI Westenbergkazerne’.

Fotografie: Viorica Cernica

Aan Diepenveenseweg 82 bevindt zich sinds 1872 de Joodse begraafplaats. Een plek vol vaak aangrijpende verhalen, zo weet kenner Lex Rutgers. ‘Als je hier komt, ervaar je de eeuwige rust.’

Zijn belangstelling voor de Joodse geschiedenis en anti-discriminatie bracht Lex Rutgers bij Etty Hillesum Centrum, waar hij onder andere met Manja Pach de Joodse wandeling heeft opgezet. Onderdeel van de wandeling is de Joodse begraafplaats. Lex is hier zodoende regelmatig te vinden, ook om de begraafplaats te onderhouden. Voor dit onderhoud krijgt hij jaarlijks vanuit de Duitse organisatie Sühnezeichen Friedesdienste Aktion (ASF) hulp van een internationale groep van jongeren uit Duitsland, Oostenrijk en Oekraïne.

 

 

Speciaal voor Open Monumentendag is de begraafplaats zondag 10 september opengesteld voor publiek. Als voorproef op dat weekend, kreeg verhalenmaker Marcel Mulders een rondleiding.

Lex laat me binnen via het poortgebouw en begint direct te vertellen: ‘Dit gebouwtje waar we nu zijn is het metaheer- of reinigingshuis en wordt nog maar zo’n eenmaal per jaar gebruikt voor een begrafenis, het komt uit1900. De begraafplaats is van 1872, bijna even oud als de synagoge, die stamt uit 1892 en tot voor kort ook in bezit was van de Joodse gemeenschap. Deze begraafplaats is de tweede in Deventer en de enige die de Joodse gemeente bezit. De eerste was van 1805, waar nu de Beestenmarkt is. Toen die vol was In 1878, hebben ze dit stukje land aan de Diepenveenseweg gekocht.’

 

 

‘Joden werden in Deventer pas na 1796 als volwaardig burger toegelaten. In dat jaar verordende de regering van de Bataafse Republiek dat: “geen Jood zal worden uitgeslooten van enige rechten of voordeelen die aan het Bataafsch Burgerregt verknocht zyn”. Hierdoor kregen zij ook het recht op het inrichten van een eigen begraafplaats.’

‘In 1960 maakte een stadssanering het wenselijk de oude begraafplaats te ruimen. Het ruimen van zo’n begraafplaats mag eigenlijk niet, voor de eeuwige rust. Het is gebeurd met toestemming van de opperrabbijn. De resten zijn hier herbegraven.’

Afstammeling van Cohen
Nog in het gebouwtje wijst Lex op een graf vooraan, nog zonder steen. ’Dat is een vers graf, van Ietje, die pas is overleden. Zij ligt hier zo vooraan, omdat ze een afstammeling is van Cohen. Dat kun je zien aan die zegenende handen op de grafsteen van haar echtgenoot. Cohen is het oudste en het hoogste priestergeslacht. De eerste Cohen was priester in de oude tempel en hoofd van alle andere priesters. Sindsdien zijn alle opperpriesters mannelijke nakomelingen van die eerste Cohen. Ze heetten dan wel Gosschalk maar van oorsprong is het Cohen. Familienamen als Cahn of Coen of Kats zijn ook allemaal afstammelingen van Cohen.’

 

 

Kohaniem
Als we het gebouw verlaten en weer buitenstaan, wijst Lex op een klein deurtje. ‘Hier heb je het Kohaniem-deurtje, daar moeten de mensen die van Cohen afstammen doorheen. Ze moeten de begraafplaats onopvallend betreden en dan langs de rand van de begraafplaats lopen. Eigenlijk mogen ze er niet komen, omdat het geen reine plek is vanwege de dode mensen die er liggen. Dat mag je het hoge priestergeslacht niet aandoen. Heel bizar.’

Levieten
‘Het tweede priestergeslacht zijn de Levieten, de Levi’s. Ze waren de helpers van het hoogste priestergeslacht. Hygiëne is van oorsprong heel belangrijk. Op de grafsteen van een Leviet staat daarom een schenkkan. Je doet in de schenkkan met twee handvaten gereinigd water en dan schenk je drie keer over en weer. Dat doe je voordat je gaat eten, wanneer je van de WC afkomt en ook als je een begraafplaats bezoekt.’

Waar Lex kijkt, weet hij iets te vertellen. ‘Hier liggen de ouders van Han Hollander, de beroemde radioverslaggever, Frouwke en Simon Hollander.’ ‘En die daar heeft geen steen. Die had er geen geld voor. Dat kwam in die tijd veel voor.’

‘Die stenen die plat liggen zijn Sefardische graven. Die kwamen oorspronkelijk uit Spanje en Portugal. En de andere zijn Asjkenazische graven. Die kwamen uit Oost-Europa.’

‘Dat grote graf met een hekje eromheen is van de familie Noach. Die hadden vrij veel geld uit de lompenhandel. Ze wilden verschil maken, maar eigenlijk moeten de stenen een beetje identiek zijn.’

 

Ik ken de verhalen van bijna alle families die hier liggen’

 

Eeuwige rust
We lopen verder. Lex vertelt waarom hij zich betrokken voelt bij de Joodse begraafplaats: ‘Ik ken veel mensen uit de Joodse gemeenschap en toen ik voor het eerst bij een begrafenis aanwezig was, was ik onder de indruk van de riten die daarbij horen. Maar ik vond het wel raar dat naaste vrouwelijke familie niet dichtbij het graf mag staan.’

 

 

‘Als je hier komt, ervaar je de eeuwige rust en het bijzondere; allemaal sobere grafstenen met soms alleen maar Hebreeuwse teksten en geen bloemen. Door de oorlog en de Jodenvervolging – 80% is vermoord – zijn er veel Deventer joden hier niet begraven en dat kenmerkt de vele open plekken, anders had het hier allang vol gelegen. Ook sommige teksten op de grafstenen verwijzen daarnaar. Ik ken de verhalen van bijna alle families die hier liggen, wat voor mij deze plek iets van “thuiskomen” geeft. Het is bijzonder dat ik hier mag rondleiden van de Joodse Gemeente en bezoekers hier deelgenoot van mag maken.’

308 mensen
We verlaten het oude gedeelte van de begraafplaats en lopen door naar een nieuwer stuk. ‘In 1939 hebben ze een nieuw stuk grond gekocht. En als de oorlog er niet was geweest dan was het in 1960 al vol geweest. Daar in dat muurtje is nog een Kohamiem-deurtje voor dit nieuwe gedeelte. Daarachter in een verzameld graf liggen de resten van 308 mensen van de oude begraafplaats.’

‘Achteraan liggen stenen die wat ouder lijken, die zijn nog van 1939. Maar verder is dit allemaal van na de oorlog.’

Lex raakt niet uitverteld. Hij wijst op de graven van bekende Deventenaren die zaken hadden in de binnenstad zoals de kledingzaken van Mesritz en Spanier, de textielzaak van Adelaar en de slachterij van Zendijk.

‘Dit is het graf van de familie Gelder. Herman Gelder was 40 jaar lang voorzitter van de joodse gemeente tot zijn dood in 1949 of volgens de joodse jaartelling 5709.’

‘Deze vrouw was getrouwd met een niet-joodse man, meneer Vrolijk. Die mocht hier niet begraven worden, dus ligt zij hier alleen. Ik hoop dat ze het daar goed over gehad hebben samen.’

Wijzend op een steen die tegen een andere aanleunt:  ‘Die man was niet getrouwd en daar staat: “hij heeft altijd voor zijn moeder gezorgd.” En nu zijn de stenen van moeder en zoon tegen elkaar aangezakt. Dat vind ik symbolisch.’

Weer iets verderop: ‘Dat is een vrij nieuw graf, van Leny Adelaar, uit Bathmen. Zij heeft de experimentenbarak van Auschwitz overleefd. Ze kon daarom geen kinderen krijgen. Op haar steen staan de namen van haar ouders en haar broer omdat die geen graf hebben.’

 

 

‘En daar ligt Samuel Spier, die had een lederwarenwinkeltje op de Veenweg. Hij had de oorlog overleefd. Zijn vrouw en zijn twee zoontjes zaten in Friesland ondergedoken. Zij kreeg een relatie met een onderduikman en is daar gebleven met haar zoontjes. Hij kon het niet aan. Hij heeft in 1945 zelfmoord gepleegd. Daarom is de steen zo eenvoudig en klein als een kindergraf.’

‘Hein Jozef Lindeman die daar ligt is een slachtoffer van de executie op de Oxerhof op 6 april ’45. Zij werden gevangengehouden op het landgoed Oxerhof in Diepenveen en zijn toen het Canadese leger al naderde neergeschoten. Van de tien verzetsstrijders die toen omgebracht zijn, waren er drie joods.’

Terug in het gebouwtje wijst Lex ter afsluiting op een gedenkmonument voor de in de oorlog omgebrachte joodse mensen uit Deventer. Er ligt een boek bij met 400 namen. We gaan naar buiten. Lex sluit de deur van het gebouwtje en we laten de doden weer met rust.

 

 

Open Monumentendag
De Joodse begraafplaats is geopend op zondag 10 september, van 13.00 uur tot 17.00 uur. Adres: Diepenveenseweg 82.

 

Fotografie: Viorica Cernica

De week van Fons Geerdink is niet compleet zonder zijn bezoeken aan Lange Zandstraat 15. Op het adres was ooit een machinefabriek en later de brandweer gevestigd. Tegenwoordig doet het monumentale pand dienst als zelfregiecentrum van Stichting Vriendendiensten. Voor Fons een belangrijke plek. ‘Ik voel me er gewaardeerd.’

‘De mensen die daar komen zijn allemaal hoteldebotel’, dacht ik toen een medewerker van Vriendendiensten me vroeg eens te komen kijken bij hun zelfregiecentrum. Ik was er in 1996 al geweest, toen het nog werd gebruikt door ggz-organisatie Dimence. Maar ik heb het toch een kans gegeven en ben gebleven. De tuinman van destijds ging weg en dat werk leek me wel wat.’ Sindsdien staat Fons bekend als Fons de tuinman. ‘Ik verzamel zaden van bijvoorbeeld Afrikaantjes en Zonnebloemen. Als kind vond ik het ook al leuk om in de tuin te werken.’

 

 

Toch was het thuis voor Fons meestal niet fijn. ‘Ik was een beetje het zwarte schaap van de familie. Hoorde er niet echt bij. Als kind viel ik van de fiets en kwam onder een vrachtauto. Dat was in 1964. Hierna heb ik in 1967 weer een ernstig auto-ongeluk gehad. Ook ditmaal overleefd. Blijkbaar had ik toen al een engelbewaarder. Het herstel duurde meer dan een jaar.’

IJsselfront
‘Oorspronkelijk kom ik uit Hengelo (“uut Twente”). Ik ben eigenlijk door toeval in Deventer terechtgekomen. Daarvoor al, vond ik het een mooie stad. Ik weet nog dat ik een keer met mijn vader ergens op de Veluwe moest zijn. Dat was ongeveer in 1968. Op de terugweg reden we over de Wilhelminabrug. Ik was onder de indruk van het IJsselfront. “Stop,” riep ik, “ik ga een foto maken.” Misschien heb ik toen al gedacht: Daar gaik later wonen. Vijf jaar later, in oktober 1973, kreeg ik via een kennis de kans om boven restaurant De Salland Taveerne in de Vleeshouwerstraat (waar nu Da Mario zit) te komen wonen. In ruil daarvoor verrichte ik hand- en spandiensten. In de jaren daarna ben ik nog actief geweest in het jongerenwerk, in de Kuip (Colmschate) en heb ik gewerkt bij drukkerij Birnie bloemisterij Ten Cate. Voornamelijk door rugklachten ben ik begin jaren negentig helaas thuis komen te zitten.’

 

 

Psychose
‘In 1996 kreeg ik een psychose. Op Schiphol. Ik moest kennissen ophalen. Het was erg warm die dag. Ik wilde gaan zwemmen, dacht dat ik op een strand was, maar liep zonder kleren op de parkeerplaats. Vervolgens werd ik overmeesterd door de marechaussee. Zij brachten mij naar psychiatrisch ziekenhuis Vogelenzang in Bennebroek. Na twee weken kwam ik op Brinkgreven (nu onderdeel van Dimence). Op de open afdeling liep ik weg, ging ik zonder geld in de bus naar mijn zwager in Oldenzaal. De bus ging niet verder dan Hengelo. Toen ben ik maar naar mijn zus gegaan. Zij vond het verstandiger als ik naar Deventer terugging. Ik nam een taxi. In de bocht van afslag 13 van de A1 ontsnapte ik, omdat ik niet kon betalen.’

Natuurlijke kracht
‘Terug op Brinkgreven nam ik mijn medicijnen niet in. Ik trok na een paar dagen een lantaarnpaal uit de grond. Werd overmeesterd door verpleging en politie. Plotseling hoorde ik een stem: “Fons alles komt goed.” Ze stopten me in de isoleercel. Weer hoorde ik die stem: “Maak je maar geen zorgen alles komt goed.” Volgens mij een boven natuurlijke kracht die ik nog steeds ervaar. Een gids als het ware. Ze heeft me altijd begeleid en doet dat nog steeds.’

 

 ‘Zonder medicijnen heb ik het gered’

 

Depressie
‘Twee jaar na de psychose was ik hersteld. Ik kreeg een WAO-uitkering maar moest van het GAK (nu UWV) werk zoeken. Gelukkig vond ik een baan bij zorginstelling Overkempe (Olst) als koerier. Maar ik moest toch verder solliciteren, omdat ik meer uren moest maken. Hierna heb ik gewerkt als taxichauffeur. Helaas kreeg ik weer ernstige rugklachten. Dat was in 2011. Weer liep ik bij huis. Ik belandde in een depressie. Ik heb toen hulp gevraagd bij Dimence en daar een cursus gevolgd. Twee keer per week ging ik naar een gespreksgroep. Daar heb ik allerlei “zaken” besproken. Ik kreeg allerlei handvaten. Praten over wat je dwars zat en waar heb je behoefte aan. Ik heb mijn hele “hebben en houen” op tafel gegooid. De groep draaide om zelfvertrouwen krijgen en leren van jezelf te houden. Dat is gelukt! Zonder medicijnen heb ik het gered.’

 

 

Structuur
‘In die periode (2012) ben ik aan de slag gegaan op de boekbinderij van Dimence en dat doe ik nu nog steeds. Hierdoor heb ik structuur en een doel in mijn leven. Ik heb iets om naar uit te kijken. In dezelfde tijd heb ik kennis gemaakt met het zelfregiecentrum van Vriendendiensten en ik ben er blijven komen. Als dank kreeg ik laatst een mooie kaart! “Fons wat heb je weer hard gewerkt in de tuin. Wat zijn wij daar blij mee”, stond erop. Dat streelt toch een beetje mijn ego, ik voel me dan echt gewaardeerd.’

Machinefabriek en brandweerkazerne
Voordat het een zelfregiecentrum werd, kende het pand op de Lange Zandstraat andere functies. Oorspronkelijk was het een fabriek voor stoomwerktuigen. Jacob van Harte bouwde de fabriek in 1876, het bestond uit verschillende gebouwen, waaronder een gieterij annex smederij en een directeurswoning. Alleen het kantoorpand is behouden gebleven. Het pand is een aantal keren verbouwd en aangepast. De machinefabriek verhuisde en in 1969 werd het gebouw in gebruik genomen als kantoor voor de Deventer Brandweer. De brandweer verhuisde in 1990 naar haar huidige onderkomen aan de Schonenvaardersstraat. Sinds 1991 was het een dagbestedingscentrum van Dimence. Later is het pand overgenomen door Cambio en maakte Vriendendiensten er gebruik van, met vooral hun maatjes-activiteiten. In augustus 2016 startte de stichting er hun zelfregiecentrum.

 

‘Het zelfregiecentrum is toegankelijk voor iedereen’

 

Stichting Vriendendiensten
Vriendendiensten zet zich als stichting in voor mensen met een psychische en/of psychosociale kwetsbaarheid in de gemeenten Deventer, Olst-Wijhe, Raalte en Voorst. Daarnaast biedt Vriendendiensten onafhankelijke GGZ- cliëntondersteuning, ggz-maatjesactiviteiten en uiteenlopende cursussen. Het zelfregiecentrum is gewoon toegankelijk voor iedereen. Binnen het centrum werken betaalde coördinatoren, maar het wordt verder door bezoekers gerund. Er is geen verplichting om “iets” te doen of te organiseren. Wie wil kan iets organiseren en af en toe wordt er vanuit de stichting een grotere activiteit georganiseerd, zoals een barbecue. Bovenal is het een plek waar mensen dingen en activiteiten kunnen uitproberen, waardoor hun gevoel van eigenwaarde kan groeien.

 

 

Fantastische mensen
Fons: ‘Sinds ik bij Vriendendiensten kom, heb ik groene vingers. Ik kom ongeveer 24 uur per week in het zelfregiecentrum. Op de zondagmiddagen hebben we er cliëntenbond café. Voor twee euro per jaar is men lid. Eén keer per jaar wordt er een uitstapje georganiseerd. Ook sta ik één keer per maand achter de bar. En vorig jaar was hier nog een barbecue, waaraan ik heb meegeholpen. Het centrum biedt mij een goede afleiding om niet te vereenzamen en een kans om mij ten dienste te stellen als vrijwilliger. De coördinatoren zijn fantastische mensen, ze geven elke bezoeker het gevoel welkom te zijn.’

Tevreden in Deventer
Al met al voelt Fons zich thuis in Deventer. ‘Het is mijn stad. Ik voel me hier lekker. Dankzij mijn AOW en drie kleine pensioentjes kan ik me goed redden. De huur van mijn huis is laag: Mijn huissie is mijn alles. De Brink is mijn favoriete plein. Elke zaterdagmiddag ga ik daar bij mijn vaste café “iets” drinken en soms eten. Geniet ik van het kijken naar mensen. Museum de Waag is aardig maar het mooiste gebouw is voor mij de Lebuïnuskerk. De foto die ik maakte toen ik met mijn vader over de brug reed, heb ik nog steeds. Ik ben tevreden in Deventer. Ik “draag” geen rugzak, ik sta positief in het leven. Zeker nu ik al meer dan 25 jaar mijn “vriendinnetje” in mijn ziel heb. Ik leef onbekommerd. Zij helpt me met alles, gaat het niet goed met mijn gezondheid? Dan laat zij me dingen doen; “ga naar de dokter, of doe dit of doe dat”. Zij is een spirituele gids, een beschermengel. Dat is het.”

 

 

Fotografie: Viorica Cernica

Eeuwenoude sporen zijn nooit ver weg in kunstgalerie KIEK-KUS. Galeriehoudster Margriet Pronk over deze unieke plek in de Roggestraat, waarop ze terecht trots is. ‘Waar nu de trap staat, was vroeger het smidsvuur.’

‘Kom binnen’ leuk dat ik je over galerie KIEK-KUS kan vertellen, dat doe ik graag!’ De deur aan de Roggestraat zwaait open en Margriet Pronk nodigt uit binnen te komen. ‘Ja, ik ben er trots op dat de kunstgalerie gehuisvest is in dit monumentale pand. Heb je wel gezien wat er buiten op de gevel staat? “KIEK-KUS, arts and crafts” oftewel kunst en ambachten. Een plek waar heden en verleden samengaan.’

 

 

Aan de muur van KIEK-KUS hangen kleurige kunstwerken. Op tafel schitteren verschillende glasobjecten. Met aandacht voor de lichtval en de indeling van het monumentale pand, een Rijksmonument, is alles gerangschikt. Uitnodigend ook om de expositie te gaan zien. Verderop in de ruimte ligt een grote ronde steen, met een doorsnee van ruim een meter, opgesloten in de houten vloer.

Fossielen en hoefnagels
Voordat ze de oorsprong van de enorme steen uitlegt, vertelt Margriet eerst meer over de geschiedenis van de locatie: ‘Het dateert uit ongeveer 1400. Het is een middeleeuws pand dat in eerste instantie lange tijd een paardenstal is geweest. Later is het gebruikt als smederij. Die steen is een maalsteen uit een molen. Hardsteen uit een groeve in Namen in België. Schijnt via de IJssel naar hier te zijn verplaatst. De steen is wel 300 miljoen jaar oud. Maar dat heb ik van horen zeggen. Als je goed kijkt zie je in de steen de afdruk van fossielen.’ Waarachtig ik zie ze. En in de oude houten vloer is ook de afdruk van hoefnagels nog zichtbaar. Ongelofelijk dat nog zoveel te herkennen is, van lang geleden.

Smidsvuur
Margriet weet waarover ze praat en legt feilloos uit hoe de smid vroeger te werk ging: ‘Hij gebruikte de steen als hulpmiddel om een wagenwiel te voorzien van een nieuw ijzeren loopvlak. De naaf van het wiel werd in het gat van de ronde steen gezet. Vervolgens werd een strook ijzer verhit in het vuur en om het wagenwiel gelegd. Door de hitte zette het ijzer uit en na het afkoelen paste het dan precies om het wiel. Heb je buiten het hoefijzer boven de deur zien hangen? Dat hing er al ten tijde van de smederij. Er werden hier namelijk ook paarden beslagen, zowel binnen als buiten. Het smidsvuur was hierbinnen, op de plek waar veel later een trap is geplaatst.’

 

 

Bezems en borstels
Achterin de galerie gaat een deur open naar een binnenplaatsje. Margriet vertelt verder. ‘Hier stonden vroeger meerdere kleine huisjes en werkplaatsen. Ingeklemd tussen de Roggestraat en de Bergstraat, hierachter. In de 19e eeuw woonden hier bijna dertig mensen in verschillende huishoudens. Mensen waren in die tijd erg klein behuisd. Ook werden hier veel ambachten verricht. Bezems en borstels bijvoorbeeld die aan de Bergstraat en later de Menstraat werden verkocht, werden eerst hier vervaardigd. In de werkplaatsjes verderop in de Roggestraat, op nummer 4 en 6, werd bier gebrouwen. De paardenstallen hadden ook plek in deze straat. Toch waren er ook huizen die wat ruimer bemeten waren. Die stonden voornamelijk verderop in de straat en op het Bergkerkplein en in de Bergstraat. De smederij heeft tot vorige eeuw – de vijftiger jaren – dienstgedaan’, weet Margriet te vertellen. Daarna stonden er vele pandjes leeg. De huisjes en werkplaatsen voldeden niet meer aan de eisen van die tijd en werden verlaten. Een bord “Onbewoonbaar Verklaard” was op menig huis getimmerd.

 

 

Kunst en ambachten
Margriet vertelt dat zij de Roggestraat 16 en 18 huurt van het NV Bergkwartier. ‘Zij hebben ongelofelijk goed werk gedaan en ik koester dan ook onze plek waar wij in 2011 de kunstgalerie zijn gestart. Het pand heeft dus de bestemming atelier en werkplaats behouden. Het contrast tussen een eeuwenoud pand en hedendaagse kunst en design is echt groot. De combinatie design, kunst en kunstenaar pas ik aan in deze ruimte. Zo komt alles goed tot zijn recht.’

Oude elementen
In de galerie zijn wisselende tentoonstellingen van regionale en internationale schilders, beeldhouwers, fotografen, textielkunstenaars en keramisten. Steeds is er iets nieuws te zien en te koop. Naast de kunst laat Margriet ook met liefde de overblijfselen van de smederij zien. ‘En … als het even kan en betaalbaar is, willen we oude elementen toevoegen aan het pand. Een karaktervol keukenblok of oude deurkrukken doen vast recht aan een meer historische uitstraling.’

 

 

Dickens-festijn
De Roggestraat was eeuwen geleden dus vooral het domein van arbeiders met verschillende ambachten. Ik moet aan het jaarlijks Dickens-festijn denken. Menig acteur en buurtbewoner, van heel jong tot oud, gaat dan gekleed in eenvoudige, sobere en smoezelige kleding. Vast de kledij uit dit deel van het Bergkwartier. Maar ook pracht en praal en schitterende kostuums. Eigenlijk zoals Margriet de verschillen tussen de panden, straten en werkzaamheden aangeeft. Toch even vragen. “Margriet ik zie jou tijdens het Dickens-festijn altijd in een prachtige blauwzijden jurk lopen. Met een breedgerande blauwe hoed en zelfs handschoentjes aan. Je loopt statig aan de arm van je keurig als heer geklede partner Ronald. Hij heeft ook een hoed op en draagt een statig zwart colbert. Hoe rijm je dat met de kleding die de arbeiders uit de Roggestraat destijds droegen?” Margriet: ‘In de tijd van de smederij was de Roggestraat echt een straat van ambachten. Maar nu ben ik galeriehouder en dus behoor ik bij de middenstand. Op advies van Emmy Strik heb ik me daarom in de blauwe robe gestoken. Één keer per jaar maar hoor… alleen met Dickens.’

 

 

Fotografie: Viorica Cernica

Janneke van der Pijl-Jansen groeide op achter de stenen muren van de Brink 79. De plek waar Bakkerij Stuurman gevestigd was, een begrip in Deventer. Voor vele Deventenaren een stukje nostalgie. Voor Janneke heel gewoon.

Dat haar ouders een bakkerij hadden op de Brink, waar nu een restaurant is gevestigd, had Janneke mij weleens verteld. Toen ik haar vroeg of zij het leuk vond om iets over haar leven aan de Brink te vertellen, moest ze er even over nadenken. Was het wel interessant genoeg? Blij was ik, dat ze overstag ging. Want geboren en getogen in Deventer aan de Brink en als ondernemersdochter van de laatste eigenaren van Bakkerij Stuurman, mag zij gewoonweg niet ontbreken in de serie van Deventer Verhalen.

 

 

Bakkerij Stuurman

‘De bakkerij was vroeger een begrip in Deventer. Daarbij was de bakkerij ook hofleverancier.’ Met deze woorden introduceert Janneke de bakkerij van haar ouders. Op Facebook vinden we nog een foto van de bakkerij met daarnaast herinneringen van mensen met heel veel reacties over de heerlijke puddingbroodjes, de twaalfuurtjes en menig ander lekkernij. Maar ook herinneren de mensen zich de eigenaren van de bakkerij, waarbij één iemand opmerkt dat het hard werken was.

‘Mijn ouders waren altijd in de bakkerij bezig. Van mij en mijn zussen werd ook verwacht dat wij meehielpen.’ Zo moesten ze speculaas inpakken en pepernoten afwegen tijdens de decembermaand. Maar ook schuifjes vouwen om het gebak in te doen en helpen bij de verkoop van oliebollen en ijs, vanuit wat nu een foodtruck zou heten. ‘Het was gewoon zo en ik vond het wel leuk om mee te helpen. Ik heb later dan ook mijn ondernemersdiploma behaald.’

 

”Elke decembermaand ontving de koningin per post heerlijke speculaas van Bakkerij Stuurman”

 

Het speculaas, daar waren ze bekend om. Elke decembermaand ontving de koningin per post heerlijke speculaas van Bakkerij Stuurman. En ieder jaar weer viel de bedankbrief van het Koninklijk Huis in de bus. Maar hofleverancier zijn betekende meer. ‘We mochten bij evenementen taarten aanbieden, zoals bij Nederland Muziekland aan BZN. Maar ook aan Ed Nijpels toen hij het Speelgoedmuseum bezocht. Zelfs toenmalig koningin Beatrix heeft weleens een bezoek gebracht aan de Brink.’

 

 

Hofleverancier
Bij nader onderzoek bleek dat het predicaat hofleverancier al afgegeven was ten tijde van bakker Stuurman. De grootouders van Janneke, die eerst bakker waren aan het Muggenplein, verhuisden na de overname van bakkerij Stuurman naar de Brink 79, waarna haar ouders als laatste bakkers de bakkerij runden. ‘Wat was mijn vader trots toen hij, na aanvraag voor verlenging, een brief namens de koningin kreeg met de boodschap dat het predicaat hofleverancier werd gehandhaafd. Niet lang erna prijkte een nieuw bord met het koninklijk predicaat aan de voorgevel.’

 

“Ik wilde ook in een huis wonen met een gewone voordeur, net zoals andere kinderen”

 

Wonen in een monumentaal pand
De Brink 79 is een monumentaal pand, een pand met historie. En met de huidige functie als restaurant is het nog maar moeilijk voor te stellen hoe het was om er als gezin te wonen. Met onder de winkel en boven het leefgedeelte, was Janneke soms jaloers op andere kinderen. ‘Ik wilde ook in een huis wonen met een gewone voordeur, net zoals andere kinderen. Wij woonden in de stad en moesten voor onze voordeur altijd door de winkel.’ Daarbij werd er van haar verwacht dat ze altijd netjes tegen de klanten was en altijd netjes gekleed ging. Ze was per slot van rekening wel de dochter van de bakker. De bakker die iedereen kende. En als ze ook maar iets uithaalde, dan duurde het niet lang voordat het haar ouders bereikte.

 

Bron archiefbeeld: archieven.nl, © W Surink

 

Toch was het een gewoon huis voor Janneke. En hoewel ze boven woonden, waren ze meer beneden. Want met aan de voorkant de winkel, achter de bakkerij en de banketbakkerij en daarachter de keuken, was het niet meer dan normaal dat ze voornamelijk beneden leefden. Daarbij hadden haar ouders personeel in dienst, dat ook gewoon door het huis liep. Wanneer ze ’s middags uit school kwam, aten ze gezamenlijk warm in de keuken. ‘Afwassen hoefden we dan ook nooit, want de vaat ging mee met de afwasmachine.’

Andere bestemming
Nadat haar moeder in het jaar 2000 met de bakkerij stopte en het pand verhuurde, is er veel veranderd aan de Brink 79. Zo zijn de ovens eruit en er is veel verbouwd. Vaak komt Janneke er niet meer. Waar vroeger in haar herinnering alles heel groot leek, lijkt het nu heel anders. ‘Nu denk ik als ik boven kom, het is best laag hier. En als mijn kinderen zeggen dat het raar ruikt, dan weet ik dat het door de oudheid van het pand komt. Ik ben niet anders gewend.’ Niet alleen het pand Brink 79 is veranderd. De meeste panden op de Brink hebben een andere bestemming gekregen en ook de uitstraling van het plein is erg veranderd.

De Brink als speeltuin
‘In mijn tijd kon je nog gewoon parkeren op de Brink. Het was ook een plek waar iedereen elkaar kende. Als ik van het station naar huis liep en ik passeerde wat nog steeds de opticien is, dan was ik weer thuis.’ 
De Brink, toentertijd de voortuin van Janneke, roept veel fijne herinneringen op. Hockeyen en tennissen tussen de auto’s en marktkramen op de Brink, spelen op de Lamme van Dieseplein, tennissen tegen de muur in de Menstraat, het kon toen allemaal nog.

 

 

De Brink was ook de plek waar altijd wat te doen was. De plek waar het gebeurde. Van de vrijdag- en zaterdagmarkt, de Deventer Donderdagen, De Goede Vrijdagmarkt tot aan evenementen als Nederland Muziekland, Deventer op Stelten en de Bevrijdingstaptoe op 5 mei. En bij de opnamen van de film Een Brug te Ver konden ze genieten van alle tanks op de Brink. Tijdens de kermis was het hele spektakel van de opbouw, de kermisdagen tot aan de afbouw te volgen. ‘We kregen muntjes voor de kermis, maar mochten niet op zondag gaan. Behalve de laatste zondag. Dan mochten we de muntjes opmaken. En de dag na de kermis, dan hadden wij altijd vrij van school. Dan konden wij eindelijk bijslapen.’ En carnaval? Nee, dat vierden zij niet. ‘Maar mijn moeder zei dat ik wel altijd meeliep te dweilen achter de dweilorkesten op Brink!’

Dorp in een stad
Het wonen op de Brink betekende ook dat Janneke overal dichtbij zat. Ze woonde bijna naast de Bibliotheek en De Waag en had het Speelgoedmuseum om de hoek. ‘Bij het Speelgoedmuseum kwamen wij wel vaker. Mijn zus en ik hebben nog model gestaan voor het museum.’ Maar de Brink was ook dichtbij de Deventer Leerschool. Door de straten van het centrum liep ze naar de lagere school, waarop veel ondernemerskinderen zaten. De ondernemers die elkaar allemaal kenden. De groenteboer van Albert Heijn, Jamin, de poelier op de Brink en ga zo maar door. En nog steeds is het net een dorp in een stad, waar iedereen rondom de Brink elkaar kent. Het is deze gemoedelijkheid en toegankelijkheid die ze als prettig en uniek ervaart voor een stad als Deventer.

 

 

Deventer mijn stad
Voor Janneke is de Brink altijd belangrijk gebleven. Altijd heeft ze daarna in de buurt van het plein gewoond. Van het Bergkwartier tot de Raambuurt. Allemaal plekken op een paar minuten loopafstand van het centrale punt van de stad. En als ze ooit gaat verhuizen, dan wil ze die toren van Deventer kunnen blijven zien. Want Deventer is en blijft haar stad.

 

Fotografie: Viorica Cernica

Elf jaar geleden kwam Saar Hoogendijk naar Deventer om predikante te worden van de Protestantse Gemeente en de Lebuinuskerk. Dat ze op deze plek, vol historie en inspiratie, haar deel mag bijdragen, geeft haar een rijk gevoel. ‘Je mag hier ook gewoon stil zijn.’

‘Wij mogen ons welkom weten onder het ruime dak van gods liefde’, zo luidt Saar Hoogendijk welkomstwoord bij een gewone zondagdienst. Want, zoals Saar zegt, het geloof en het gebouw zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 

 

De Lebuinuskerk is een ankerpunt voor vele Deventenaren. Zodra de grote toren van de Lebuinuskerk al van verre in zicht komt, is er dat gevoel van thuiskomen. Ooit stak Lebuinus in het jaar 768 de IJssel over om de Saksen te bekeren. Nu, zo’n 1255 jaar later, is de Lebuinuskerk in Deventer een plek om thuis te komen, te verwonderen en te ervaren.

Historie en mystiek
Maar wat schuilt er eigenlijk achter die muren? En wat is dan die aantrekkingskracht? Nieuwsgierig belde ik Saar op met de vraag of ik haar voor Deventer Verhalen mocht interviewen. En of ze mij mee wilde nemen in haar wereld, in haar plek die zij inneemt in wat de Lebuinuskerk voor Deventer vandaag de dag is. Het mag en als ik aanbel bij de ingang aan de Kleine Poot en de grote deur niet veel later opengaat, voel ik meteen dat ik een plek vol van historie en mystiek binnentreed.

Toen ze begon als predikante in Deventer waren er ook nog diensten in het Open Hof. Een multifunctioneel gebouw, waar ze als kerkgemeente afscheid van hebben moeten nemen. Een pijnlijk proces, zoals Saar zegt. ‘Maar toen de Lebuinuskerk de plek werd voor alle gemeenteleden in Deventer, bracht dat nieuw elan. Al gauw merkte ik dat tussen deze hoop opgetrokken bakstenen muren de diensten niet meer automatisch ingevuld konden worden zoals ik gewend was.’ Nee, er was meer.

 

 

Bezinning en stilte
‘Het gebouw inspireerde en nodigde uit om dingen op een andere manier te gaan doen. Zo steken we niet meer op Stille Zaterdag in de Paaswake de paaskaars aan, maar doen dat nu op paaszondag om half zeven in de vroege ochtend in de crypte. Een mystieke plek, die uitnodigt tot bezinning en stilte.’ Jonge gezinnen, jongeren en ouderen, iedereen verzamelt zich daar. Na het aansteken van de kaars gaan ze naar boven en gaan in een processie door de kerk. Bij verschillende plekken stoppen ze en overdenken daar met een gedicht, lied, pianomuziek of lezing om bij zonsopgang te eindigen bij het hoogkoor met brood en wijn. ‘Gedurende de processie zwelt de stoet aan tot wel honderd mensen.’

Lichtjesdag, de zaterdag voor Allerzielen, wordt ook steeds bekender. ‘Sinds acht jaar mogen mensen een kaarsje op die dag aansteken voor degene die ze willen herdenken. Iedereen is welkom op deze plek. Er is muziek, er worden gedichten voorgedragen en er is een pastoraal team aanwezig om mensen een luisterend oor te bieden.’

‘Ja, het gebouw nodigt uit en inspireert. Want maak je een viering in deze kerk een keer mee, dan voel je dat het zo hoort. Je bent dan ook voortdurend in dialoog met het gebouw en dat is buitengewoon boeiend.’

 

 

Dat het geloof onlosmakelijk verbonden is met het gebouw blijkt ook uit de reacties van de 2000 leden tellende geloofsgemeenschap. ‘Mensen zeggen dit niet alleen, maar ervaren het ook. Tijdens de winter was de verwarming niet aan. Ondanks de kou bleven we toch kerkdiensten houden. Het gebouw was zo’n belangrijk onderdeel voor de gemeente dat er geen sprake was van een tijdelijke verhuizing naar een warmere locatie.’

Ruimte om te zijn
Ook mensen van buiten ervaren de kerk als een bijzondere plek. ‘Als toeristen binnenkomen, zijn ze vaak onder de indruk en kun je zien hoe ze de ruimte in zich opnemen. Veel mensen gaan de crypte in om naast bezinning en stilte iets in het intentieboek op te schrijven wat in het zondagsgebed meegenomen wordt.’ Er zijn echter ook mensen die het gebouw saai vinden en zeggen dat ze niets zien. ‘Maar je moet wel moeite doen om te zien wat het gebouw jou te vertellen heeft. En ja, het hoogkoor heeft geen altaar meer. En als bij binnenkomst je oog valt op deze lege plek is dat inderdaad een beetje gek. Maar omdat het een lege plek is, heeft het ook een mooie symbolische betekenis. Je vult niets in, houdt het open en er kan van alles gebeuren. Je kan hier dan ook gewoon stil zijn.’ Toch wordt er gekeken of het hoogkoor plek kan gaan bieden aan een betekenisvol kunstwerk.

Ik vraag haar hoe ze het gebouw in één woord kan omschrijven. ‘Dat is ruimte’, zegt Saar. ‘Niet alleen de fysieke ruimte, maar ook ruimte om te mogen ademen, om te mogen zijn en te mogen dansen en spelen.’ Zo heeft ze tijdens een dienst over het bijbelverhaal van de Bruiloft te Kana een dansvloer gemaakt middenin de kerk waar mensen feestelijk hebben gedanst. Maar ruimte krijgt ze ook terug van de gemeenschap. ‘Het is echt een open gemeenschap, waar iedereen welkom is of je nu nieuw bent of gewoon een keer komt kijken.’

Galmende voetstappen
Na in een vergaderkamer vooral te hebben gesproken over de locatie, lopen we de grote kerk in om deze te ervaren. Het is rustig in de kerk. Galmende voetstappen van bezoekers en een dichtvallende deur vullen de immense hoge ruimte. Wij lopen naar het hoogkoor, wat voor Saar een van de meest prettige en bijzondere plekken in de kerk is. Als we in de crypte komen, bladert ze door het intentieboek en leest aandachtig de bijgeschreven intentieverzoeken door.

 

 

Saar vertelt dat het haar mooi zou lijken om naast de bestaande speurtocht voor bezoekers voor hen ook een meer spirituele tour te ontwikkelen. ‘Een waarbij je op verschillende plekken in de kerk stilstaat met een overdenking of persoonlijke vraag. Een ervaring die iets meer de religieuze aspecten van de kerk belicht.’ Als voorbeeld hiervan, komen we bij de Magistraatskapel en wijst ze naar het Coventry Kruis. Een kruis voor vrede en verzoening, voortgekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Maar ook de prachtige glas-in-lood ramen spreken je als bezoeker toe. Ik zou hier wel even willen zitten, een kaarsje aansteken en mij bezinnen. En op dat moment voel ik wat Saar met de spirituele tour voor ogen heeft.

 

 

Beeldenstorm
‘Kijk!’ Saar wijst naar een stenen plakkaat in de muur waar de hoofden van de uit steen gehouwen figuren ontbreken. ‘Hier kun je de restanten van de Beeldenstorm zien.’ Terwijl we over de stenen graven van de notabelen van het oude Deventer lopen, wijst ze op de oneffenheden. ‘Kinderen mogen hier wel eens met overtrekpapier schetsen maken van de vloer. Hartstikke leuk vinden ze dat.’ Bij de vorige predikante mochten kinderen op een briefje een woord schrijven of iets anders wat ze tegen God wilde zeggen. Vervolgens maakten de kinderen er een propje van en stopte het in één van de gaten in muur. Terwijl ik door de kerk loop, zoek ik naar deze gaatjes. Maar hoe goed ik ook kijk, ze zijn onvindbaar. En eigenlijk maar goed ook, want het is per slot van rekening hun geheimpje met God.

Na een uitgebreide tour door de kerk lopen we terug naar de vergaderkamer en besluiten we deze ontmoeting. Maar niet voordat ik nog één keer omhoog heb gekeken. Onder het ruime dak van gods liefde aanschouw ik de grote open ruimte. Door de eeuwen heen hebben mensen hier gebeden, gezongen, in stilte gezeten en hun toevlucht gezocht. Een gebouw als ankerpunt in Deventer en daarbuiten. Toen en nu.

 

      

Fotografie: Viorica Cernica