Toen Mien van Houten vanuit het Westen verhuisde naar Bathmen, had ze nog geen idee wat noaberschap inhield. Dat veranderde algauw toen het noodlot toesloeg.

‘Een boerderijtje, buiten wonen en veel dieren, het leek ons echt ideaal. In 1972 verhuisden we daarom van het Groene Hart naar het oosten van het land.’ Aan het woord is Mien van Houten (74), een kleurrijke en enthousiaste vrouw uit Bathmen. Aan haar keukentafel vertelt ze over de ervaringen met Bathmen en de noaberschap. ‘Die saamhorigheid vind ik een van de fijnste en mooiste kenmerken van het dorp. Natuurlijk doe je mee als ze vragen of je wilt buurtmaken en noaste noaber wil zijn. Ik had geen idee wat het inhield, bleek later!’ 

‘Een net gebouwde Battumse wijk was onze eerste woonstek. Een moderne doorzonwoning met grijze betonstenen en zwarte kozijnen. Zo konden we zien of we wel aardden in een dorp over de IJssel. Kwam er een boerderijtje te koop, dan zaten we dichtbij. En ja hoor… twee jaar later, voor 125.000 gulden, waren we eigenaar van een prachtpand in het buitengebied, toen nog gemeente Diepenveen. Een originele boerderij met rode luikjes uit 1924. Alsof de koeien de dag ervoor nog op stal stonden, compleet met de stront op de vloer.’

Kropjes sla en zakjes boontjes

‘Verbouwen van de woning deden ze we deels zelf. Iedere avond waren we flink aan de slag. Op de stoep voor de deur vonden we kropjes sla en zakjes boontjes, vers van het land. Zo maakten we kennis met de dichtstbijzijnde buren, een ouder echtpaar met een ongetrouwde thuiswonende zoon. Zij doopten ons tot noaste noabers. 

In Salland is de noaberschap een ongeschreven plicht die je hebt als buren onderling. ‘Noaberplicht höldt in dat noabers mekare bi-j mot stoan in road en doad as dat neudig is.’ Vanouds een vorm van burenhulp voor bewoners van boerderijen en in dorpen. Een belangrijke schakel in het sociale leven. Mien weet te vertellen dat het destijds in ‘haar’ buitengebied erg traditioneel geregeld was, zeker bij de oudere generatie. Noaste noaber ben je als meest nabije buur in voor- en tegenspoed oftewel ‘bij rouwtje en trouwtje’. De naaste buur ondersteunt bij overlijden en trouwpartijen en verdeelt dan de taken onder de buren, in samenspraak met de familie. 

‘We voelden het als een eer, we dronken regelmatig samen koffie en sloten steevast af met iets sterkers’, vervolgt Mien haar verhaal. ‘Buurvrouw Janna dronk dan een cb-tje – citroenbrandewijn met suiker – en ik, als stadse, nipte van de sherry. “Wie zult geerne de buurvrouwe onder tafel drinken…”, zei buurman dan.’

‘Noabers houden hun functie bij verhuizing. Onze buren woonden er hun hele leven en hadden dan ook 24 noabers. Het hele jaar door legden zij nieuwjaarsvisites af bij de verschillende noabers. We zagen ze dan weer met hun oude Ford Taunus voorbij tuffen.
Ze klonken een glaasje met hen en zijn dus goed geoefend.’ 

 

Het noodlot slaat toe

Na een jaar sloeg het noodlot toe en werd de noaberplicht serieus. Op een avond klopte de buurman aan: Janna was plotseling overleden. Als noaste noaber en vrouw hielp Mien een verzorgster uit het dorp met het wassen van Janna. ‘Ik had nog nooit een lijk gezien, laat staan het washandje met zeep over een dood lichaam gehaald. Janna moest een pyjamajas aan. Helaas stonden die nog nat in een teiltje om op de deel uit te hangen. Midden in de nacht ging ik naar een manufacturenzaak in Dijkerhoek. De winkelier had helaas geen damesjasjes meer. Nood breekt wet: Janna is in een binnenstebuiten gedraaid pyjamajasje van haar echtgenoot gekleed’, vertelt Mien. 

‘Zorg voor de opgebaarde hoorde ook bij de burenplicht. Regelmatig keek ik hoe het lijk erbij lag. Bleven mond en ogen gesloten en was het niet te warm? Een horror voor mij. Het kisten van een dode was mannenwerk en zo was ook mijn echtgenoot betrokken. Janna is met hulp van ons gekleed en gekist. Onze eerste echte noabertaak.’  

Aan alles zit een grens, ook aan noaberhulp. Toen buurman later zei: ‘Wie had -edacht… wie vroag de buurvrouwe veur de vensters’, bedankte Mien hartelijk. Tips rond het huishouden wilde ze van harte uitwisselen, maar ramenlappen… nee, dit was de grens voor haar. Wel heeft Mien de thuiswonende zoon nog getipt een vrouw te zoeken, waarop hij zei: ‘Mien moe zeg alle holt is geen timmerholt.’

 

Battum in voor- en tegenspoed 

Het leven in Bathmen en het buitengebied beviel goed. De contacten met buren en dorpsbewoners groeiden voor het hele gezin. Ze kregen tips voor de verbouwing van de boerderij en het aantal dieren rond het huis groeide gestaag. Mien kreeg een job op de peuterspeelzaal in Bathmen en werkte als invaljuf één dag per week op de basisschool in Loo, het buurtschap naast Bathmen. Haar kinderen, een zoon en dochter, gingen naar de dorpsschool in Bathmen en maakten veel vriendjes. Na tien jaar Bathmen was een heel netwerk ontstaan. Mien omschrijft het als gelukkige jaren. 

‘Toen plotseling… het was 1982, de kinderen waren tien en zes jaar oud, verdween mijn echtgenoot. Werkelijk van het ene op het andere moment – zonder enig afscheid is hij vertrokken. Zoiets van: hij ging een pakje sigaretten kopen en kwam nooit weerom. Een enorme schok, zeker voor de kinderen. Ik stond er alleen voor, heb al mijn werkzaamheden opgegeven en ben volledig voor mijn zoon en dochter gaan zorgen. Alle dieren én de boerderij moesten worden verkocht. Het was echt vreselijk.’

Mien kreeg door bemiddeling van haar netwerk van noabers en bekenden een huurhuis in Bathmen. Ze verhuisde naar het buurtje van weleer, kon een beroep doen op de bijstand en ontving een uitkering van 1328 gulden per maand. ‘Geen vetpot natuurlijk, maar heel fijn dat ik zo genoeg tijd voor mijn kinderen had. Voor hen streefde ik naar stabiliteit. Met medeweten van de gemeente deed ik soms een klusje. Zo verkocht ik op zondag ijsjes in Bussloo, maakte hier en daar een huis schoon of stond ’s avonds laat in de kantine van de tennishal. Mijn ouders stopten me af en toe een tas boodschappen toe. Zo redde ik het financieel, ik wilde het zelf zien te klaren. Ik kreeg ook controle van de sociale dienst. Heel naar, het voelde vernederend. De stap van buiten wonen met twee auto’s voor de deur naar hier was gewoon groot. Toch heb ik me altijd zo positief mogelijk opgesteld.’

‘Op een dag ben ik naar de burgemeester van Bathmen gestapt en heb gezegd: “Burgemeester, hier op school werken allemaal vrouwen wier echtgenoten ook een baan hebben. Ik vind dat ik nu aan de beurt ben en wil gewoon aan de slag.” De burgemeester was het met me eens en zegde toe de school te benaderen. Zo ben ik in 1991 weer aan het werk gegaan op de basisschool in Bathmen. Ik heb tenslotte een onderwijsbevoegdheid.’ 

‘Ik blijf een westerling’

Mien heeft genoten van haar werk op de dorpsscholen in Bathmen en Loo. ‘Ik ben altijd met veel plezier naar mijn werk gegaan. Ik heb veel kinderen zien komen en gaan, heb kennis gemaakt met hun ouders en heb inmiddels een enorm netwerk in het dorp. Natuurlijk blijf ik een westerling, wat betekent dat ik erg rechtstreeks kan zijn in mijn opmerkingen. Daar hou ik van. Nee… niet iedereen is ervan gediend.’ 

Mien heeft twintig jaar voor de klas gestaan toen ze in 2011 met pensioen ging. Nog altijd houdt ze er een druk leven op na. Ze somt een reeks aan activiteiten op: bestuurslid van de Kunstmarkt Bathmen, lid van de Plattelandsvrouwen, medeoprichter van het Filmhuis in Bathmen, acteur in de plaatselijk toneelvoorstellingen, koken voor ouderen en activiteiten in het Kulturhuus Braakhekke.

Aan het eind van het interview vraag ik Mien wat ze het meest waardeert in of aan het dorp. Uit het diepst van haar hart zegt Mien: ‘De mentaliteit in Bathmen. De saamhorigheid, hartelijkheid, de talrijke initiatieven en sociale steun die er is. Werkelijk iedereen kan en mag zijn wie hij is en mag meedoen.’

Fotografie: Lieke Kooyman 

Han Nijhof (85) heeft alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt. Van een verpauperd bedrijventerrein is het nu een plek met allure. ‘Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten.’

‘Ik ben de oudste bewoner van het Havenkwartier én ik woon er het langst. Bijna 55 jaar’, glundert Han Nijhof (85), een rijzige man met een enorme grijze baard. Hij moet hard lachen als ik hem vraag of hij al die jaren in de brugwachterswoning heeft gewoond. ‘Ik woon in dit huis pas sinds 2012, nadat mijn zoon hier acht jaar antikraak heeft gewoond. Voordien woonde ik jarenlang aan de Mr. H.F. de Boerlaan op nummer 129. Dat huis is afgebroken. Het brugwachtershuis had altijd al mijn aandacht. Prachtig gebouwd in Amsterdamse stijl, je woont er heel rustig met een mooi uitzicht over de IJssel. Ik ben heel blij dat ik er woon.’ 

Wie vanaf de A1 richting centrum rijdt, ziet, pal achter de zwarte silo, het brugwachtershuis liggen. Het huis is begin jaren twintig gebouwd. ‘Het precieze jaar weten we niet, het moet ongeveer in 1923 zijn geweest. De zwarte silo, aan de ingang van de binnenhaven, is toen opgeleverd. Het meest logisch is dat dit huis gelijktijdig gebouwd is.’ 

 

 

‘Het hoekraam op de benedenverdieping maakte altijd al indruk op mij. Zulke ramen werden vroeger niet vaak gebruikt. De brugwachter had door dit raam een goed panorama op zowel de IJssel als de Havenbrug (later Twentol-brug). Wanneer er een schip naderde, draaide de brugwachter de brug open en haalde met een klompje het geld op bij de schippers. Als het graan naar de silo werd overgeslagen, had de schipper even tijd voor een wc-stop en een borreltje. Buiten achter het huis zie je nog het schipperstoilet, achter de groene deur met een hartje. Op de Boerlaan nummer 165 was destijds het schipperscafé, nu is het een coffeeshop. De brug is niet meer. De Prins Bernard-sluis maakte de brug overbodig. Op de plek van de brug ligt nu het H.J. Ankersmit-gemaal.’

 

‘We waren nomaden’

Han schenkt me nog een kop koffie in en vertelt over de woning zelf. ‘De woning was niet groot hoor, zo’n dertig vierkante meter. Ik heb begrepen dat de brugwachter met zijn vrouw en twee kinderen tijdens en na de oorlog op de begane grond woonde. Op de eerste verdieping woonde de kok van de kazerne van de Huzaren van Boreel met zijn gezin.’

Ik kijk wat rond en zie een grote achterkamer en een zijkamer vol met boekenkasten en een groot bureau. Han vult gelijk aan: ‘Voor wij verhuisden naar deze woning hebben we flink verbouwd. Waar nu de achterkamer is, stond de transformator. Die staat nu achter het huis. De zijkamer is aangebouwd en ligt tegen het huis van de buren, het voormalige schipperscafé.’ 

Ik ben nieuwsgierig hoe Han in het Havenkwartier terecht gekomen is. In zijn achtertuin zie ik namelijk vlaggen van de Achterhoek hangen. Zowel hij als zijn vrouw Betsy blijken daar te zijn opgegroeid. ‘Ja, eigenlijk zijn wij beiden import. In Deventer was ik vanaf 1967 werkzaam als werktuigbouwkundige om het gemaal H.J. Ankersmit te realiseren. Het gemaal is gebouwd omdat er in het groeiseizoen behoefte was aan meer water voor de landbouw en het op peil houden van de grondwaterstanden in bos- en natuurgebieden. Het Waterschap Salland was de opdrachtgever. Stork uit Hengelo, mijn werkgever, was een van de uitvoerders.’

‘Via Stork was ik steeds betrokken bij nieuwe projecten. Eerst in Ethiopië en later dichterbij huis als in Antwerpen, Rotterdam en uiteindelijk Deventer. De projecten gaven een jaar tot anderhalf jaar werk. Om toch enigszins een familieleven te hebben kochten mijn vrouw Betsy en ik een caravan die we in de buurt van het werk altijd wel kwijt konden in een tuin of op een stukje land. Hier in Deventer stonden we bij de Douwelerkolk. We waren net nomaden. Ons oudste kind is vanaf het prille begin mee geweest. Met het derde kind op komst was dat toch niet ideaal en bovendien moest de oudste naar school.’ 

‘In 1968 solliciteerde ik als machinist bij het Waterschap Salland en ben ik permanent in Deventer gaan wonen. Het Waterschap kocht een van de veertig middenstandswoningen voor ons. Die zijn in de jaren twintig (1927) aan de Mr. H.F. de Boerlaan neergezet. Mooie woningen met vier slaapkamers, kamer en suite en een leuke tuin. We waren er dolblij mee. De kinderen konden naar school en we hadden een normaal gezinsleven. In de jaren zeventig heb ik de woning zelf gekocht en we hebben er tot in 2012 gewoond.’ 

 

Het Havenkwartier

Het Havenkwartier, toen bekend als een bedrijventerrein voor kleine industrieën, is wisselend in trek bij ondernemers. Han is zo’n twintig jaar als vrijwilliger actief bij het SIED (Stichting Industrieel Erfgoed Deventer) en noemt enkele bedrijven. ‘Het oudste bedrijf is Eijsink, een smederij en later machinefabriek. Vanuit de Appelstraat in Deventer vestigden zij zich op de hoek van de Mr. de Boerlaan en de Noordzeestraat. Op de andere hoek van die straat stond de Pettenfabriek van Smit. Ze verkochten hoeden, petten en paraplu’s in de Lange Bisschopsstraat. In de tijd dat ik hier woon, huisde de Davos-albums in dat pand en nu zit het Kunstenlaboratorium er. Ook kent bijna iedere Deventer inwoner de Kofferfabriek waar nu gewoond wordt. Aanvankelijk kostte het moeite om de grond rond de havens te bebouwen vanwege de recessie in de jaren dertig. Pas na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich er meerdere ondernemers. Naast de zwarte silo is in 1961 de grijze silo gebouwd. De toenmalige eigenaar ‘Coöperatieve Op- en overslag Deventer en Omstreken’ (CODO) wilde het groter aanpakken met een extra silo voor veevoeder, graan en meel.’ 

 

 

Penetrante paardenpislucht 

Als buurtbewoners onderling was er goed contact. ‘Ik ben een technisch mens en kan eigenlijk ook niet stil zitten. Ik heb als goede buur zo af en toe een klusje uitgevoerd voor het CODO. Ik had er ook zelf weer voordeel bij. In de zwarte silo kreeg ik van hen mijn “eigen” werkplaats in de voormalige paardenstal. In beginsel werd de aanvoer ook met paard en wagen geregeld. De stal heeft lang leeggestaan en bleek uiteindelijk een ideale plek om mijn oldtimers te restaureren. Een penetrante paardenpislucht steeg jaren later nog tussen de steentjes van de vloer omhoog.’ 

Han hoeft het me niet verder uit te leggen. Ik snap het volkomen. Op exact de plek van de stal huisvest de Zwarte Silo nu de toiletten voor haar horecabezoek. Ook het SIED heeft jaren gebruik kunnen maken van een ruimte in deze silo. 

 

Roerige tijden

‘Je kunt het je misschien niet voorstellen als je nu het Havenkwartier ziet, met het industrieel erfgoed, creatieve ondernemers, kunst, cultuur, horeca, kleurrijk bouwen en wonen. Decennialang zijn wisselende plannen, opstand en verpaupering gepasseerd om uiteindelijk deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het gemeentebestuur had steeds andere ideeën om tot wonen en werken met allure te komen. Er zou een ware metamorfose plaatsvinden en eind jaren negentig werd gesommeerd dat de veertig woningen moesten worden afgebroken. Noodgedwongen verkochten veel bewoners hun woning aan de gemeente. Er werd gedreigd met onteigening en de ME zou uiteindelijk handhaven. De meeste bewoners hapten toe. Het was misschien als grapje bedoeld maar het werd wel gezegd.’ 

Een enkeling wilde van geen wijken weten, waaronder Han en Betsy. Leegstand en verpaupering duurde heel wat jaren. ‘Het was schandelijk en ik ergerde me kapot. Ik wilde antwoord op de vraag: hoe denkt de gemeente deze verpaupering een halt toe te roepen? De leegstaande woningen werden uiteindelijk weer tijdelijk bewoond, als een soort antikraak. Ook de brugwachterswoning kwam leeg te staan. Onze zoon, die toen net zijn relatie had verbroken, kon deze woning tijdelijk betrekken. Uiteindelijk werd dat acht jaar, in ruil voor een lik verf en ander onderhoud aan de woning.’ 

 

Wonen in de brugwachterswoning

Han en Betsy waren uiteindelijk nog de enige bewoners met een eigen huis aan die zijde van de Mr. de Boerlaan. Huren wilden zij beslist niet, gaven ze de gemeente te kennen. De brugwachterswoning werd niet gesloopt en kon gehuurd worden van de gemeente. ‘We vonden die woning prachtig en wilden er graag wonen. Met hulp van een juridisch adviseur is het ons gelukt om onze woning op nummer 129 te ruilen voor de brugwachterswoning. Een woning met historische waarde, al is het geen monument geworden.’

‘Na een flinke verbouwing van zeker een half jaar zijn we er in 2012 gaan wonen. Betsy is in 2015 overleden. Ik woon hier nu alleen. Ik heb alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt en zal niet ontkennen dat het een plek met allure is. Toch kan ik niet alle bouw waarderen. Ik vind het nog steeds fijn dat ik hier in alle vrijheid kan wonen. Wel wordt het steeds drukker met meer bewoners, bedrijvigheid en verkeer. Ik heb zelf mijn “eigen” parkeerplaats gemarkeerd. Je wil toch voor je eigen deur kunnen parkeren. Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten van het uitzicht op de IJssel.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Al meer dan tien jaar vaart de geboren schipper Douwe van Komen op het pontje over de IJssel. Vervelen doet hij zich nooit. ‘Hier varen betekent als het ware een snelweg oversteken.’

‘Deventer is de warmhartigste stad aan de mooiste rivier met de fraaiste wolkenpartijen van Nederland’, vindt Douwe van Komen. Sinds september 2011 vaart hij de voetgangerspont in Deventer. We zijn het eens. Ik wil graag weten hoe hij hier terecht gekomen is en of dat nou eigenlijk leuk is, steeds op en neer varen. Kan het gevaarlijk zijn? En sinds wanneer vaart de pont eigenlijk? En voor wie?

Douwe is een makkelijk prater. Hij schakelt soepel van het hier en nu naar zijn vroegere werkzaamheden en via zijn kinderjaren naar hoe hij in 2003 in Deventer belandde. En hoe hij ertoe kwam om in Deventer te blijven.

Douwe werd op 28 september 1959 geboren in Roermond als enig kind van binnenvaartschippers. Een duwboot.  Grintbakken, Maas-keien, zand maar ook wel zout. Hard werken. ‘Mijn vader was echt zo sterk als een beer. Dagen van achttien, negentien uur waren geen uitzondering. Mijn ouders hadden op een bepaald moment een eigen boot dus je doet wat nodig is. Ik heb dat ook. Ik voel me verantwoordelijk voor mijn gezin, voor mijn werk, ten opzichte van mijn baas, en met mijn collega’s vorm ik een hecht team.’

Met vader en moeder als gezelschap bleef de kleine Douwe aan boord tot hij naar school moest en om die reden met moeder aan wal ging wonen. Vader zette het schipperswerk voort en was regelmatig, maar lang niet altijd, de weekenden thuis – want hij moest op afroep beschikbaar zijn. ‘Ik kon eerder zwemmen dan lopen’, zegt Douwe. ‘Ik vond het heerlijk aan boord als kind, ik heb een fijne jeugd gehad.’

 

 

Beroerte

‘Nee, gelukkig geen schipperskindereninternaat’, verzucht Douwe, op de vraag naar het vervolg van zijn leven. ‘Toen ik zestien was kwam ik bij mijn vader aan boord in de leer en vanaf toen hebben we jaren samengewerkt. Een professionele opleiding of het behalen van een officieel diploma was in die tijd niet nodig om zelfstandig te mogen varen, ik heb vrijwel alles wat ik weet van mijn vader geleerd.’

Douwe’s moeder overleed in 1996. Vader en zoon vervoerden samen nog jarenlang wat zich aandiende, op een middelgrote boot op de binnenwateren van Nederland, Duitsland, België en soms Noord-Frankrijk.

Tot oktober 2003. Toen kreeg vader aan boord, in de sluis van Deventer, een beroerte. ‘Dat was wel een heel angstig moment.’ Douwe moet even slikken. Het was een moment waarop hij, benadrukt hij, heeft ervaren hoe hij zich door zijn geloof gesteund voelde. En trouwens niet alleen toen. ‘Het geloof loopt als een rode draad door mijn leven.’

Want hier, binnen handbereik, in de sluis van Deventer, woonde toevallig een familielid. Door diens snelle ingrijpen kwam er vrijwel direct hulp en belandde zijn vader in korte tijd in het Deventer ziekenhuis. Helaas kreeg hij daar vrijwel direct een tweede beroerte, waardoor hij verlamd raakte en in een verpleegtehuis moest worden opgenomen.

Zijn vader heeft nog tien jaar geleefd, maar werd steeds zwakker, later ook nog dement. Hij is nooit meer aan boord geweest. ‘Dat was pijnlijk en verdrietig en dat is het nog’, vertelt Douwe. ‘Op een bepaald moment dacht mijn vader dat ik zijn broer was!’

 

Knop omdraaien

Douwe bleef varen en bezocht zijn vader vaak in het verpleeghuis Sint Jozef in Deventer. Regelmatig ontmoette hij daar José, die daar háar vader bezocht, ook verlamd na een beroerte. Een kopje koffie samen, een wandeling samen. José woonde in Goor maar werkte in het Deventer ziekenhuis. ‘Zodoende zijn we bij elkaar gekomen’, vertelt Douwe en zijn glinsterende ogen spreken voor zich. In eerste instantie voer Douwe nog een poosje door met de boot van zijn ouders, wanneer nodig met assistentie, maar vast werk had hij niet. Even nog overwogen José en Douwe om samen te gaan varen. Inmiddels woonden ze bij elkaar in haar huis in Goor.

Maar dan, in 2004, vertelt Douwe, gebeurde er iets moois: ‘José bleek zwanger.’ Hij was 44, José 35. Hij voer nog enige tijd via een uitzendbureau en in 2005 werd zoon Ruben geboren. ‘Een heel bijzondere ervaring. Ik was enig kind en tamelijk alleen opgegroeid. Ik had veel alleen gewerkt. Wel eens een relatie gehad, maar ik had veel alleen geleefd. Nu had ik onverwacht een vrouw en een zoon! Ik was realistisch en dacht: nu moet ik gewoon een knop omdraaien.’

Douwe besloot om de boot te verkopen.  Hij was 46, zijn zoon een half jaar oud en zijn vader zou niet meer beter worden. Op 28 april 2006, de boot lag in de haven van Goor, kwamen de kopers de boot halen. ‘Toen ze wegvoeren met de boot die mijn ouders kochten toen ik achttien was, ben ik een heel stuk langs de kade meegereden. Er ging heel veel door me heen… Nee, José was er niet bij, sommige dingen moet je even alleen verwerken.’ Zijn vader vond het natuurlijk ook heel moeilijk. ‘Een stukje familiehistorie kwam ten einde.’

 

Voetveer

In 2007 verhuisden Douwe, José en Ruben naar Deventer. Douwe vond werk op een partyschip in Goor. Hoewel het een enorme omschakeling was om geen vracht, maar passagiers te vervoeren en om niet op de boot maar op land te wonen, pakte de verandering goed uit. Douwe bleek het leuk te vinden om het de gasten naar de zin te maken, en ook dat de passagiers met plezier naar zijn verhalen luisterden. ‘Je weet veel van rivieren, dus er is veel te vertellen’.

Hij werkte in 2010 ook op het veer van Gorssel en had het prima naar zijn zin. Maar: beide werkzaamheden waren seizoengebonden. ‘Douwe, weet je dat ze hier in Deventer iemand voor het pontje zoeken?’ vroeg een familielid op zekere dag in 2011. Douwe wist dat niet maar belde direct voor een afspraak met de heer Scheers, eigenaar van Rederij Thuishaven. 

Hij vermoedde dat hetzelfde familielid al wat voorwerk had verricht, want het sollicitatiegesprek liep zo ontspannen en plezierig dat hij al halverwege het gesprek doorhad dat ze hem wel willen hebben. Het familiebedrijf vaart al sinds 1962 dagelijks vele malen de voetveer heen en weer tussen De Worp, waar men gratis kan parkeren, en de IJsselkade. Het hele jaar door, bij weer en wind, van ’s ochtends tot ‘s avonds. 

Ze voeren met Carpe Diem, het partyschip. Douwe kon vrijwel gelijk bij de firma Scheers beginnen en het voelde goed. ‘Fijne mensen’, zegt Douwe. ‘We zijn een klein team en kunnen altijd van elkaar op aan.’

De oude heer Scheers is in het bedrijf van zijn schoonouders begonnen, heeft het overgenomen en doet zelf trouwens nog regelmatig dienst. Zijn dochter Daniëlle is heel betrokken en schoonzoon Georg vaart ook. Naast Douwe en de reserveschipper uit Zwolle vormen zij de vaste bemanning.

 

 

Humor

‘Het bedrijf vaart in 2040 nog’, zegt Douwe. De pont is onmisbaar voor het autoluwe Deventer, voor zowel woon- en werkverkeer als voor winkelende en uitgaande Deventenaren. En de pont trekt toeristen. ‘Dat zijn er veel, want er is zoveel te doen in Deventer!’ Hij somt de hoogtepunten op waar Deventer beroemd om is: het silhouet van de stad als je de brug passeert of komt aanvaren, Deventer op Stelten, de boekenmarkt, het Dickensfestival… ‘Dan varen we van ‘s ochtends vroeg tot één uur ‘s nachts met twéé boten.’

 

‘Het veer is onmisbaar, in 2040 varen we nóg’ 

 

En daarbij, in maart 2021 is de oude boot vervangen door een elektrische. ‘Hij is schoon en zó stil! Heerlijk.’ Varen met de pont is niet moeilijk en niet gevaarlijk, zegt hij. ‘Het water is relatief stabiel in hoogte en stroomsterkte. Het IJsselmeer, ja, daar heb ik vroeger wel angsten uitgestaan. Dat water was onvoorspelbaar. Hier varen betekent als het ware een snelweg oversteken: goed uitkijken en onderling contact houden, want er varen boten met de maximale lengte van 110 meter en 11,45 meter breed. Gróót voor deze rivier. En meer dan lang genoeg, bij laag water.’

Het wordt tijdens ons gesprek steeds duidelijker: Douwe houdt van Deventer, van het water en zijn werk, van zijn collega’s en van zijn vrouw en zijn zoon Ruben ‘Je moet je kind vrij laten, hij moet zijn eigen weg vinden. Hij is een heel verstandige jongen voor zijn leeftijd. En hij heeft humor, dat is naast mijn geloof de tweede rode draad in mijn leven.’ Dat wil hij graag genoteerd hebben.

Nieuwsgierig naar de vloot? Kijk op www.pontjedeventer.nl voor meer informatie.

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Gerda Pieters was in de jaren 70 jarenlang bijna dagelijks te vinden in het Enkhuis, het sociale centrum van het Rode Dorp. Het voelde als een soort thuis en gaf haar ook een eigen inkomen, niet onbelangrijk.

‘Eindelijk! Ons eigen huis, in de Enkstraat. Wat was ik blij!’ Half mei 1972 betrok Gerda Pieters met man, zoontje en hoogzwanger van haar tweede kind voor het eerst een eigen huis. Ze woonden daar zes jaar, totdat hun woning bij de renovatie werd verbouwd tot bejaardenwoning. Toen verhuisden ze naar de Diepenveenseweg, aan de rand van het Rode Dorp.

Gerda werd geboren op de Worp, waar haar ouders inwoonden bij opa en oma van moederskant. Opa en oma waren dol op hun oudste kleinkind. Ze bleven haar hun leven lang verwennen. ‘Hier heb je een gulden, maar niet tegen oma zeggen.’ En: ’Hier heb je een rijksdaalder, maar niet tegen opa zeggen.’

Na wat omzwervingen kwam het gezin terecht in Voorstad. Daar ging Gerda naar de Van Marleschool in de Oosterstraat (nu de Vrije School) en later naar de ULO op de Ceintuurbaan. Ze haalde mooie cijfers. Maar doorleren? ‘Geen sprake van’, zei haar vader. ‘Aan het werk.’ En dat deed ze, want vaders wil was wet.


‘Gedoe’ met kinderen 

Het werd Groot Schuylenburg in Apeldoorn, een woon- en werkplek voor mensen met een verstandelijke beperking. Gerda, toen zeventien jaar kreeg de verantwoordelijkheid voor een hele zaal kinderen. Ze was er intern. Ze genoot van het ‘gedoe’ met de kinderen: knutselen, spelletjes doen, krulspelden zetten op zaterdagavond. Maar ze moest ook regelmatig politieagent spelen, want het ging er soms ruig aan toe. Zeker ook belangrijk was dat ze haar eigen geld verdiende en financieel onafhankelijk werd. Gerda zag thuis hoe moeilijk haar moeder het had met het financieel afhankelijk zijn. ‘Mag ik asjeblieft een lapje kopen want ik heb een jurkje nodig’, zei ze dan. Gerda dacht: ‘Dat gaat mij nooit gebeuren!’ Ook de traditionele taakverdeling thuis was haar moeder, en ook Gerda, een doorn in het oog. ‘Mijn vader tilde alleen zijn voeten op als de stofzuiger er onderdoor moest.’
 

 

 

Bij kennissen ontmoette ze Ab. ‘Hij zag mij en wist blijkbaar direct dat ik de vrouw was waar hij mee wilde trouwen’, vertelt Gerda. ‘Ik zei: “Je kent me niet eens, misschien ben ik wel een kreng.”’

Haar vader was het niet eens met de relatie. ‘Als je de verkering uitmaakt krijg je van mij een naaimachine’, probeerde hij. ‘Die koop ik mezelf wel’, antwoordde Gerda. En dat deed ze, van haar eerste vakantiegeld. Zodra het gesprek thuis ging over trouwen, zei hij: ’Ben je al dertig dan?’ Bijna drie jaar ging dat zo door.

Gelukkig veranderde de wet waarin je tot je dertigste toestemming van je ouders nodig had om te trouwen op 1 januari 1970. Op 29 januari 1970 trouwde Gerda met Ab. Ook toen was er woningnood. Ze woonden tijdelijk in een huisjespark op de Holterberg, maar al snel weer in Deventer. Ze vonden een kleine bovenwoning op de hoek van de Assenstraat en de Bursesteeg, boven boekhandel Veldink. Daar werd hun oudste zoon geboren. Gelukkig kregen ze van de woningbouwvereniging uiteindelijk een woning toegewezen, in de Enkstraat. Hun eerste echte eigen huis, met een tuin.


Grote plaats voor het Enkhuis

Toen Gerda eenmaal in het Rode Dorp woonde nam buurthuis het Enkhuis algauw een grote plaats in in haar leven. Of is het omgekeerd, nam Gerda een grote plaats in in het Enkhuis? Het ging een beetje vanzelf, van het een kwam het ander. De naaiclub van het Enkhuis zat net zonder docent. ‘Kun jij dat overnemen’, was de vraag. ‘Ik had dan wel geen naaidiploma maar wel veel ervaring’, vertelt Gerda. ‘Ik leerde naaien van mijn moeder. Inmiddels naaide ik alles voor mezelf, voor de kinderen en voor wie zo eens langs kwam. Er was een vast groepje van zo’n tien vrouwen op naailes. Moeders kwamen soms samen met hun dochters. Ze namen zelf mee wat ze wilden naaien, of veranderen. Of de broeken waar de knieën van kapot waren. Zelf was ik ook wat je noemt een armoenaaister, ik had ook geen losse knoop, maakte van niets iets. Van een jas van oma, binnenstebuiten omdat de kleur dan mooier was, maakte ik jasjes voor de jongens. Uiteindelijk, op m’n veertigste, haalde ik toch nog een naaidiploma.’

 

‘Ik was een armoenaaister, ik maakte van niets iets’

 

De administratie van het Enkhuis deed ze ook al snel daarna, de man die daar verantwoordelijk voor was ging met pensioen. Algauw zat Gerda ook in het bestuur. Als ze zaten te vergaderen, zette ze haar jongste zoon in de kinderwagen bij de douches. Ze ziet mijn verbaasde blik en vervolgt: ‘De huizen in het Rode Dorp hadden toen nog geen douche. Het Enkhuis functioneerde ook als badhuis. Theo en Gerrie te Wolde waren de beheerders. Je lei een gulden op het tafeltje en dan kon je met z’n drieën, want ik ging met de kinderen, heerlijk schoon worden.’


Grote zaal voor kinderen

En er was de zondagmiddagclub. Daar draaide Henkie Schurink films: Roodkapje, Tweety, De drie eendjes en ga zo maar door. De grote zaal vol kinderen. Het borstelwinkeltje in de Menstraat verhuurde allerlei films, voor volwassenen en ook voor kinderen. Allemaal stomme films. Henkie zocht daar elke keer een film uit. Hij vertelde dan het verhaal bij de film. ‘Ik bracht kinderen naar de wc, schonk limonade in en hield toezicht, samen met Ab. Ook jaren gedaan.’

Gerda ging assisteren bij de peuterspeelzaal. Eerst omdat haar jongste zoon nog niet zo goed kon lopen. Maar ze bleef, jarenlang, als leiding en genoot van het werken met de peuters. Natuurlijk hielp Gerda ook met het organiseren van de jaarlijkse rommelmarkt op het plein voor het Enkhuis.

Met veel vrijwilligers en betrokken buurtbewoners was het Enkhuis echt het sociale centrum van de wijk. Niet onbelangrijk: voor Gerda betekende het Enkhuis ook een eigen inkomen, een beetje onafhankelijkheid. ‘Het Enkhuis voelde voor mij als een soort thuis. Ab heeft eens gedreigd om een blik bruine bonen te komen brengen. Dan hoefde ik ook niet meer naar huis te komen om te eten.’

 


Ineens was het genoeg

Gerda zat nog in het bestuur van het Enkhuis toen de bouw van de nieuwe peuterspeelzaal ‘De rode rakkertjes’ werd voorbereid. Ergens in die tijd nam iemand anders de naailessen over. Zomaar. Er ontstonden conflicten en meningsverschillen in het sociale centrum. Ineens was het genoeg, Gerda stapte op. ‘Ik heb er nooit meer een voet over de drempel gezet’, zegt ze fier, ‘behalve om te stemmen.’ Het Enkhuis is veranderd. Wat blijft voor Gerda zijn de goede herinneringen en de warme vriendschap met een oud-collega.

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Rob Lezer nam ‘Het Stoffenhuis’ in de Korte Bisschopstraat over van zijn vader. Na een periode van bloei nam het aantal naailustige dames gestaag af. Met weemoed moest hij de winkel in 2003 sluiten. ‘Het waren prachtige jaren.’ 

‘Op het moment dat de trein Deventer naderde en de brug over reed besloot mijn vader: hier ga ik een zaak beginnen. Hij was handelsreiziger in stoffen. Het was het jaar 1933.’

Ik zit aan tafel bij Rob Lezer die, met duidelijk veel plezier, het verhaal vertelt van de geschiedenis van ‘Het Stoffenhuis’, de mooie winkel die zijn vader is begonnen in de Korte Bisschopstraat en die hij later zou overnemen.

‘Die jaren dertig van de vorige eeuw waren echte crisisjaren. Als handelsreiziger reisde mijn vader per trein door Nederland met zijn koffers met stalen, om wat opdrachten voor levering van stoffen te krijgen. Dat was sappelen in die economisch magere tijd! Erger dan nu kan het niet worden, dacht mijn vader en hij waagde de sprong naar een eigen winkel. 

Een goede gok, zo bleek. Na een aantal jaren kon mijn vader het pand met bovenwoning kopen en het ging hem voor de wind. Inmiddels had hij mijn moeder leren kennen en in 1935 trouwden zij in de synagoge. Beide families waren joods.’

De oorlogsjaren braken aan. ‘Mijn vader ging in het verzet, hij was onder andere betrokken bij het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten. Dat vervalsen gebeurde aanvankelijk nog gewoon in de synagoge. Mijn grootvader had een prachtig handschrift en was heel goed in dat werk.
Op een gegeven moment werd het te gevaarlijk voor joden, ook in Deventer, en via via konden mijn ouders met mijn oudste zus die in 1937 was geboren, onder een valse naam, onderduiken in Zeeuws-Vlaanderen. Het Stoffenhuis werd overgenomen door een zogenaamde Verwalter. Die Verwalters werden door de nazi’s aangesteld om het beheer te voeren over zaken van opgepakte joodse burgers. Mijn familie heeft zich op hun onderduikadres al die tijd relatief veilig gevoeld. Mijn zus kon daar zelfs gewoon naar school gaan.’
 

 

Bevrijding van Deventer

In 1943 kondigde zich nog een tweede dochter aan. Rob: ‘Hoe raadselachtig dat ook klinkt, maar mijn zus is gewoon in het toenmalige Sint Jozefziekenhuis in Deventer ter wereld gekomen, waarna moeder en kind weer terugreisden naar Zeeuws-Vlaanderen. Ik heb nooit goed begrepen hoe en waarom dit zo is gegaan, helaas spraken mijn ouders heel weinig over hun oorlogservaringen en wij als kinderen vroegen daar ook niet naar. Pas nu ik wat ouder ben en met pensioen denk ik vaak met enige spijt: had ik maar meer aan hen gevraagd!’

Zeeuws-Vlaanderen werd al in oktober 1944 door de Canadezen bevrijd en Robs vader heeft zich toen aangesloten bij de Canadese troepen. ‘Met enige trots vertelde mijn vader altijd hoe hij bij de bevrijding van Deventer de stad was binnengereden boven op een oorlogsvoertuig van de Canadezen.’

‘En toen begon de wederopbouw. Mijn vader trof bij terugkeer een vrijwel failliete en leeggeroofde zaak aan. Zijn eerste daad was de Verwalter in grote woede de deur uit zetten. Vervolgens moest de leeggeroofde zaak weer helemaal opgebouwd worden, maar geld was er niet. Nou kende hij de directeur van de Sallandse Bank en vroeg om een lening. “Hoeveel wil je hebben?” vroeg deze. Met dat geleende geld kon mijn vader weer de eerste stoffen gaan inkopen, voor zover die er al waren.’

‘Vader regelde een autootje en reed langs stoffenfabrikanten. De eerste tijd waren de stoffen die er te krijgen waren nog vooral in donkere, saaie kleuren. Maar er was een enorme vraag naar kleding en dus naar stoffen. en mijn vader vertelde dat de dames zich verdrongen om te kijken wat hij bij zich had als hij aan het eind van de dag thuiskwam van zo’n inkooptocht. Als hij dan de volgende morgen zijn winkel opende was het gerucht van zijn handel kennelijk als een lopend vuurtje door Deventer gegaan en stonden er al lange rijen kooplustigen. Vanwege de schaarste ging alles toen nog met distributiebonnen. En met de punten van die bonnen kon mijn vader dan weer nieuwe stoffen inkopen.’

Vóór de oorlog al had Robs vader ook nog een winkel in Apeldoorn. Ook deze winkel moest weer bevoorraad en bemand worden. Tante Roosje, een zus van Robs moeder, kreeg daar de leiding.
Die zus had Auschwitz overleefd, samen met haar dochter. ‘Een hele sterke vrouw. Zij was belangrijk in onze familie. Elke avond ging na etenstijd de telefoon en dan riep de hele familie in koor: “Tante Roosje!” en dan werden de zaken doorgenomen.’


Mee op reis

‘De jaren die volgden gaven een grote bloei aan de stoffenzaak. Er werd toen nog heel veel zelf thuis genaaid. Ik werd in 1945 geboren. Het gezin woonde weer boven de winkel. Mijn moeder, die in het begin nog veel in de winkel hielp, sloot wel eens de winkel af als mijn vader op reis was voor de zaak en zij mij moest voeden. Dat kon je in die tijd nog gewoon doen.’

Rob ging naar de Montessori lagere school in de Van Lithstraat. De magazijnbediende die er inmiddels was, bracht hem daar elke dag met de bakfiets heen. In die tijd sloten nog alle scholen en ook winkels tussen de middag en ging iedereen naar huis om te eten. Rob heeft goede herinneringen aan zijn jeugd.

Na de lagere school bezocht Rob de Rijks HBS in het Nieuwe Plantsoen. ‘Ik was vooral geïnteresseerd in de praktische vakken en stapte daarom over naar de Handelsschool. Het was heel vanzelfsprekend dat ik mijn vader zou opvolgen in de winkel. Ik hielp al regelmatig in de zaak en ging steeds vaker mee met mijn vader als hij op reis ging om in te kopen.’

Met zijn diploma op zak ging Rob in veel landen stagelopen in stoffenfabrieken en grote stoffenzaken: in Duitsland, in Engeland met de prachtige Liberty-stoffen en de tweeds, in Parijs, waar de mooiste zijden stoffen en broderie vandaan kwamen. ‘Echte top-stoffen’, vertelt Rob en zijn ogen glunderen bij de herinnering. Hij genoot daar van het opdoen van veel kennis en leerde zijn talen, wat later goed van pas kwam omdat de inkoop steeds internationaler werd.

 

Nieuwe outfit

Inmiddels had Rob zijn vrouw Rozette leren kennen. Zij namen de zaak van zijn vader over.
Er volgden drukke maar mooie jaren van opbouw en uitbreiding. Naast de magazijnbediende kwam er een dienstmeisje en twee winkeldames: Ida en Frida, twee hele trouwe medewerksters, waarvan er één nog een lintje heeft gekregen voor veertig jaar trouwe dienst. 

‘Twee keer per jaar, in de lente en de herfst, kregen mijn vrouw die vaak in de winkel hielp en de verkoopsters een hele nieuwe outfit. Die werd gemaakt van de stoffen van het nieuwe seizoen. De sfeer en de samenwerking met het personeel was al die jaren erg plezierig. Hard werken, dat zeker! Naast de inkoop en verkoop en de organisatie en bevoorrading van de twee winkels, was ook het fysieke tillen van de zware stoffenrollen flink zwaar. Maar ik heb het altijd als heel plezierig ervaren.’ Inmiddels breidde het gezin zich uit. Ze kregen uiteindelijk twee dochters en een zoon. Er werd een paar keer verbouwd aan de zaak. Een van de veranderingen, de mooie, gebeeldhouwde houten trap vooraan in de winkel,  was en is nog steeds een blikvanger.

Het inkopen van de stoffen gebeurde aanvankelijk in Amsterdam, maar het aanbod van de grossiers daar beviel steeds minder en Rob vernam via zijn buitenlandse connecties dat er een hele mooie inkoopclub was in Keulen. Daar sloot hij zich bij aan en vanaf die tijd togen Rob en Rozette twee keer per jaar naar Keulen voor de zomer- en wintercollectie. 

Later nam Rob zelf zitting in deze inkoopcommissie. ‘Dat was erg leuk. Ik kon dan zelf meebepalen bij het samenstellen van de collectie. Omdat het samenstellen van je stoffencollectie afhing van wat de mode zou worden in het nieuwe seizoen, bezocht ik, vaak samen met mijn vrouw, ook modeshows en beurzen, onder andere in Milaan, Parijs en Florence. Dat waren erg mooie reizen. Het inkopen was altijd spannend, omdat de mode snel kon veranderen. Het gebeurde wel eens dat ik dacht, als wij de stoffen binnenkregen die we een half jaar tevoren hadden ingekocht: krijg ik dit nog wel verkocht?’

 

Naailustige dames

Met enige weemoed heeft Rob in 2003 het besluit genomen Het Stoffenhuis te sluiten. Tot verdriet van menige Deventenaar(se)! De laatste jaren daalde het aantal naailustige dames gestaag. Confectiekleding werd steeds goedkoper en alleen de (vaak wat oudere) klanten die kwaliteit en een uniek kledingstuk konden waarderen bezochten nog steeds graag de stoffenzaak. Rob zag daardoor ook geen brood meer in de zaak voor een eventuele opvolger. Ook in Apeldoorn was Het Stoffenhuis intussen al gesloten.

‘Wij hebben hier in Deventer prachtige jaren gehad en genieten nu van het leven als pensionado. Maar gelukkig nog steeds in de binnenstad van Deventer, waar we zeer aan verknocht zijn.’

 

 

Ik volg Rob en Rozette nog even naar hun grote souterrain, waar een paar schitterende foto’s hangen van de etalages van weleer. We laten onze handen gaan over een paar van hun mooiste stoffen, die hier beneden nog een plaatsje behielden. ‘Ja, schoonheid en kwaliteit: daar ging het ons uiteindelijk om!’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

 

Deventenaar Anton Brack werd in de jaren zestig door zijn ouders naar de dokter gestuurd om te ‘genezen’ van zijn homoseksualiteit. Dat hielp natuurlijk niet. ‘Wat hebben we een lol gehad in de homobars.’

‘Ik kom uit een groot gezin, we waren met elf kinderen. Dus je begrijpt wel dat het geen vetpot was bij ons. Dat was geen fijne tijd. Vroeger vond ik er niets aan. Ik had een oudere broer die vrat alles van mien op. En mien vader dat was een echte neukerd! Een nare kerel, hie hef mie nog nooit um de nekke epakt. Dat gebeurde niet, dat dejen ze niet. Raar is dat hè? Daarom had ik ook zo’n hekel aan mien vaoder. 

Ik zat op de schuilingschool. Ging daar op mijn twaalfde van af naar de LTS. Op mijn veertiende ging ik werken. Ik mocht niet meer doorleren en eigenlijk kon ik ook niet zo goed leren. Schrijven, lezen en rekenen lukt prima.

Al heel vroeg had ik verkering met Janny. Ze kwam vaak bij ons. Mijn vader kwam opeens spiernakend uit de douche lopen. Die viezerik. Janny schrok daarvan en vertelde mij dat. Daarna zijn we met elkaar naar bed gegaan en heb ik me “verneukt”. Toen moesten we trouwen… Bij de burgemeester moest ontheffing aangevraagd worden want zij was nog maar vijftien jaar en ik zestien. 

Onze dochter is in maart geboren. Anderhalf jaar later onze zoon. Omdat we zo jong waren kregen we natuurlijk geen huis. Wij gingen bij de burgemeester in de tuin zitten. “Wat doet u hier?” vroeg hij. “Ik woon hier”, zei ik. Toen hebben we wel een huis gekregen, aan de Rozengaarderweg. Het was een oud huis. De trap zat onder de stront. Ze zullen wel gedacht hebben: dat huis kunnen we toch niet verhuren. Niemand wilde daar wonen. Het was toen al een uitgewoonde buurt.

 

 

Hondenriem

Met Janny was ik op vakantie in Spanje. Voor vertrek hadden we geen afscheid genomen van mijn vader. Hij had tegen mijn moeder gezegd: als ze over veertien dagen terug zijn ben ik dood. En hij ging ook dood, twee dagen voordat wij er weer waren. Toen zei ik tegen mijn moeder: kun ie lekker naar de bingo…

Hij had ook losse handjes. Hij sloeg ons. Verschrikkelijk. Hij sloeg nooit mijn moeder. Alleen mijn zusters. Als mijn zusters te laat thuis kwamen stond ie hen al op te wachten met de hondenriem. Mijn moeder was altijd lief, dat is me bijgebleven. Zij is 78 geworden. We steunden mijn moeder na het overlijden van Pa altijd. We zijn nu nog met zijn drieën over. Mijn vader was eerder getrouwd geweest en daar had ie ook nog drie kinderen bij.

Toen ik twaalf of dertien was had ik al “iets” gevoeld bij mezelf. Toen had ik nog echt geen idee dat ik homo was. Dat heb ik natuurlijk ook niet tegen Janny gezegd. Ik had een broer en daarmee vergeleek ik mij. Hij was een heel ander type dan ik. Maar dan ben je al getrouwd en heb je kinderen…

Ik heb nog steeds heel goed contact met Janny. We hebben een dochter en een zoon. Hele fijne kinderen. Ze staan altijd voor me klaar. Ze zijn opgegroeid met het besef dat ik homo ben. Soms pakte mijn dochter de telefoon op en dan kreeg ze te horen: heeft je vader nog een lul in zijn kont gehad? Nou en dan werd er gescholden: “Vuile homo!” Deze treiterijen hebben ongeveer zeven jaar geduurd. We zijn er nooit achter gekomen wie ons belde. Wel hoorden we steeds dezelfde stem. 

 

Onder de rok van Wilhelmina

Ik ben 27 jaar met Janny getrouwd geweest. Zij was overal van op de hoogte en ging ook mee naar het COC. Na een half jaar heb ik “het” aan Janny verteld. Ik zei: ik ben zó. Dat kwam omdat ik door mijn broer onder druk werd gezet. Hij stond me op te wachten bij het urinoir op het stationsplein. “Zo, flikkertje, dat moet je wel even aan je vrouw vertellen.” Hij dreigde mij dood te slaan als ik dat niet deed. Daar was ik best bang voor, hij was heel sterk. Als kind waren we al bang voor hem. 

Ik was toen ongeveer zeventien en een half. Ik droeg lange spijkerbroeken en als ik naar de pisbak was geweest stonk mijn broek naar zeik. Dan zei ze: ben je er weer geweest? Ik ging ook naar de pisbak aan de Gedempte gracht. Dat was altijd heel gezellig. Daar was je onder elkaar en kon je ook nog “scoren”. Elke avond waren er wel een stuk of twintig homo’s. Dat was lol. 

“Gewone” mannen gingen niet naar binnen bij de pisbak. Dat durfden ze niet. Op de Brink was ook een mooie pisbak voor ons. Onder de Wilhelminafontein. Dan zeiden we: ik ga nog even onder de rok van Wilhelmina kijken. De pisbak van het Stationsplein staat nu in het openluchtmuseum. O ja, dat waren nog eens tijden. Frans met de grote neus, juwelen Hanna, tante Julia. Een man met een rooie pruik, die noemden we natuurlijk pruikie.

Als we naar die pisbakken gingen moesten we altijd oppassen voor de jongens van het kamp. Die wilden ons in elkaar slaan. Ik weet nog dat ik zonder schoenen liep in de Nieuwstraat. Dan liep ik harder. Ik heb het wel gered! Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje, kankerflikker. Ze hebben mij nooit gepakt.

Ik werkte bij Thomassen en Drijver, daar heb ik 38 jaar gewerkt. Ik had een dubbele baan. ’s Middags ging ik naar slachterij Gosschalk in Epe. Dan kwam er een busje bij T&D en stapten we met acht man stiekem in. Ik heb daardoor goed verdiend. Toen kon dat nog, “zwart” werken. We konden ons hierdoor goed redden. Kochten een stacaravan op camping het Haasje in Olst. Daar staan veel Deventernaren. Dat was altijd gezellig!

 

‘Vier man zaten achter me aan. Hé flikkertje!’ 

 

Mooie man op bezoek

Sinds ik hier woon, in het Groote en Voorster verzorgingstehuis, heb ik veel dingen weg moeten doen. Maar die kast is nog uit ons huwelijk. Janny wou hem wegdoen, maar ik zeg: zet hem hier maar neer. 

Op dit moment heb ik niet zoveel behoefte aan seks. Af en toe komen hier nog wel eens mannen die ik mag verwennen, maar ze hoeven niet aan me te komen. Ze weten hier wel dat ik homo ben. Af en toe is er een verpleegkundige die zegt: wat had jij weer een mooie man op bezoek vandaag!

Ik heb vaak moeten liegen, maar ik lieg voor niemand meer. Ik ben niet meer gek, ik trek me nergens iets van aan. Ik heb een brede rug. Ik heb ervoor gekozen om “het” te accepteren. Soms beet ik van me af, maar ik liet me ook uitschelden. Ook nu nog in het Meester Geertshuis plagen ze me, maar ik trek me er niets van aan. Als ze “vieze homo” zeggen, dan zeg ik: was je maar eerst voordat ik je gebruik. En dan zijn ze stil!

Vroeger vond ik mezelf geen knapperd. Ik werd uitgescholden vanwege mijn flaporen. Later was het wel een gezellige tijd, vooral toen ik Henk leerde kennen. Hij had een advertentie in de Stedendriehoek geplaatst. We zijn 22 jaar bij elkaar geweest. Hij is overleden aan longkanker. Het was een toffe kerel. Hij kon me goed aan, want zo aardig was ik soms niet. Hij wel. 

Ook mijn moeder vond Henk een aardige kerel. De familie niet, daar mocht ik niet komen. Ze waren bang dat ze aids kregen. Mijn zuster zei: ik heb liever niet meer dat je komt. Dat zeiden ze allemaal! Later hoorde ik dat mijn andere zuster zei: daar komen die flikkers ook weer aan. Toen ben ik ook niet meer naar haar toegegaan. 

 

Dikke Harry

In Deventer waren ook homobars: Incognito van Paultje, achter de Hema de Peter Cuyper taveerne en het COC. We gingen ook naar Enschede. We hebben lol gehad. Bij Incognito kwamen homo’s, biseksuelen en echtparen. De mensen waren gek met Paul. Hij werd goed beschermd. Dikke Harry stond aan de deur. Hem ken ik vanuit de Menstraat, daar is het COC begonnen. Tijdens de opening waren de muren nog niet droog, iedereen was wit. Ik heb nog geholpen bij de inrichting ervan. Jammer dat er geen homobar meer is in Deventer.

In het COC aan de Assenstraat kwam ik ook. Daar zat een grote kluis in de kelder, die één keer in de maand werd verhuurd aan de VSSM. Daar hielden zij sm-bijeenkomsten. Dat was spannend! Ik liet mensen binnen en vroeg wat hun wensen waren. Soms kon ik ze “helpen” maar als je daar geen aanleg voor hebt, dan wordt het geen succes. 

Ook ging ik wel naar het Ginkelse zand. Daar was het op maandagavond leeravond. Gezellig en spannend. Nu mis ik die spanning wel. Ik zou nog zo een sm-zaak kunnen beginnen. Dan koop ik gewoon twee nieuwe benen, haha. Ook ging ik wel naar de parkeerplaats aan de A1 bij Apeldoorn. Dat was wel opletten. Ze konden je kenteken opschrijven en dan proberen je te chanteren. 

Amsterdam vond ik leuk. In die tijd was er nog geen “donkere kamer” in de kroegen. Dan ging je met iemand mee naar zijn kamer. Leuke tijd. Ik heb ‘m altijd laten werken net als mijn vader.

Bij Janny ben ik weggegaan omdat zij verliefd werd op Freddie. Ze bleef een nacht weg en de volgende dag zei ze: ik ben verliefd… en dat is al een paar maand aan de gang. Maar eigenlijk wist ik het al. Toen zei ik: dan ga ik weg. Dan kun je met Freddie samenleven. Gelukkig is ons contact nog heel goed. Achteraf denk ik: hadden we niet met zijn drieën kunnen samen leven? Janny was een mooie vrouw. We zijn nog steeds gek op elkaar. 

Ik heb een heel fijn huwelijk gehad, zij heeft alles geaccepteerd. Alleen die trubbels dat ik homo ben, ik kan er ook niets aan doen. Ik moest naar een dokter in Overveen. Dokter Van den Aardweg, zijn naam zal ik nooit vergeten. Daar werd ik naar toe gestuurd om te “genezen”. Mijn vader zei: “dat betaal ik wel” en ik ging ernaar toe. De dokter vond het helemaal prachtig dat ik wou veranderen. 

Misschien ben ik er tien keer geweest, toen ben ik gestopt. Dat heeft heel veel geld gekost. De hele familie lapte geld bij elkaar om de behandeling te betalen, misschien wel duizend gulden! Maar het heeft natuurlijk niet geholpen. Dat dacht ik gelijk al. 

 

Geen illusies

Iedereen weet hier dat ik homo ben. Als er nieuwe bewoonsters komen en ik merk dat ze me aardig vinden, dan zeg ik dat ik homo ben. Dan hoeven zij zich geen illusies te maken en heb ik er geen last van.  Ik heb vier kleinkinderen en binnenkort word ik overgrootvader. Hopelijk maak ik dat nog mee voordat ik doodga. Eén van mijn kleinkinderen is homo en woont samen met een vriend in Apeldoorn.

Mijn leven was goed. Ik ben niet verbitterd, klaag weinig. Hier wordt wel geklaagd. “Mijn been doet zo zeer.” Dan denk ik: hol oe stille, daar heb ik toch niets mee te maken. Ook klagen ze over het eten. Dan zeg ik: heb jij het vroeger beter gehad dan?’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Wat een stijve stad, dacht de Voorburgse Anneke van Onselen als kind over Deventer. Toch ging ze er als jonge vrouw wonen, en is ze nooit meer weggegaan. Jarenlang gaf ze schilderles in Schalkhaar. ‘Schilderen verbindt.’

Het is een stralende koude herfstdag. De zon schijnt door de laatste goudgele bladeren van de platanen op het binnenplein van Ravelijn, een schitterend woongebied met nieuwbouw op de plek van de oude wijk Hoornwerk, net buiten het centrum van Deventer. Tijdens de rondleiding door haar huis is het al gauw duidelijk dat Anneke van Onselen schilder is. ‘Wel een amateur’, zegt ze er direct bij. Aan alle wanden hangen haar kleurrijke schilderijen. Op de vloer ligt een kleurige kelim, op de stoelen prijken vrolijke kussentjes. Het past wonderwel bij de kleurige vrouw die Anneke is. Trots laat ze ook werk van haar kinderen en kleinkinderen zien. De meesten van hen hebben ook een creatief gen.

Ravelijn ontleent haar naam aan de oorspronkelijke functie van dit gebied: de plek van het hoornwerk, de verdedigingsmuur van Deventer. Ravelijn betekende in de Middeleeuwen vesting. De glazen wand van het achterste woongebouw symboliseert le courtine, het gordijn, de weermuur van de vesting. De gebouwen ervoor, waarin Anneke woont, staan als verdedigingswerken voor die wand. In het logo voor de nieuwe vlag van Ravelijn, door Anneke ontworpen en door een medebewoner op de computer gerealiseerd, zijn de contouren van de vesting te zien, tegen de rood-gele achtergrond van Deventer. 

Het oude Hoornwerk was een wijk met veel vleesverwerkende bedrijven, die allang zijn gesloten. Een deel van de Turkse werknemers van de vleesfabrieken woont nu, zoals beloofd door de gemeente, in Ravelijn. Soms is het schipperen tussen twee culturen. Anneke is als lid van de bewonerscommissie een van de initiatiefnemers om de integratie van Turkse en Nederlandse bewoners te stimuleren. Een verbinder kun je haar wel noemen.

 

 

In de keuken in bad

Wie keken er, behalve haar vader en moeder, nog meer in haar wieg? ‘Mijn opa en oma van moederskant uit Deventer’, vertelt Anneke. ‘Ik bleef enig kind. Mijn vader was vaak maanden van huis. Hij voer als werktuigkundige op een vrachtschip. Als mijn vader op zee was ging ik met mijn moeder voor de gezelligheid logeren bij opa en oma in Deventer. We gingen lang en vaak, later alleen in de schoolvakanties.’

‘Het staat me nog zo helder voor de geest’, vertelt ze. ‘Het huis van opa en oma in de Burgemeester IJssel de Schepperstraat, nog zonder badkamer. Wekelijks ging iedereen in de grote teil in de keuken in bad, nadat eerst water op het fornuis was gekookt. Het was een klein huis, een gastvrij huis. Twee logees erbij vonden opa en oma alleen maar gezellig. Ze verhuurden ook regelmatig een kamer aan een student van de Landbouwschool.’

Anneke bewaart fijne herinneringen aan de wandelingen met haar opa. ‘Onderweg liep hij te neuriën, met z’n handen op z’n rug. Ik legde mijn handje dan in zijn handen. Ik herinner me nog de oude Schipbrug, en het heen en weer varen met het pontje tot ik er genoeg van had – want zolang je het pontje niet verliet, bleef je kaartje geldig. Zo heerlijk, dat varen op de IJssel.’ 

Ze denkt nog wel eens terug aan de Walstraat met zijn krotwoningen, en aan de Beestenmarkt waar elke vrijdag nog echte koeien werden verhandeld. ‘En aan de kerstnachtdienst in de Bergkerk, met echte brandende kaarsen op elke bank’, zegt Anneke. ‘Op een avond vloog de voile van de hoed van een mevrouw bijna in de fik.’

 

Rode stad

De kinderen in de buurt van haar opa en oma vonden haar maar een vreemd kind, vertelt ze. ‘En ik vond Deventer een stijve stad. “Een rode stad”, leerde mijn opa mij. “Zelfs het vee langs de IJssel is rood.” Toch had Anneke een fijne kindertijd, zowel in Deventer als in Voorburg, met een moeder bij wie ook altijd alles kon en iedereen welkom was.

Anneke ging naar de lagere en middelbare school in Voorburg, en daarna naar de Kweekschool voor Onderwijzeressen in Den Haag. Daar haalde ze het diploma kleuterleidster. Tekenen en schilderen deed ze in die tijd al. ‘Een beetje creatieve aanleg heb je in het kleuteronderwijs wel nodig’, vindt ze, ‘om bijvoorbeeld een mooie bordtekening te kunnen maken.’

Toen Anneke en haar moeder later meevoeren op het schip van haar vader, van Genua naar Rotterdam, werkte op het schip ook Ben, haar huidige echtgenoot. Maar omdat Anneke vol overtuiging zei: ’Voor mij geen zeeman!’ maakte hij geen avances. 

‘Ik trouwde jong met een echte Deventenaar’, vertelt ze. ‘Mijn schoonfamilie vond dat ik maar snel Dèventers moest leren, anders hoorde ik er niet echt bij.’ Ze woonden eerst in Apeldoorn, daarna in Deventer op verschillende adressen en uiteindelijk in Schalkhaar. Op de achtergrond werkte Anneke zestien jaar mee in het autobedrijf van haar man. Ondertussen werden er drie kinderen geboren, twee jongens en een meisje. Maar het huwelijk liep spaak.

‘Na mijn scheiding kon ik aan de slag als invaller in het kleuteronderwijs’, vertelt Anneke. ‘Op voorwaarde dat ik mijn dochter van drie mee kon nemen. Want kinderopvang was er toen nog niet. Tussen de middag deed mijn dochter een slaapje in een kampeerbedje in het kantoor. Op school zei ze “juf” tegen mij en thuis “mama”. Ze vergiste zich nooit.’

 

‘Ik moest snel Dèventers leren, anders hoorde ik er niet bij’

 

Zeemansvrouw

En ja, toen maakte Ben toch avances. ‘Alsnog trouwde ik met een zeeman’, lacht Anneke. ‘Het ritme, maanden alleen met de kinderen en daarna maanden helemaal samen, kende ik al van thuis. Het past mij ook wel, weer even mijn eigen dingen doen.’

Toen de kinderen allemaal het huis uit waren besloot Anneke om weer te gaan studeren, aan de Pabo, de opleiding tot tekendocent. Het was pittig, ze moest vier avonden per week naar school. Dit combineerde ze ook nog met het meevaren met Ben, soms zeven of acht weken lang. Maar het lukte.

Anneke koos er niet voor om leraar te worden op een middelbare school, maar om schilderles te gaan geven in het buurthuis in Schalkhaar. Van de groep cursisten waarmee ze begon zijn er nu, na 22 jaar, nog vijf over. Het zijn heel persoonlijke contacten geworden. ‘Schilderen verbindt’, zegt ze. ‘Het geeft verdieping en raakt aan andere aspecten dan de ratio.’ Het liefst zou ze zelf ook vaker schilderen en zich daarin verder ontwikkelen, ze zou zelfs wel weer les willen krijgen.

 

 

Met Ben loopt ze graag door de stad. ‘We komen er vaak bekenden tegen. Mijn favoriete plekken zijn de Brink, de Bergkerk en de Walstraat – behalve in het weekend, dan vind ik het daar te druk. In het avondzonnetje aan het water zitten op de Benedenwelle vind ik ook heerlijk. Onze stamkroeg is de Sjampetter, voor een glaasje na een wandeling langs de IJssel. We genieten daar van het gezellige geroezemoes om ons heen, het voelt als een warme deken. En dan blijven we lekker zitten voor een dagschotel.’

Toch vindt Anneke dat Deventer als gemeente ook nog wel wat kan verbeteren. Zo vindt ze dat de bewoners sneller betrokken zouden kunnen worden bij nieuwe plannen voor de stad. Zoals de inrichting van het Grote Kerkhof, de bomen bij de bibliotheek aan de Stromarkt: ze zou best een inspreker willen zijn.

 

Brieven

Alle brieven die Anneke en Ben elkaar tijdens zijn reizen hebben gestuurd zijn bewaard gebleven. Dat zijn er heel veel. Nu pakken ze regelmatig een willekeurige brief uit de verzameling en lezen die aan elkaar voor. Een moment om samen stil te staan bij hoe het allemaal is gekomen. Soms blijken dingen ook akelig actueel te zijn.

‘Ik zie mezelf als een blij mens’, zegt Anneke. ‘Ondanks teleurstellingen en verdriet toch een blij mens.’ Toch wil ze bij haar levensverhaal ook een kritische kanttekening plaatsen. ‘Eigenlijk pas je je altijd aan, als vrouw. In een andere situatie was ik misschien wel hoofd van een school geworden.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Al 46 jaar woont Ria Kuijper in de Perzikstraat. Terwijl gezinnen naar grotere huizen in Colmschate vertrokken, bleef zij waar ze was. ‘Het is een gezellig buurtje.’ 

De Perzikstraat is een smalle zijstraat van de Lange Zandstraat in Zandweerd-Zuid. Aan weerskanten staan de huizen dicht op elkaar, soms met een garage ertussen. De auto’s zijn allemaal aan een kant geparkeerd. Voortuintjes zijn niet meer dan één à twee stoeptegels breed,  de voordeuren verschillen allemaal van elkaar.

Midden in de Perzikstraat woont Ria. In een huis in een blok van vier, al 46 jaar. In 1976 kwam ze met haar toenmalige man vanuit Utrecht naar Deventer. Op zoek naar een huis, in Utrecht was niets te krijgen. ‘Net als nu’, zegt Ria. ‘We waren woningvluchtelingen. Het huis stond te koop voor dertigduizend gulden, al een jaar. We zeiden: “Als dit het huis is, is het verkocht.” We hoefden het niet eens van binnen te zien.’ 

De man van Ria werd actief bij de speeltuinverenging en bouwde daar het dierenverblijf voor de geiten, kippen en marmotten. ‘Ik bedoel natuurlijk cavia’s.’ Hij werd ook de beheerder ervan. ‘Hij praatte gemakkelijk met iedereen. Ik heb dat niet zo. Ik was thuis bij de kinderen, maar ik volgde het allemaal wel. Achteraf heb ik er soms spijt van dat ik toen niet beter bijgehouden heb hoe het er allemaal aan toeging in de wijk.’

Dat valt trouwens wel mee, dat gebrek aan bijhouden – Ria heeft de nodige documentatie. Ze komt met een grote ringmap vol foto’s en netjes ingeplakte krantenknipsels. Van de Stentor van toen met berichten dicht op de huid van de wijk. Bijvoorbeeld van die keer dat er een geit verdwenen was uit de dierenhoek. Meegenomen waarschijnlijk, maar door wie en waarom? Ze konden er alleen naar gissen. De geit was zwanger en Ria schreef in een stukje voor de Snippers van de krant, toen heette hij nog Deventer Dagblad, dat het vlees van een zwangere geit niet geschikt was voor consumptie. Het dier werd teruggevonden, de beheerder van de kinderboerderij bij de Watertoren belde dat ze bij hen over het hek was gezet. Ook dat kwam natuurlijk weer in de Deventer Snippers. Ria heeft er nog steeds plezier om. ‘Jammer dat de krant nu niet meer zo werkt.’

 

 

Brandweerplein

Toen ze in de Zandweerd kwam wonen waren er nog veel winkels en bedrijven: een sigarenboer, Jonkhout kapper annex winkel in huishoudelijke artikelen, een Spar-kruidenier, Peters Tapijtenfabriek, schilderbedrijf Rensink, dierenwinkel Kunst, Senzora wasmiddelen, lompenboer Versteeg, de brandweergarage en ga zo maar door. Ankersmit met zijn textiel was tien jaar daarvoor al gesloten – Ria’s buurman kon zich nog steeds kwaad maken over de snelle sluiting – op die plek zat nu de bibliotheekschool. De bibliotheekbus kwam wekelijks, woensdagmiddag trok een draaiorgel door de straten. ‘Het was toen veel meer een dorp. Ik ben geboren en opgegroeid in een dorp, misschien dat ik me daarom hier meteen thuis voelde. Dat geluid van die brandweerauto’s als ze uitrukten, de garage was hierachter, ik vond dat leuk.’ De garage is nu een plein geworden, het Brandweerplein. Met die naam won Ria een wedstrijd hierover.

‘Toen we hier kwamen zaten we op zomeravonden voor de deur op de stoep, we speelden badminton, we kenden elkaar allemaal. De kinderen speelden buiten, of in een pand dat afgebroken werd. Of ze haalden oude kranten op en kregen daar wat voor van de lompenboer. We waren veel meer thuis dan nu. We gingen bij elkaar op de koffie en pasten op elkaars kinderen. Velen van ons waren babyboomers en als we trouwden, stopten we meestal met werken buitenshuis, dat was in die tijd heel gewoon. Er werden regelmatig kinderen geboren, het was een kinderrijke buurt, steeds zag je wel weer iemand met een wieg sjouwen.’

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig zijn verschillende bewoners naar andere buurten vertrokken omdat ze meer ruimte wilden. Ria wilde dat niet: ‘Ik had naar Colmschate gekund, daar werd nieuw gebouwd, maar dat is ver van het station en ver van de IJssel. Niet dus. Als ik toevallig mensen spreek die om de een of andere reden weg moesten uit de wijk, verzuchten die altijd: het was een gezellig buurtje.’

 

Demonstreren bij de raad

Ria kent nog steeds de meeste mensen in de straat. ‘Er is veel verloop geweest, de laatste vijftien jaar wat minder. De buurt is redelijk geliefd. In het begin was 88 procent eigen woningbezit en woonden er met name gastarbeiders. Drukkerij Salland bouwde dit blok van vier bijvoorbeeld eind jaren vijftig voor haar werknemers. Later stootte ze deze woningen af en gingen ze in de verkoop. Door de recessie van begin jaren tachtig en de stijgende rente raakten veel huizen verwaarloosd. Ze moesten bijna allemaal vernieuwd worden. De gemeente wilde een ton uittrekken voor die vernieuwing, maar wij wisten niet of dat wel genoeg was. Met veel buurtbewoners hebben we toen gedemonstreerd bij de raadsvergadering. Met succes. De stadsvernieuwing kwam er met hulp van de Verbeterwinkel. We konden als eigenaren geld lenen van de gemeente en daar ons huis van opknappen. De lening moesten we wel terugbetalen, maar zonder rente. Dat heeft de wijk echt goed gedaan.’

Maar voordat de huizen aan bod kwamen, werden de straten opgeknapt en werden het allemaal woonerven. Renate Vincken, Deventer kunstenares, ontwierp daarvoor ronde, halfronde en langwerpige betonnen zit- en speelelementen en bloembakken en plaatste die  her en der in de straten. De elementen kregen kleuren en lijnen, elke straat zijn eigen kleuren. Op het wegdek kwam sierbestrating. Auto’s – die kwamen er steeds meer – konden parkeren in uitgespaarde vakken. Zandweerd-Zuid werd daarmee de eerste buurt waar de aankleding van de straten ontworpen was door een kunstenares. 

‘Maar toen in 2008 de riolering en waterleiding werden vernieuwd, gingen deze woonerven met hun aankleding op de schop. Jammer’, vindt Ria, ‘ook dat de auto’s nu zo’n prominente plek hebben. Ik heb zelf geen auto, maar daar niet van. De straten zijn niet breed. En als die auto’s ook nog overal in de straat staan: ik was het behoorlijk zat. Dertig jaar lang heb ik ze voor de deur gehad, ik kon bijna niet naar buiten of ik liep tegen een auto aan. Het is smal hier. Bij de herinrichting van de wijk zat ik in een klankbordgroep en hebben we toch bereikt dat de auto’s nu allemaal aan de overkant staan. Na ruim dertig jaar mocht dat wel eens.”

 

Hard hoofd

Met de gemêleerde samenstelling van de wijk heeft Ria geen moeite. Haar overbuurman, oorspronkelijk uit Turkije, hielp ze bijvoorbeeld jaarlijks met de aanvraag van de kinderbijslag. De gegevens die daarvoor nodig waren bewaarde ze voor het jaar daarop, die bleven toch hetzelfde. Maar in de loop van de tijd veranderde er wel wat anders. Toen ze in 1976 in de Zandweerd kwam wonen was er alleen een centrale antenne, met daarop Nederland 1 en 2 en Duitsland 1, 2 en 3. Iedereen keek en luisterde naar hetzelfde. Maar toen de kabel kwam met onder andere ook een Turkse zender, was die natuurlijk veel vertrouwder voor mensen uit Turkije. ‘Ik snap dat wel. Als je hier wildvreemd komt en je moet alles regelen en je begrijpt de taal niet, dat is zo zwaar.  Maar de integratie is veel moeizamer nu, met al die zenders. Ik heb er soms een hard hoofd in.’

En dat trekt ze zich toch aan. Ria voelt zich verantwoordelijk voor de wijk. Ze typeert zichzelf als ‘wel betrokken, maar geen doener’. Toch ben ik haar een keer tegengekomen met een grote plastic zak waarin ze alle losse plastic afval stopte die ze opraapte van de straat. Hoe noemt ze dat dan? Ze lacht. ‘O ja, dat weet ik nog. Tsja, ik heb maar een klein plaatsje hierachter, ik hoef al die grote bakken niet. Het zijn er nu al vier. Ik heb nog gewoon een plastic zak en na veertien dagen heb ik die maar halfvol. Als ik hem wegbreng raap ik onderweg op wat ik nog op straat zie liggen. Zodoende.”

Ze woont nog steeds graag op de plek en in de buurt waar ze nu al 46 jaar woont. ‘Het fijnste van de wijk vind ik dat mijn huis hier staat, ik ben snel in de stad en bij het station en ik woon vlakbij de IJssel, ik ben zo buiten, geen enkel stoplicht. Tot 2012 had ik een hond. Ik ging bij de IJssel naar beneden en kon dan wel een uur lopen zonder iemand tegen te komen. Soms, in de zomer, gauw even kleren uit en de plomp in. Dat kan niet meer, het is nu allemaal meer gecultiveerd en drukker. Maar dan nog. En ik ben ook blij met het wandelpad naast de spoorbrug. Ik kan nu zo aan de overkant van de IJssel gaan lopen. Echt waar, als ik terug kom van het een of ander en ik kom de IJssel over, dan kom ik thuis. Het is een warm bad.’ Ria én de Zandweerd? Ria ín de Zandweerd. In het hart!

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

In het Deventer uitgaansleven was altijd wat te doen, herinnert Sjors Snijders zich. ‘Als de jongens van de Rivierenwijk en het Rode Dorp elkaar tegenkwamen, dan was het bingo: knokken.’

Buurman Sjors is bijna tachtig jaar, maar als hij over zijn jeugd in Deventer vertelt beginnen zijn ogen te twinkelen. Hij is dan opeens weer de jongen die hij eigenlijk ook altijd een beetje gebleven is. Sjors is geboren en getogen in Deventer. Deventer was voor hem in zijn kindertijd vooral het buitengebied dat toen nog grensde aan de Swaefkenstraat waar hij woonde. 

‘Vroeger zaten we altijd op het exercitieterrein. Wechelerveld heet het nu. Daar mocht je eigenlijk niet komen. Maar we gingen wel. Er waren ook wel eens schietoefeningen. Dat stond nergens aangegeven want het was militair terrein. Mag je daar niet komen? Nou dat zullen we dan wel eens even zien. In het gebied naast Park Braband tegen de Wetering aan, daar had je de zeven eilandjes. Dat was vroeger een heel leuk gebied, een soort moerasgebied: een rijtje bomen en sloten en dan weer een rijtje bomen en sloten. Het heette niet voor niets de zeven eilandjes. Dat was een heel stuk waar je lekker kon spelen. Vanaf onze straat tot aan de kazerne waren allemaal landerijen. Mijn moeder kon roepen als het eten klaar was.’

Sjors was bij de padvinderij. ‘Het was voetbal of de verkenners. Veel meer had je niet. Voetbal deed ik niet. Had ik geen zin aan ook.’ De BB (Bescherming Burgerbevolking) oefende in de restanten van de DAVO-fabriek, de verkenners speelden slachtoffers die geëvacueerd moesten worden. ‘Dan had je een papiertje op de borst waarop stond wat je mankeerde. Een geamputeerd been of een weggeschoten been en een ander had een beschadiging aan z’n hoofd.’

 

 

Huppakee, omkeren jij

Sjors vertelt dat hij veertien motoren had. ‘Nee, niet voor de verkoop, voor de lol. Sleutelwerk. Ik reed er zelf niet al te vaak mee, want ik had geen rijbewijs. Ik reed dus wel, maar ja, op een gegeven moment houden ze je aan en dan kennen ze jou en weten ze dat precies. Hé, daar heb je hem weer, daar moeten we eventjes achteraan. En dan was je weer de klos. Tot ze me drie keer in een week pakten.’ 

Dat gebeurde ook toen hij aan het afrijden was voor zijn motorrijbewijs. ‘Toen haalden ze me van de weg af want ze kenden me al. Ze wisten niet dat ik aan het examenrijden was. Ze hielden me tegen. ‘Hé, huppakee, omkeren jij, kom jij eens even hier. Wat ben je aan het doen?’ De examinator die achter me had gereden zei: ‘Nou, begin maar weer opnieuw.’ En toen had ik er geen zin meer in. Ik heb het nooit meer gehaald, het rijexamen, tenminste niet voor motoren.’

Voor hem als jongere speelden vooral de uitgaansgelegenheden in de binnenstad van Deventer een grote rol. ‘Het uitgaansleven, dat was wel mijn hobby. Zolang het geld het toeliet. Je had de jeugdsoos toen, de Rim Ram, die zat op het Grote Kerkhof. Op de Brink zat er ook nog één, hoe heet die ook alweer? Ik ben al die namen weer kwijt. Er waren er een stuk of drie, vier. Je liep van de één naar de ander en dan de kroegen af natuurlijk. Dat waren leuke tijden. Ik kende de horeca wel goed in die tijd. Ik ben wat dat betreft een stevige sponsor geweest.’

 

‘Je had kakkers en plakkers. Kakkers waren betere burgers, dachten ze’

 

Er werd vaak geknokt tussen de plakkers en de kakkers en tussen de jongeren uit de verschillende wijken. ‘Ik hoorde eerder bij de nozems, de plakkers. Tenminste, dat sprak me meer aan. Plakkers, die hadden plat haar, brylcreem erin, hè. Ikzelf had geen vetkuif, ik had lang haar zoals, kom hoe heette die zanger ook al weer, Armand. Kakkers waren net iets betere burgers, dachten ze. Echt niet, maar daar kwamen ze later wel achter. Maar ja, goed, zo hielden ze de zaak wel levendig. Er was altijd wat te doen met al die knokpartijen. De jongens van Tuindorp en de Rivierenwijk of van het Rode Dorp, Knutteldorp, de Molenwijk, die moesten elkaar niet tegenkomen, dan was het weer bingo. Als er een feestavond was geweest dan moest er wel even een toetje op, hè.’ 

Eén van de uitgaansgelegenheden was de Buitensoos aan de overkant van de IJssel, precies op de grens tussen twee gemeenten. Bij vechtpartijen was het daarom de vraag waar de politie vandaan moest komen, herinnert Sjors zich. ‘Welke politie moesten we nou bellen? Deventer zei: “Dan moet je die van Wilp hebben” en Wilp zei: “Dan moet je die van Deventer hebben.” Dat was altijd een feest.’

En dan was er de kermis. Sjors: ‘Dat was de jaarlijkse happening. Niet op de woensdagmiddag, dan was het kinderkermis. En donderdag kwamen de boeren. Daar waren vaste dagen voor. Dat wist je, dan moest je ’s avonds niet in de stad zijn. Maar in de weekenden werd er nog wel eens een vechtpartijtje uitgevochten.’

 

Peutboeren

Net toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst was Sjors klaar met de opleiding voor vliegtuigmonteur. ‘Overdag werkte ik bij de Fittingfabriek en één dag in de week ging ik naar school. De rest deed ik schriftelijk, in de avonduren.’ De dienstplicht vervulde hij bij de Luchtmacht. ‘Ik werkte niet als monteur aan de vliegtuigen zelf, daar hebben ze eigen personeel voor. Ik was monteur van de tankwagens van de “peutboeren”, tanken van kerosine in de vliegtuigen. Voor dienstplichtigen was dit het hoogste wat je halen kon. Het was heel relaxt. Alleen moest je ’s avonds na het weekend al vroeg weer weg en door de week was je ook van huis. Maar goed, daar word je niet minder van.’ 

Toen hij de dienst inging woonde hij nog steeds in de Swaefkenstraat, aan de rand van de stad. ‘Toen ik na 24 maanden de dienst uitkwam was heel Tuindorp gebouwd, allemaal in een paar jaar tijd. Dat is mijn Deventer niet. En wat er nu allemaal bijgebouwd is… ik weet het niet. Dat is allemaal te groot. Ik vind het minder gezellig in Deventer. Mensen gingen vroeger ook heel anders met elkaar om, ze kennen elkaar niet meer. Je ziet het hier in de straat eigenlijk al. Als er nieuwe mensen komen – ik ken ze niet. Ze stellen zich ook niet meer voor.’

Sjors woont al sinds 1973 in de Oudegoedstraat. ‘Ik heb dit huis gekocht in 1973’, vertelt Sjors. ‘Ik ben er direct ingetrokken en ga hier niet weg. Het zijn hier allemaal volhouders hoor. Je kende iedereen in de straat. Een kruidenier had je hier zitten. En op de Diepenveenseweg zat nog een kledingzaak, een fietsenmaker, een bloemenzaak. De winkels waren hier gewoon rondom. Al die zaken zijn nu weg.’

‘Waar we hier in de straat heel druk mee zijn geweest, is het pleintje. Dat pleintje vroeger, dat was gewoon een woestenij en daar hadden we dus een kinderspeeltuin van willen hebben. De hele buurt bemoeide zich ermee. Er zijn plannen geweest, alleen de gemeente deed niet mee. Maar toen onze kinderen groot waren, vond de gemeente het leuk om van het pleintje een speeltuin te maken. Wat moet je daar nou mee?’

 

 

Niet verpieteren

De ouderen in de straat vallen één voor één weg. Ook Astrid, de vrouw van Sjors, is vier jaar geleden plotseling gestorven. Zij onderhield de contacten, ook met de nieuwe mensen. Ze was van alles altijd op de hoogte. Nu is hij van die informatiebron afgesneden. Maar hij verpietert niet, hij heeft genoeg te doen. Hij klust veel, in en rond het eigen huis of voor zijn dochters. Die ondernemen telkens iets nieuws in Deventer, kapperszaken en bloemenzaken, een restaurant, een kroeg en een bed & breakfast op een boot. En altijd is er wel iets te doen waarvoor de hulp van hun vader moet worden ingeroepen. 

Op een klein uitstapje na, toen hij op jonge leeftijd een tijdje bij de KLM werkte, is hij nooit uit Deventer weggegaan. De Amsterdammers bevielen hem niet zo. Hij voelde er zich niet thuis en ging daarom snel weer terug. ‘Als ik alleen al naar Zutphen ga, voel ik me daar niet thuis.’

Wat bindt hem aan Deventer? ‘Het is hier bekend en ik heb hier vrienden. Ik vind zeker de binnenstad echt wel aantrekkelijk. In grote lijnen is de binnenstad niet veel veranderd. Het stratenplan is hetzelfde. Het enige is dat in de Overstraten en de Korte en de Lange Bisschopstraat veel zaken zijn veranderd. Maar het huizenpatroon is in wezen nog steeds hetzelfde. En boven de gevels, als je even omhoog kijkt, dan is het lekker nog allemaal ouderwets. Dat is gezellig en het is mooi.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman

Wie op de Brink in Deventer goed rondkijkt ziet, ingeklemd tussen de horeca en vele grote terrassen, nog een enkele winkel. Vooral speciaalzaken, zoals modehuis Kok-Rengerink op nummer 78. De vaste klantenkring van dit modehuis, met name dames van vijftig plus, komt er voor een jumper, vestje of pantalon. Mode met de formule: Niet te strak, niet te kort, niet te duur.

Hoe anders zag de Brink er begin jaren zeventig uit: allemaal middenstand en slechts een enkele horecazaak. ‘Het was er heel gemoedelijk, alle winkeliers en bewoners kenden elkaar’, vertelt Ria Stegeman-Aussems.

‘Als zestienjarige, net klaar met de huishoudschool in Rotterdam, verhuisde ik naar Deventer om bij mijn oudere zus Kathy en zwager Herman Kok te gaan wonen en werken.’ Dit mode-echtpaar nam in 1972 de damesspeciaalzaak van Rengerink over. Een paar jaar later voegden zij hun eigen achternaam ‘Kok’ toe en tot op de dag van vandaag prijkt de naam ‘Kok-Rengerink’ op de gevel van dit prachtige grote pand aan de Brink.

Vijftig jaar later vertelt Ria enthousiast over de twintig jaar die zij op de Brink werkte. Haar liefde voor Deventer en ook de passie voor de kleine middenstand is toen ontstaan. ‘Ik koop veel en vaak bij de Deventer middenstand. Niet alleen bij mijn zus en zwager hoor. Handdoeken en dekbedhoezen koop ik bijvoorbeeld bij de linnenzaak waar ik nu boven woon. Ik stop mijn dochter ook regelmatig een setje handdoeken toe.’

 

Sallandse tongval

Herman Kok werkte al jaren in de textiel in Rotterdam en zag het als een carrièrestap om zijn eigen bedrijf te gaan runnen. Bij de overname van het modehuis verhuisden hij en zijn vrouw Kathy naar Deventer. Zij woonden boven de zaak, gevestigd in een rijksmonument uit 1760. Het was een drukke en goedlopende winkel en het echtpaar kon wel wat hulp gebruiken. Ze vroegen Ria bij hen te gaan wonen en werken. In eerste instantie was Ria voor ‘boven’: het huishouden en de twee kleine zoontjes. De jongste was net geboren en de oudste was toen vijf jaar. Na een korte wenperiode bleek de woon- en werkomgeving voor zowel Ria als haar zus en zwager een succes. Ook de moeder van Kathy en Ria was erg tevreden over de ‘veilige’ move van haar dochters naar het oosten van het land.

 

 

Toen de kinderen beiden naar school gingen, trok Ria naar ‘beneden’ en werkte ze volledig mee in de winkel. Behalve Kathy, Herman en Ria kende de zaak toen nog drie tot viermedewerkers. Het kon er razend druk zijn en iedere paskamer had toen zijn eigen verkoper. De medewerkers en clientèle kwamen uit Deventer en omringende dorpen zoals Bathmen, Lettele en Gorssel. Voordeel van de medewerkers van buiten was dat zij ook met de specifieke Sallandse tongval konden spreken.

 

Laat de middenstand niet verloren gaan’

 

In de volksmond werd de zaak ook wel ‘het vestenwinkeltje’ genoemd. Service voor vaste klanten was dat kledingstukken op zicht meegenomen konden voor dames die wat minder mobiel waren. In een boek werd het ‘wie’ en ‘wat’ genoteerd en na het terugbrengen of ruilen werd alles pas betaald. ‘Dat is eigenlijk nooit misgegaan’, vertelt Ria. Algauw ging ze opleidingen volgen en haalde ze haar middenstandsdiploma en textielbrevet. Bij vakanties of inkoopdagen van Kathy en Herman zwaaide Ria de scepter in de zaak. Ze was immers zowel van ’boven’ als ‘beneden’ op de hoogte.

Uiteindelijk heeft zij bijna twintig jaar gewerkt bij Kok-Rengerink, totdat zij begin jaren negentig trouwde en afscheid nam. Ze ging fulltime voor haar pasgeboren dochter zorgen. Later werd ze actief op de school van haar dochter, onder andere in de ondernemingsraad, bij creatieve lessen en als luizenmoeder. Regelmatig volgde ze creatieve cursussen als tekenen, schilderen en etsen. Haar gezellige appartement hangt vol met eigen kunst.

 

Een vertrouwd gezicht

In de jaren zeventig en tachtig kenden alle Brinkbewoners en -winkeliers elkaar. Boodschappen deed men op het plein en in de aanliggende straatjes als de Grote en Kleine Overstaat, Vleeshouwerstraat en Nieuwstraat. Naast Kok-Rengerink op de hoek zat groentewinkel Kruithof, wat nu café de Waagschaal is. Aan de andere kant vond je Stuurman, de bakkerij.

Liepen we over de Brink, dan zagen we verder Eltink de poelier, Simons zuivel, Janssen voor tabak, koffiebranderij Ten Have, de radiozaak van De Bie, de lampenwinkel van Wagemansen Teekens voor bruidsmode. In de straatjes waren winkels als groenten van Kornet, bakkerij Lankhorst en slagerij Breshamer.

De auto’s stonden gratis geparkeerd op de Brink, met uitzondering van de marktdagen vrijdag en zaterdag. Toen stonden ze onder de Wilhelminabrug, ook gratis. ‘Dat is natuurlijk niet meer van deze tijd’, zegt Ria. ‘Maar het was wel fijn.’

 

Broodje shoarma

‘In het begin ging ik elk weekend naar mijn ouders in Rotterdam’, vertelt Ria. ‘Zo hadden Kathy en Herman ook hun gezinsleven met de kinderen en kon ik lekker verhalen uitwisselen met mijn moeder, en met mijn zus zodra ik terugkwam op dinsdag.’ Na negen jaar inwonen verhuisde ze in 1981 naar een van de wooneenheden die toen opgeleverd worden naast ‘de Boze Goudvis’ tegenover ‘de Visman’, het imposante bronzen beeld aan het Pothoofd.

‘Nu zijn de woningen verpauperd, eigenlijk rijp voor afbraak’, zegt Ria. ‘Toen was het voor mij een eigen dak in het centrum. Prettig omdat het uitgaan een onderdeel van mijn bestaan was geworden. Ik ging vaak naar de City Club, de discotheek. Mijn stamkroeg was La Balance, wat nu de Heeren is. Danslessen nam ik bij Eppink, ook een begrip in Deventer. De horeca verdiende heus goed aan ons. Ga maar na: om negen uur ’s avonds gingen we uit en om drie uur de volgende morgen waren we pas thuis, nadat we steevast een broodje shoarma aten in de Overstraat.’

Ria leerde haar echtgenoot in het uitgaansleven kennen. Samen bleven ze hun verdere leven in Deventer wonen. Ze verhuisden naar verschillende wijken, om in 2013 weer in de binnenstad neer te strijken. ‘Heerlijk… de IJssel, en alles bij de hand. Ik ga niet meer weg uit de binnenstad’, zegt Ria. ‘Uitgaan doen we nog steeds, nu naar de schouwburg en het theater. Lekker uit eten, ook op de Brink. Het is er erg veranderd door de vele horeca, de grote terrassen, alle verlichting en kleurige reclames. Logisch, alles gaat met zijn tijd mee. Maar ik kom er nog steeds heel graag.’

Ria plukt aan haar mosterdgele vest. Ik kan het niet laten haar te vragen of ze dit vest bij Kok-Rengerink heeft gekocht. ‘Ja hoor… en deze geruite broek ook. Mijn zus en zwager, beiden op leeftijd, zijn nog steeds voor drie dagen in de week geopend en ook op afspraak. Ik wil het luid laten horen: Deventer, let op dat we niet alle “kleine” middenstand laten verdwijnen in ketens en horecazaken. Ze horen net als de IJssel bij onze stad. Ik vind eigenlijk dat Deventer deze zaken best in bescherming mag nemen. Je ziet ze bijna niet meer terug tussen de lange corona-terrassen.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman