De verhalen
De verhalen

Herman Remmelenkamp, geboren en getogen in Deventer, was in 1976 gedurende twee maanden figurant tijdens de opnames van A Bridge Too Far. ‘Opnames gingen wel vier of vijf keer over.’

“Ach ja, die film. De hele stad stond op z’n kop. Ik was 25 jaar, zat zonder werk en had een uitkering van de sociale dienst. In de krant zag ik een advertentie staan: Figuranten gezocht voor deelname aan film. Dat was toch ook werk? De verdiensten waren zeventig gulden per dag. Jammer genoeg moest ik dat afdragen. Ongeveer de helft hiervan mocht ik houden. Ik meldde me aan en werd uitgenodigd voor een gesprek. Ook mijn buurman Bart had zich opgegeven. Samen gingen we op gesprek. Dat was in Twello, in een oude fabriekshal van Veldhoen aan de stationsweg. In deze hal werden rekwisieten gemaakt en voorwerpen die nodig waren voor de filmopnamen opgeslagen. Ik werd aangenomen en ging twee dagen later met het openbaarvervoer en de buurman terug naar Twello. Daar kregen we originele kleding uit die tijd ‘aangemeten’.

Herman Remmelenkamp in het Bergkwartier, waar bij 50 jaar geleden figurant was in A Bridge Too Far.

Een werkdag begon samen met buurman Bart met de bus naar Twello, dan koffiedrinken bij een bevriende figurant die in de stationsstraat woonde en vervolgens naar de fabriekshal. De kleding die we droegen werd iedere draaidag ingeleverd zodat je de volgende dag je kloffie kon ophalen. Ik kan me niet herinneren dat ik geschminkt werd. Wel dat onze haardracht zo nodig werd gekortwiekt. Sommigen werden wel gegrimeerd. Bijvoorbeeld als iemand een gewonde soldaat moest spelen. Dan met z’n allen (ik schat zo’n man of veertig in een bus) naar de set.

De eerste opnamen waren op het Bergschild in het Bergkwartier te Deventer. Ik moest als soldaat ‘gewoon’ op straat liggen.  Door een megafoon kregen we aanwijzingen: ‘stilte’, dan een klapbord en ‘action’. Die opnames gingen wel vier of vijf keer over. Geen idee waarom. Er werd niet uitgelegd waarom een scène over moest.

Om ons heen gebeurde van alles. Veel camera’s, geluidsmensen, ontzettend veel felle lampen en rook, ontzettend veel rook. Wij hadden van te voren instructies gekregen om niet te veel te bewegen en je VOORAL niet laten afleiden door de ‘echte’ acteurs. Ik keek best wel veel om mij heen, maar heb nooit commentaar gehad. Ik deed het binnen de perken. Ik denk dat we op mijn eerste draaidag wel zes uur op de set aanwezig waren. Het bestond vooral uit wachten, wachten en overdoen. Voor eten en drinken werd gezorgd. Ik herinner me vooral de gebakjes van een bekende Deventer bakkerij. Die moet aan de film goed hebben verdiend! Ik heb gehoord dat de Gemeente Deventer bedongen had dat eten en drinken bij de Deventer middenstand moest worden ingekocht.

Er waren opnames in Deventer, Schalkhaar, de Ginkelse heide en ook op de brug zelf. De opnames op de brug waren voor mij het meest bijzondere. De jeep die van de brug af rijdt. Dat de panoramaflat/schippersflat niet in beeld komt! Zou er gesjoemeld zijn met de opnames? Ook die huizen die naast de brug gebouwd waren: prachtig! De rook die daar was; bijzonder om te zien. Er werd veel geschreeuwd, iemand had z’n zonnebril nog op. Dat mocht dus niet.

Ook op landgoed Het Schol aan de Wilpsedijk. Dat moest Hotel Hartenstein in Oosterbeek voorstellen. Daartoe hadden ze het uitgebrande landhuis van binnen en buiten prachtig opgeknapt. Alleen er zat geen dak op…… Je keek zo de heldere hemel in. Soms kon je ergens even rustig rondkijken hoe een scène werd voorbereid. Het gekerm van de geschminkte en gewonde ‘soldaten’. Al die bommen en granaten die ontploften; veel herrie maar het was gewoon kurk met aarde wat er door de lucht vloog.

Dan die opname toen we langs het Overijssels Kanaal liepen te marcheren. Opeens riep de regisseur: “cut!”. Bleek één van de figuranten een modern polshorloge te dragen en dat schitterde in het zonlicht. Hij kreeg een fikse uitbrander en de opname moest over. Dat ging niet meteen, want licht, geluid en camera’s moeten op nieuw worden ingesteld en dat betekende weer eindeloos wachten. Ondertussen werden wij wel van veel Engelse thee en slappe koffie voorzien, samen met dat lekkere gebak.

Ik heb de film 1 x gezien op TV. Ik heb mezelf niet herkend. Toen vond ik er eigenlijk niets aan. Ik dacht: heb ik hieraan meegewerkt?  De locaties zijn voor mij herkenbaar. Er wordt heel weinig ingezoomd op ons als figuranten. Het gaat om de hoofdrolspelers: Robert Redford, Ryan O’ Neal, Sean Connery en anderen. Ik heb daar geen foto’s van. Toen had je nog geen mobieltje om foto’s te maken en een fototoestel meenemen was lastig, want dat kon je kwijtraken.

 

Tijdens de opname had ik een heel ander gevoel: Wat leuk dat ik aan een film meedoe, welke beroemdheid loopt hier nu weer rond? Je bent jong, het is spannend. Waar gaan we nu heen, wat gaat er nu gebeuren? Ik heb nooit gehad: ik stop hiermee, ik vind er niks aan. Vond het altijd wel leuk. Het was een bijzondere ervaring die ik niet had willen missen! Jammer dat ik de verdiensten niet helemaal mocht houden. Ik heb het altijd netjes opgegeven. Er werd verteld dat er een lijst met namen van figuranten aan de sociale dienst werd doorgegeven. Of dat echt gebeurd is? Geen idee, maar ik had deze periode voor geen geld willen missen.”

Bekijk hieronder de betreffende scène die is opgenomen in het Bergkwartier:

 

Fotografie:
Viorica Cernica (portretfoto Herman Remmelenkamp) | Beeldarchief Gilde Deventer (archiefbeeld)

Zie ook: www.abridgetoofar.nl

 

Frederik Petzoldt is één van de maar liefst 100 Deventenaren die door het Deventer Portretatelier zijn geportretteerd voor de tentoonstelling Deventer Koppen. Frederik is altijd op zoek naar uitdagingen, maar leeft juist ook in het moment, in het nu. ‘Je kunt een plan maken, maar morgen kan dat al irrelevant zijn.’

Opgegroeid in de grote stad, Rotterdam, bij ouders uit de theater en kunstwereld, is Frederik lang zoekend geweest naar zijn eigen artistieke bestemming. Striptekenaar, gitarist of fluitist? Hij vond zijn passie en beroep als DJ Socrates. ‘Ik vind het fantastisch om met de muzieksets die ik maak verhalen te vertellen,’ zegt Frederik. ‘Het zijn eigenlijk een soort muzieklandschappen die ik ontwerp. Ik plak geen muzieknummers aan elkaar, maar maak muzieksets van een paar uur waardoor mensen in beweging komen. Dat kan bijvoorbeeld op een festival zijn, maar ik draai ook op bruiloften. Per gelegenheid kies ik allerlei soorten (wereld)muziek uit of ik probeer uit wat ik toevallig nieuw heb gevonden aan muziek.’

Zijn werk als DJ brengt hem, vanuit zijn huidige thuisbasis Deventer, door het hele land. Dat Deventer zijn thuisbasis werd, lag niet voor de hand. Leven in het moment betekent dat hij zijn hele leven op heel veel verschillende plekken woonde, in de meeste gevallen kraak of antikraak. Van Rotterdam tot Edam. Na een periode van maanden of jaren liet hij zijn woonplek altijd weer los. Onthechten en op zoek naar iets nieuws. ‘Dat past bij mij, het houdt mij creatief en net als Socrates blijf ik dan altijd vragen stellen en nieuwe dingen ontdekken, om niet te snel op een eindstation aan te komen. Ik ben eigenlijk heel melancholisch en behoudend, maar ik voel dat het goed is om mijzelf te blijven trainen. Als je hongerig blijft en regelmatig uit je comfortzone stapt, blijf je leven.’

Frederik is even stil en zegt dan: ‘Mijn grootste verlies is het verlies van mijn vader, een paar jaar geleden. Dat was zo’n enorme klap. Maar het heeft mij ook geleerd om het leven te accepteren zoals het is, je moet rouwen maar ook open blijven staan voor nieuwe dingen. Dat kan naast elkaar bestaan.’

‘Het voelt alsof er hier meer tijd is’

 

Deventer als woonstad diende zich anderhalf jaar geleden aan, een volkomen onbekende plek voor Frederik en zijn vriendin. ‘Deventer doet wel iets met mij,’ zegt hij, ‘het is knus en veilig. Het is niet zo hard en vluchtig als Amsterdam. De mensen zijn vriendelijk en geïnteresseerd. Heeft prachtige natuur. Het voelt alsof er hier meer tijd is. Het is een fijne plek en tegelijkertijd heeft Deventer genoeg te bieden voor mijn artistieke ziel.’

Zo kort in Deventer en nu al vereeuwigd door drie kunstenaars, hoe kwam dat zo? ‘Ik woonde pas net in Deventer en was alle mooie plekjes in de natuur aan het ontdekken. Bij de begraafplaats Tjoenerhof kwam ik Claar van Leent, van Het Deventer Portretatelier tegen. We raakten aan de praat over de specht die ik met mijn kijker aan het volgen was. Zoals het vaker met onverwachte ontmoetingen gaat, hadden we een superleuk gesprek dat eindigde met een uitnodiging om te poseren. Dat vond ik heel bijzonder, dat er zomaar drie mensen een paar uur lang naar jou kijken.’

Over de vraag wat hij van het resultaat vond moet Frederik even nadenken. ‘Ik heb de werken al lang niet meer gezien. Ik kan mij niet herinneren dat een van de drie er echt uitsprong of dat ik mij in een van de drie helemaal herkende. Wat ik juist heel bijzonder vond, is dat alle drie de schilderijen een ander aspect van mij laten zien. Ik zag in alle drie een andere blik van mijzelf. De schilderijen laten iets van mij zien dat de kunstenaar zag en de kunstenaar voegt er ook altijd iets van zichzelf aan toe. In die zin zijn het alle drie spiegels van de kunstenaar en van mij. En dat geheel raakte mij.’

Wat heb je in Deventer nog meer ontdekt? Frederiks ogen gaan glimmen en hij raakt niet uitgepraat: ‘Het parkje bij de Zandwetering! Dat is bijzonder, ik zag er laatst een ijsvogeltje. Het is een heel klein parkje, maar er is van alles te zien, iedere dag is weer anders. Als mensen bij mij op bezoek komen, neem ik ze altijd mee naar Klooster Nieuw Sion. Dat is ook zo’n fijne plek om gewoon te zijn en de rust te ervaren. Of de biologische markt, ik noem het altijd de teen van de markt, een klein hoekje op de zaterdagmarkt waar een fijne sfeer hangt en leuke mensen werken. Daar haal ik altijd mijn boodschappen voor de hele week. En niet te vergeten, Komma, een nieuwe plek in de Golstraat. Niet commercieel, maar gewoon een plek waar je een boek kunt lezen en een kop lekkere koffie kunt krijgen.’

Frederik denkt even na. ‘Ja, wat ik natuurlijk niet mag vergeten, de Bergkerk, één van de oudste gebouwen van Deventer. Wat is dat een magische locatie, met al zijn historie. Maar ook met alle nieuwe dingen die er nu in het gebouw plaatsvinden. Alsof de tijd daar stil staat, maar ook weer helemaal in beweging is. Precies het tempo dat Deventer zo fijn maakt.’

Na zoveel enthousiasme blijft er nog één brandende vraag over voor Frederik: Blijf je in Deventer? Hij begint zachtjes te lachen en zegt enigszins mysterieus: ‘Als ik ergens zou willen blijven, en dat moment zou zo maar ineens nu kunnen zijn, dan zou dat heel goed in Deventer kunnen zijn.’

 

Expositie Deventer Koppen
100 portretten van 0 tot 99 jaar

De expositie Deventer Koppen is een initiatief van het Deventer Portretatelier, bestaande Chrétien Goos, Wendy Rutgers en Claar van Leent, die ieder met hun unieke eigen stijl stadsgenoten in beeld brengen. Niet minder dan 100 Deventenaren zaten model in het atelier, en werden soms door één, soms door twee of zelfs alle drie de kunstenaars tegelijk geportretteerd. Dit levert een boeiend kijkje op: hoe lijken we op elkaar en hoe verschillen we? Hoe zien verschillende kunstenaars dezelfde mens? En wat is het effect van verschillende kunstenaarstechnieken?

De expositie is te zien vanaf woensdag 1 april tot zaterdag 2 mei in de Bibliotheek Centrum en gratis toegankelijk tijdens de openingstijden van de Bibliotheek Centrum.

Coosje Sinke is één van de maar liefst 100 Deventenaren die door het Deventer Portretatelier zijn geportretteerd voor de tentoonstelling Deventer Koppen. De 15-jarig scholier uit Diepenveen voelt zich thuis in Deventer, maar ziet nog wel verbeterpunten voor de Deventer winkelstraten. ‘Meer fair fashion en minder fast fashion!’

‘Het voelde wel een beetje gek om zo lang aangestaard te worden,’ zegt Coosje, terugkijkend op de uren waarin ze model stond voor de portretschilders Chrétien Goos, Wendy Rutgers en Claar van Leent. ‘Tegelijkertijd voelde het vertrouwd om geportretteerd te worden door Claar. Zij is namelijk een bekende in ons gezin, eigenlijk al vanaf het moment dat ik werd geboren. Claar was destijds de oppas van mijn oudere broers en in de loop van tijd is ze bij de familie betrokken gebleven.’

 

Coosje poseert in het atelier.

 

Het portret dat Claar van haar maakte, is te zien op de expositie. Coosje vindt het portret erg mooi geworden. Vooral omdat ze erg van kleur houdt en dat zit volop in het schilderij. ‘Ik herken mezelf wel in het portret, ook al ben ik me ervan bewust dat het een ander beeld van mezelf laat zien, omdat het een schilderij is. De techniek die Claar heeft gebruikt, vind ik erg mooi. Vooral omdat ze paars en roze heeft gebruikt . Dat vind ik ongebruikelijk en bijzonder.’

Opvallend aan het schilderij is haar dromerige blik. ‘Dat is niet zo vreemd,’ zegt Coosje. ‘Als je drie uur heel stil moet zitten, word je vanzelf een beetje dromerig. Ik zou het portret zeker thuis ophangen als ik de kans kreeg. Of ik zou het aan mijn oma geven. Bij mij thuis hangt al aantal portretten van mijzelf met mijn broers. Ik weet zeker dat ik mijn oma er een groot plezier mee doe, ook omdat mijn opa ook schilderde.’

 

‘Mopperen over het feit dat Diepenveen
niet bij Deventer hoort, vind ik onzin’

 

Coosje zit op het Vlier in 4 havo, ze volgt hier de richting Economie en Maatschappij. ‘Ik wil later graag iets met mode of met architectuur gaan doen.’ Het ontwikkelen van haar creatieve kant begon al vroeg. ‘Ik maakte regelmatig fietstochtjes met Claar. We stopten dan onderweg om schetsjes te maken van de dingen om ons heen. Thuis werkten we die dan uit.’

Coosje is geboren in Diepenveen waar ze nog altijd woont. Ze heeft het hier erg naar haar zin en geniet van de natuur die dichtbij is, zowel in het bos als aan de IJssel. ‘Ik geniet erg van de rust en vind het fijn dat mensen in het dorp elkaar kennen.’ Mopperen over het feit dat Diepenveen niet bij Deventer hoort, vind ik onzin. Ik begrijp echt niet waarom mensen daar zo’n punt van maken. Ze vertoeft dan ook met net zoveel plezier in de dorpse sfeer van Diepenveen als in Deventer stad.

Hoe kijkt ze als toekomstig architect tegen de stad aan? ‘De binnenstad vind ik prachtig, vanwege de mooie oude huizen die er na al die eeuwen nog steeds staan.’ Ze waardeert de historische waarde ervan. ‘Het maakt de binnenstad fraai en gezellig.’ De architectuur is volgens Coosje echter niet in balans, want naast het “oud ” is er bijna geen moderne architectuur te vinden. ‘En dat zou wel moeten.’

 

Regelmatig gaat Coosje met vriendinnen in de binnenstad shoppen. Maar het winkelaanbod voor jongeren is volgens haar allesbehalve interessant. Hier raken we een zeer maatschappijkritisch punt. Coosje is uitgesproken over het gebrek aan kennis van de doorsnee consument ten aanzien van de productie van fast fashion-kleding. ‘Ik vind het onbegrijpelijk dat mensen niet beseffen dat als iets is gemaakt door kleine kinderen, het niet goed is om te kopen. Ik stoor me dan ook aan het grote aanbod fast fashion-winkels en zou willen dat er, ook in Deventer, veel minder van dit soort winkels in het straatbeeld zouden zijn. Er zouden veel meer vintagewinkels moeten komen die goede, betaalbare merkkleding verkopen. Deventer heeft alleen maar Cream. Dat is één winkel. Voor goede zaken zoals de Kilo Kilo Vintage, die vanuit een duurzaam oogmerk en sociale verantwoordelijkheid ondernemen, moet je nu nog helemaal naar Utrecht of Amsterdam.’

‘Fair fashion is wel een stuk duurder,’ zegt Coosje. ‘En veel tieners hebben meestal niet zoveel budget.’ Toch probeert ze haar eigen koopgedrag aan te passen, door zich zo weinig mogelijk te laten verleiden door de fast fashion-industrie. Ook al is dat moeilijk. ‘Ik probeer mijn vrienden te zeggen geen bestellingen te doen bij Chinese budgetwinkels. Ook zeg ik dat je op Tik Tok niet meteen op de koopknop hoeft te klikken, als je iets ziet dat trending is.’ Ze gelooft dat haar advies aankomt bij haar vrienden en dat dit ook uiteindelijk effect zal hebben op hun koopgedrag. ‘Als een vriend zoiets tegen je zegt dan neem je dat serieus’, aldus Coosje.

Coosje is creatief met kleding. ‘Ik vind het leuk om oudere kleding die niet meer in de mode is, zo aan te passen dat het weer leuk en draagbaar is. Ik kom daarom graag in vintagewinkels waar ze vaak goede merkkleding verkopen die ik graag draag, of gemakkelijk te vermaken is.’ Het feit dat ze al goed overweg kan met de naaimachine komt haar daarbij goed van pas.

Als ze de middelbare school heeft afgerond zou ze graag een tijdje naar Australië gaan. ‘Wat mij trekt in Australië is de natuur, het weer, de dieren en de leefomgeving. Het liefst zou ik alleen reizen. Met een vriendin reizen is ook leuk, maar ik denk dat als je samen reist je minder leert en minder ziet. Als je alleen gaat, trek je je eigen plan. En als iets misgaat, bedenk je zelf een oplossing. Ik kom onderweg vast genoeg mensen tegen om ervaringen mee te delen.’

Ondanks de kritische noten ten aanzien van Deventer stad heeft ze het hier erg naar haar zin. Coosje heeft geen specifieke plekken waar ze aan gehecht is maar de IJssel is een bron van plezier. ‘Ik zeil al vanaf mijn achtste jaar op de zijarm van de IJssel en het is een heel leuke plek om in de zomer met mijn vriendinnen te zitten. Ik zou wel in en andere stad kunnen aarden, maar hier in Diepenveen heb ik mijn leven opgebouwd. En hier wonen mijn familie en vrienden. Ik vind het fijn om na een lange dag weer in Diepenveen aan te komen, waar ik alles wat ik die dag heb meegemaakt van me af kan laten glijden. Dat is voor mij echt
thuiskomen.’

 

 

Expositie Deventer Koppen
100 portretten van 0 tot 99 jaar

De expositie Deventer Koppen is een initiatief van het
Deventer Portretatelier, bestaande Chrétien Goos, Wendy Rutgers en Claar van Leent, die ieder met hun unieke eigen stijl stadsgenoten in beeld brengen. Niet minder dan 100 Deventenaren zaten model in het atelier, en werden soms door één, soms door twee of zelfs alle drie de kunstenaars tegelijk geportretteerd. Dit levert een boeiend kijkje op: hoe lijken we op elkaar en hoe verschillen we? Hoe zien verschillende kunstenaars dezelfde mens? En wat is het effect van verschillende kunstenaarstechnieken?

De expositie is te zien vanaf woensdag 1 april tot zaterdag 2 mei in de Bibliotheek Centrum en gratis toegankelijk tijdens de openingstijden van de Bibliotheek Centrum.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ids Zandleven is één van de maar liefst 100 Deventenaren die door het Deventer Portretatelier zijn geportretteerd voor de tentoonstelling Deventer Koppen. De liefde bracht hem naar Deventer. Na tien mooie jaren op het Pothoofd is hij onlangs verhuisd naar een woonzorgcomplex. ‘Het uitzicht ga ik missen.’

Op een avond loop ik met mijn geliefde, Ria over de Brink. Ineens is daar het besef: wat een sfeer in deze stad. Ik richt me tot haar en meld dat ik heel graag hier wil gaan wonen. Het blijkt een gezamenlijk verlangen! In 2016 zijn we naar Deventer verhuisd, naar deze plek op het Pothoofd.

Ids heeft een leven achter de rug in Eindhoven, toen volop een Philips-stad. Gestudeerd aan de TU Eindhoven: wiskunde. Voor die tijd al vier jaar bij Philips in Hilversum gewerkt. Hij ontmoette daar een vrouw die wiskundig ingenieur was. “Dat wil ik ook,”, zei hij tegen zijn baas. “Maar kan ik dat?” Door de bevestiging van de baas heeft hij het aangedurfd. Zijn ouders hadden de middelen niet voor een universitaire studie. Gelukkig kreeg hij een beurs. De studie ging vlot. Samen met een vriend, als oudere studenten, meer gemotiveerd. Na de studie werkte hij in dezelfde stad voor Philips als ICT’er  ten behoeve van de interne automatisering van het bedrijf in binnen- en buitenland. Dat bracht hem veel reizen naar plaatsen als New York, Londen, Parijs, Milaan, Barcelona. Enorm genoten van deze tijd. In 2002 ging hij met pensioen.


Van Eindhoven naar Deventer

‘Mijn vrouw Carla en ik, hadden twee kinderen. In 2009 kreeg zij de diagnose: borstkanker. Daarna leefde ze nog slechts drie weken. We waren bijna 40 jaar samen. Je kunt je wellicht voorstellen dat ik een tijd flink van de kaart ben geweest. Op haar ziekbed heeft ze me op het hart gedrukt niet alleen te blijven. Korte tijd later ben ik via een datingsite Ria Snoek, uit Deventer tegengekomen. We hebben veel overeenkomsten. Zij is goed met zoeken op internet; had ze nodig voor haar werk als bibliothecaris in de bibliotheek Deventer. Dat sprak mij aan. Ze heeft projecten gedaan om mensen te leren hoe met internet om te gaan en wat de gevaren zijn. In 2010 ben ik met Ria gaan samenwonen. Mijn leven veranderde totaal. Eindhoven achterlaten voelde als mijn vrouw achterlaten. Dat raakt me nog steeds, een gevoelige plek, nu jij dat zo vraagt.’

Uitzicht op de IJssel
“Na een jaar vonden we een mooie bungalow in Olst, een kasteeltje. Prachtige plek maar een dorp met nog niet eens een café. Onze gezamenlijke interesse in cultuur, musea etc… bracht  ons bij een bijeenkomst van theaters Olst/Wijhe. Samen zijn we daar actief geworden; ik als penningmeester. Zoals ik al vertelde was het ineens raak: de stad Deventer trok ons aan. We vonden een appartement aan het Pothoofd. Ik was meteen verkocht door het geweldige uitzicht op de IJssel. In 2016 zijn we daar naartoe verhuisd.’

Doorgang onder de brug
‘Mijn liefde voor Deventer? Mijn eerste indruk was dat Deventer past in mijn rij van mooie, authentieke, Nederlandse steden. In Leeuwarden geboren: mooi oud centrum, in Utrecht op bezoek bij mijn vader, in Alkmaar, mijn HBS gedaan. Nu leven in Deventer: het oude, authentieke spreekt me enorm aan. De Brink is als een persoon met alle levendigheid, de IJssel een levend wezen. Iedere ochtend kijk ik; iedere ochtend weer anders, hoogte, stroom, lucht. 944 meter van de bron van de Rijn. De wiskundige in mij kijkt ook naar de doorgang onder de brug: nu 11 meter. Dat houd ik bij.”

Stad met een ziel
‘Interessante plekken: gebouwen rondom de Brink, het oudste stenen huis aan de Sandrasteeg, Het Bergkwartier: deze plekken stralen een historisch wezen uit. Deventer, een stad met een ziel. Van Olst, een dorp zonder café, naar Deventer, een stad vol cultuur en kunst. We gaan veel uit naar de Schouwburg en filmhuis Mimik. We gaan ook regelmatig uit eten. Ria is onze aanvoerster. Zij was al lid van Deventer literair; door haar enthousiasme ben ik ook meteen lid geworden. Zo ook van de Historische Vereniging Deventer. We zijn toegetreden tot de Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900; ook bij deze club penningmeester geworden.  Ik weet van wanten. Het reilen en zeilen van geld heeft altijd mijn interesse gehad.’

Trots
“Waar ik trots op ben is het digitale JAZ-museum met het werk van Jan Adam Zandleven 1868-1923, mijn oudoom. Het feit dat hij in 2023, 100 jaar geleden overleed, hebben wij aangegrepen om een boek over hem te schrijven. Op initiatief en geschreven door Ria; op basis van brieven en onderzoek in archieven door het land. Dat deden we samen. Midden 2023 is het boek: Zandleven en Zoon, bij Praamstra gepresenteerd. Vervolgens in Rhenen, waar zijn graf is, hebben we een tentoonstelling georganiseerd. Daar hangt ook een van zijn beste werken, nagelaten aan de gemeente Rhenen.’


Laatste fase

Nu een nieuwe fase in zijn leven: de laatste fase. Hij is mantelzorger voor Ria geworden. Onlangs is zij gevallen; ze had al een kwetsbare rug. Samen hebben ze besloten om naar Nieuw Rollecate een woonzorgcomplex, te verhuizen. Tijdens dit interview zitten we in hun kamer met boeken op de grond, de vleugel van Ids zojuist verkocht. Die zal helaas niet mee kunnen naar Rollecate. Gelukkig is daar wel een piano, want muziek blijft voor Ids een belangrijke invulling van zijn leven.

Wat denk je dat je het meest gaat missen na je verhuizing?
‘Dit! Hij wijst naar buiten naar de IJssel. Ik heb een prachtige rode lucht van dit uitzicht als screensaver. Ik ben altijd bezig geweest met veranderen. Dat kan ik goed. Maar, als verandering een verslechtering inhoudt; dat is een andere zaak. Een traantje laten bij het afscheid? Wel als jij zulke vragen stelt. Voordeel van Nieuw Rollecate: ik hoef niets meer te doen in de zorg.’

Toen ik als interviewer de vraag kreeg met Ids dit gesprek aan te gaan, werd me een summiere beschrijving gegeven: man in pak tot 2002, kort haar, nu een soort hippie met een bos grijze krullen. Als ik dit beeld aan Ids voorleg, moet hij hartelijk lachen. Ja, Ria vroeg me meteen mijn haar te laten groeien. Die pakken dat was een soort Philips-uniform. Nu 15 jaar later kijken mensen ook anders naar me. Ria ziet me niet als een hippie, hoor.’

In de bibliotheek van Colmschate werd hem door Wendy gevraagd of ze hem mocht tekenen. Een tijdje later belde ze of hij geportretteerd wilde worden voor de tentoonstelling in de Bibliotheek. Ik vond het best. Doe ze graag een plezier. Het portret door Chrétien Goos geschilderd spreekt mij het meeste aan.

 

 

 

Expositie Deventer Koppen
100 portretten van 0 tot 99 jaar

De expositie Deventer Koppen is een initiatief van het Deventer Portretatelier, bestaande Chrétien Goos, Wendy Rutgers en Claar van Leent, die ieder met hun unieke eigen stijl stadsgenoten in beeld brengen. Niet minder dan 100 Deventenaren zaten model in het atelier, en werden soms door één, soms door twee of zelfs alle drie de kunstenaars tegelijk geportretteerd. Dit levert een boeiend kijkje op: hoe lijken we op elkaar en hoe verschillen we? Hoe zien verschillende kunstenaars dezelfde mens? En wat is het effect van verschillende kunstenaarstechnieken?

De expositie is te zien vanaf woensdag 1 april tot zaterdag 2 mei in de Bibliotheek Centrum en gratis toegankelijk tijdens de openingstijden van de Bibliotheek Centrum.

 

 

 

 

Pierre Malan is één van de maar liefst 100 Deventenaren die door het Deventer Portretatelier zijn geportretteerd voor de tentoonstelling Deventer Koppen. Pierre kwam dertig jaar geleden vanuit Ivoorkust naar Deventer, keerde terug naar Afrika om vervolgens weer naar Deventer te verhuizen. ‘Af en toe mis ik Ivoorkust wel.’

‘Ik ben in Afrika geboren. In Ivoorkust aan de westkant van Afrika. Ik ben hier ongeveer dertig jaar geleden terechtgekomen. Ik was op doorreis in Europa. Europa ontdekken. Dus ik ben overal geweest: Frankrijk, Duitsland, Spanje, België. Ik heb toen iemand ontmoet, een Franse man in zaken en die heeft mij hierheen gebracht. Hij zei: “Ik heb iets wat we kunnen doen met Afrika. Wij kunnen iets opzetten en met Afrika iets doen.” Ja, zo ben ik eigenlijk hier gekomen. Het is niets geworden. Wij zijn wel begonnen, maar later bleek dat ik werd opgelicht. Mijn geld werd helemaal weggesluisd. Nou oké. Het is mislukt, ik was het geld kwijt. Ik was van plan om terug te gaan. Maar er was reden die me heeft gedwongen om hier te blijven. Die reden was liefde. Toen heb ik mijn ex leren kennen.’

‘Ik heb bijna een jaar in een naaiatelier gewerkt in Best. Ik kwam in Deventer op bezoek bij landgenoten. Wij hadden hier een plek waar we eens in de twee weken bij elkaar kwamen om te dansen. Daar heb ik mijn vrouw leren kennen. Kort daarna is ze zwanger geworden. Toen dacht ik van oké, daar ga ik niet voor weglopen. Dan ga ik niet meer terug naar Afrika, dan blijf ik bij haar, want zij is zwanger van mij. En toen zijn we gaan trouwen. Op dat moment was ik legaal, ik had papieren, dus ik heb snel werk gevonden. In Brummen, als beheerder van een AZC. Ik heb het centrum vijf jaar gerund. En na vijf jaar dachten we oké, nu heb we genoeg gespaard. Nu ga ik toch mijn droom waarmaken: terug naar Ivoorkust. Mijn vrouw wilde ook graag mee. We hadden op dat moment twee kinderen: mijn zoon, die is hier in het ziekenhuis geboren en mijn oudste dochter in Brummen. En toen zijn we daarheen verhuisd.’

‘Het was een avontuur. We hebben daar een huis gebouwd. We hebben daar kleine dingen opgezet: een transportbedrijf, een internetcafé, een taxibedrijf. Het ging goed. Mijn schoonouders zijn een paar maanden bij ons geweest. We waren van plan ook iets voor hen te bouwen, een huisje naast onze woning. Maar toen kwam de oorlog in Ivoorkust en moesten wij vluchten. Dus voor de tweede keer moest ik mijn land verlaten. Met mijn vrouw en twee kinderen. Mijn vrouw was zes maanden zwanger. Toen kwamen we in Lochem terecht bij mijn schoonouders, die hebben voor ons een huisje gehuurd op het park. We hebben daar een maand of twee gezeten. Dat was In 2005, denk ik.’

‘Daarna zijn we in Deventer komen wonen. Kort daarna heb ik werk gevonden. Ik heb van alles gedaan want ik had een vrouw en kinderen.. Voor mij was het niet zo belangrijk wat ik deed. Ik moest wel. Zaten wij hier met z’n vieren met een nieuwe baby erbij. En toen kreeg ik vast werk. Ik werk bij Nefit, Nefit Industrial. Toen kwam de laatste baby, dat is ook een meisje. Het ging helemaal goed. We hadden het naar ons zin. Tot de scheiding.’

‘Ik ben hier wel gebleven, want we hebben vier kinderen samen en dan loop je niet weg. Ook al lukt het niet met z’n tweeën, je hebt een verantwoording naar de kinderen toe. Dus ik ben bij de kinderen gebleven, ook al zijn ze nu allemaal volwassen. Mijn zoon woont bij mij en de dochters wonen in bij de moeder. Mijn ex woont ook nog steeds in Deventer, dus we zijn allemaal bij elkaar, we zien elkaar, we hebben goed contact. Mijn jongste dochter komt vandaag eten.’

 

‘Af en toe wel mis ik Ivoorkust wel. Ja, ik bedoel ik heb hier ook geen familie. Dan mis je een beetje de interactie met mensen die bepaalde dingen goed kunnen begrijpen, omdat zij hetzelfde denken. Maar ik mis het niet zodanig dat ik kan zeggen ik heb heimwee, ik wil terug, nee dat niet. Ik heb het hier naar mijn zin. Dit is een hele fijne stad. Ik ken heel veel mensen, ik zit bij een club waar we heel veel activiteiten doen. Die heet Club, gewoon Club. En daar organiseren ze etentjes en uitjes in de stad of buiten de stad, wandelingen.’

‘De stad Deventer is rijk aan leuke dingen: de straatjes, de cafés, de markt, ja, het water waar ik heel vaak ga zitten, mooie paden waar je kan wandelen. Ik loop heel veel. We gaan met een grote groep twee keer per maand op zaterdag lopen, van de ene brug naar de andere. En dan gaan we ergens wat drinken, wat eten. Ik vind Deventer echt een leuke stad. Het ligt mooi. Je kunt overal naar toe. Ik ga hier niet weg.’

 

Expositie Deventer Koppen
100 portretten van 0 tot 99 jaar

De expositie Deventer Koppen is een initiatief van het Deventer Portretatelier, bestaande Chrétien Goos, Wendy Rutgers en Claar van Leent, die ieder met hun unieke eigen stijl stadsgenoten in beeld brengen. Niet minder dan 100 Deventenaren zaten model in het atelier, en werden soms door één, soms door twee of zelfs alle drie de kunstenaars tegelijk geportretteerd. Dit levert een boeiend kijkje op: hoe lijken we op elkaar en hoe verschillen we? Hoe zien verschillende kunstenaars dezelfde mens? En wat is het effect van verschillende kunstenaarstechnieken?

De expositie is te zien vanaf woensdag 1 april tot zaterdag 2 mei in de Bibliotheek Centrum en gratis toegankelijk tijdens de openingstijden van de Bibliotheek Centrum.

Ook rondom Deventer werden in 1976 opnames voor A Bridge Too Far gemaakt. De schuur van de boerderij en het erf van de familie Achtereekte in Diepenveen bleek in trek als veldhospitaal. Marijke Achtereekte was destijds zeventien en heeft alles van dichtbij meegemaakt. ‘Je kon de acteurs bijna aanraken.’

“Men zocht een boerderij met een ruim, niet verhard, erf in een bosrijke omgeving en een veldschuur. Zo kwam de filmcrew bij ons terecht. Er werd een contract opgesteld met een financiële vergoeding en er werd een verzekering afgesloten. Het hondenhok moest verplaatst worden en Bruno, onze hond kreeg dus een mooi nieuw hok. Mijn vader kon de dagen van de opnames gewoon zijn bedrijf uitoefenen. Hij deed dit ’s morgens al vroeg. Zo kon hij daarna van de opnames en alles er omheen genieten. Hij had zo een beetje vakantie.

Twee weken voor de opnames begon de opbouw van de locatie. Mijn vader had de veldschuur leeggehaald en de machines tijdelijk in de openlucht geplaatst. Ook de achterzijde van de boerderij kreeg een houten en oude uitstraling. Tussen de boerderij en de veldschuur lagen soldaten die voor een filmopname deden alsof ze dood waren.

Op donderdag 5 mei 1976 waren de daadwerkelijke opnames, die twee dagen duurden. De opnames waren op het erf, waar dus jeeps met gewonden van de zandweg kwamen aanrijden. Zij werden het veldhospitaal binnengebracht, dit bevond zich in de schuur, om daar geopereerd te worden. Daar speelde Arthur Hill de chirurg.

Ook James Caan, Sean Connery en Nicholas Campell waren op de set aanwezig. Zij waren heel benaderbaar, een handtekening had je zo, van beveiliging was geen sprake. In het weiland naast de boerderij stonden caravans voor directie en hoofdrolspelers. Ook bevond zich daar de catering. Tijdens de opnames moest iedereen heel stil zijn. Toch hoorde je later in de film de hond en een koe, zij hielden zich niet aan die regel.

Tijdens de opnames heb ik foto’s gemaakt, ik ben zelfs met een ladder bovenop een schuur geklommen, dat was vrij hoog. Je had daar een mooi overzicht over de opnames. Sommige filmopnames moesten verschillende keren over, later begreep ik waarom. Ook stonden er grote witte schermen, die vingen de felle zon op en kaatsten het terug. Bij te weinig licht werd fosfor verbrand, dat zorgde voor extra licht.

In het weiland bevond zich ook de catering voor crew en figuranten. Mijn moeder wilde de eerste dag voor ons koken, maar dat hoefde niet want wij mochten de hele dag bij de catering eten. Ik herinner me vooral veel puddingbroodjes. Er waren drie Engelse jongens die er de gehele twee weken bleven, ook ’s nachts als bewaking van de spullen. Met hen probeerde we met hand-en-voeten-Engels te praten.

 

Ook kwamen vriendjes, vriendinnetjes en familieleden natuurlijk een kijkje nemen. Zij konden via een soort bosweggetje bij ons huis komen, het erf en zandweg waren in gebruik. Zo kwamen ook mijn opa en oma op een dag op bezoek, de ouders van mijn moeder. Zij hebben de oorlog heel bewust meegemaakt, evenals mijn moeder. Mijn grootouders waren al behoorlijk op leeftijd maar juist deze dag was Richard Attenborough aanwezig op de set en hij heeft nog even, via een tolk. met hen gepraat. Ook ging hij met hen op de foto.

Het thema oorlog was in ons gezin amper onderwerp van gesprek. Ik weet dat mijn vader in de oorlog is opgepakt en te werk is gezet in Duitsland, om bij boeren te werken, waarvan de zoon als soldaat weg was. Maar over deze hele nare ervaring, sprak hij zelden.

 

 

Er was voor ons en waarschijnlijk voor de meesten geen voorvertoning toen de film uitkwam. We zijn toen met het hele gezin van tien personen naar de film geweest in Deventer. Mijn ouders waren nog nooit in een bioscoop geweest, alleen dat was al iets. Zij waren natuurlijk, net als wij, trots en vol verwachting of en hoe de boerderij in beeld kwam. Dat viel toch wel tegen, maar ja zo gaat dat in een film. Er is wel betaald door de crew, hoeveel weet ik niet, maar toen iedereen weer weg was werd het erf helemaal verhard.

De jaren erna was er geen contact meer met wie dan ook van de crew, alsof er niets gebeurd was. Er zijn ook geen tastbare zaken of memorabilia overgebleven en de gesprekken gingen er niet meer over. Het enige wat hij eraan heeft overgehouden is een mooi verhard erf waar hij nog jaren plezier van heeft gehad. Als de film weer eens werd uitgezonden, belde er wel een van de kinderen “Pa ,De Brug komt weer op t.v.”.

Fotografie:
Viorica Cernica (portretfoto Marijke Achtereekte)
Beeldarchief Gilde Deventer (archiefbeeld)

Honderden figuranten en wereldberoemde acteurs zaten in de kappersstoel van Ad en Jane Peters. Het Deventer kappersduo werkte in 1976 op de set en vanuit hun salon op de Boxbergerweg mee aan de opnames van A Bridge Too Far. ‘We moesten overal bij zijn.’

Ad: ‘In de jaren zeventig deden wij mee aan veel kampioenschappen en waren kampioen van Nederland geworden. Via L’Oréal, waarvoor ik werkte, kwam ik via via in contact met Levine (producer) en Attenborough (regisseur). Wij hadden net, een jaar of twee, onze eerste salon op de Boxbergerweg. Zij hadden spullen en een ruimte nodig. Wij hebben een stuk van de salon, afgeschermd zodat de acteurs vrij zaten van andere klanten.’

Jane: ‘Daar kwamen dus heel veel acteurs voor make up, haren en producten. We waren er maanden hartstikke druk mee. Je krijgt een bepaalde band met die mensen. Soms moesten we ook naar Zutphen voor het maken van opnames en dan weer aan de overkant van de IJssel, bij Het Schol.’

Ad: ‘We moesten overal bij zijn. We waren er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat mee druk. Niet met knippen maar wel om te zorgen dat het haar goed zat. Het kon niet in de ene scène anders zijn dan in de andere, die een minuut later is in de film, maar twee weken later werd opgenomen. Ze werkten met moodboards, hele grote borden waar de foto’s opstonden van de acteurs, zoals ze er uit moesten zien in die scène. Smartphones waren makkelijk geweest maar die had je toen nog niet.’

 

‘Het was elke dag weer spannend wat er gebeurde’

 

Jane ‘Het was elke dag weer spannend wat er gebeurde. Soms hele grote dingen. Bijvoorbeeld de intocht van de geallieerden, hier op de Brink. Daar waren honderden figuranten voor nodig. Die moesten allemaal worden opgeschoren, wat toen niet in de mode was, maar wat wij tegenwoordig weer mooi vinden.’

Ad: ‘Niemand mocht er heel mooi uitzien natuurlijk, want in de film hadden ze vijf jaar oorlog achter de rug. Ik had een stuk of twintig collega’s uit het hele land ingehuurd. In Twello, in een pand van Veldhoen, moest het in relatief korte tijd gebeuren. We begonnen, geloof ik, om 5 uur ’s morgens. En dat ging dan allemaal met bussen naar de Brink. Daar werd voorgedaan hoe ze moesten juichen en zo. Ik vond het ook leuk om Duitsers te doen, die moesten er heel anders uitzien.’

Jane: ‘De grote sterren Liv Ullman, Robert Redford, Sean Connery en James Caan en al die andere waren natuurlijk niet allemaal alle maanden hier, maar alleen de dagen waarin de scènes waarin ze speelden werden opgenomen. Die mensen waren hartstikke leuk. Het spul er omheen waren meestal een beetje nare mensen. Die vonden dat ze ook heel belangrijk waren, maar er eigenlijk niet zoveel toe deden.’

Ad Peters en Liv Ullman op de set van A Bridge Too Far in 1976.

Ad: ‘Deventer heeft goed verdiend, aan die opnames destijds. Zelf was ik met ze overeen gekomen dat wij het alleenrecht hadden op alles wat met haar en make-up te maken. Ik dacht nou, daar kunnen we lekker wat aan verdienen. Elke maandagmorgen zaten ze op het kantoor in waar nu dat Finch-hotel in zit. Dat was vroeger een bankgebouw met een hele grote kluis. Dus iedereen die wat leverde kwam daar met bonnen. Dan ging die kluis open en kwam het geld. Als we wel eens een keer 50 flessen shampoo nodig hadden, maakten we er 500 van. Dat hadden ze niet in de gaten, dus deden we het de volgende keer gewoon weer.’

 

‘We konden met de filmcrew mee naar Amerika, maar daar hebben we vanaf gezien’

 

Jane: ‘Toen ze klaar waren kwamen Levine en Attenborough bij ons en hebben we samen gegeten. Ze zeiden: ‘Wij gaan terug naar Amerika, hebben jullie geen zin om mee te gaan? We beginnen over een maandje met een nieuwe film en dan kunnen jullie weer de haren doen en de make up.’ Nou dat hebben we toen maar niet gedaan. Dan word je van die kapperszigeuners die over de hele wereld heen gaan. En we hadden net onze salon. En om onze ouders deden we het ook niet. Ik heb er geen spijt van gehad, maar dat ze ons vroegen was wel leuk.’

Ad: ‘Natuurlijk heeft het wat betekent voor onze kapperscarrière. In Deventer en omgeving sowieso. Het heeft ons zeker wat gebracht en heeft ons wel goed gedaan. Dus daar waren we ook wel heel erg blij mee.’

Jane: ‘De film is weleens op tv geweest, op Duitsland en ook wel op Nederland, dan weet je exact wat waar was en dan weet je, oh ja, dan komt die acteur zo meteen de hoek om. Maar veel gaat uit je geheugen. Je leefde toen in een grote roes. En we hebben de laatste jaren heel veel voor tv gedaan, en dat is dan toch dichterbij.’

Ad: ‘Ik vond het toen superleuk om ervoor gevraagd te worden en geweldig mooi om te doen. Maar altijd als iets klaar is, is het voor mij ook klaar. Dan komt het volgende. Dat heb ik mijn hele leven eigenlijk altijd gehad.’

Fotografie: Viorica Cernica & Beeldarchief Gilde Deventer

 

 

Leny Stappers heeft levendige herinneringen aan haar deelname als figurant aan de opnames van Een brug te ver. Ze stond in de zomer van 1976 oog in oog met Michael Caine en krijgt nog altijd kippenvel als ze terugdenkt aan de tanks op de brug. ‘Uiteindelijk hebben we 8 uur gedaan om 7 seconden film te maken.’

Zondagochtend 22 augustus 1976 klonk de wekker bij Leny Stappers wel héél vroeg. Ze moest die dag om 05.00 uur klaarstaan om zich te melden als figurant voor de opnames van De Bevrijding van Eindhoven. Eerst kleding uitzoeken. Een oranje jurk en dito sjaal, het was per slot de Bevrijdingsdag die zou worden opgenomen. Er zo werd er door de crew goed op gelet dat niemand kleding of accessoires droeg die refereerden naar 1976, de film speelt in 1944 en toen droeg men nog geen hippe horloges en spijkerjasjes. Ook je haar werd gekapt naar de haardracht van die tijd. ‘De jongens droegen in die tijd vaak lang haar, dus je kon in Deventer precies zien aan de kort geknipte coups wie er meedeed aan de filmopnames’, weet Leny nog.

‘Na de kleedsessies vertrokken we naar de binnenstad. Er was die dag een massa figuranten ingezet. Zij zouden de bevrijders verwelkomen op de Brink met luid gejuich en “Oranje Boven”. Iedereen werd ingedeeld in een bepaalde sectie. Leny was onderdeel van Section One, de groep jonge meiden die op de jeep van Michael Caine en Elliot Gould moest afrennen als zij de Brink kwamen oprijden. Zes meiden stonden in een soort punt, en Leny stond vooraan! Zij was de eerste die op de jeep moest springen om Michael Caine te omhelzen. Bij de eerste sprong werd al meteen “cut” geroepen, want het volk juichte niet hard genoeg. Zo was er altijd weer een reden om de opname opnieuw te doen. Leny: ‘Echt omhelst heb ik Michael Caine niet. Onze vingertoppen hebben elkaar aangeraakt, en ik heb hem natuurlijk van heel dichtbij gezien. Toen we elkaar aankeken “verdronk ik in zijn ogen”, maar dat was wel van heel korte duur.’

De scène moest helaas heel vaak opnieuw. Al met al wel vijfentwintig keer. ‘En elke keer moest ik opnieuw op die jeep springen. Je kunt je voorstellen wat een spierpijn ik die dag daarna had’, zegt Leny. ‘Uiteindelijk hebben we 8 uur gedaan om 7 seconden film te maken.’

Op de vraag wat Leny heeft gemotiveerd om te reageren op de oproep voor figuranten geeft Leny verschillende redenen: ‘Het leek me leuk om eens iets heel nieuws te doen en ik was benieuwd hoe zo’n opname in zijn werk zou gaan. Daarbij was ik net bevallen van mijn eerste zoon en had ik wel zin om een dagje uit de “babysfeer” te zijn. Echter de allerbelangrijkste reden om me aan te melden kwam via mijn vader. Als babyboomer ben ik opgegroeid in een sfeer van een oorlog die net voorbij is. Mijn vader vond het erg belangrijk om een positieve bijdrage te leveren aan de oorlog en dat had hij dan ook gedaan door bijvoorbeeld verzetskrantjes rond te brengen. Na de oorlog was hij bijzonder actief bij de wederopbouw. Ook van moeders kant was dit aan de orde, door bijvoorbeeld vlees uit de veestapel uit te delen als dat nodig was.’

Deze positieve insteek heeft Leny met de paplepel ingegoten gekregen. Ze vond het daarom extra belangrijk ook iets positiefs bij te dragen aan die oorlog en haar deelname aan de film sloot daar goed bij aan.

‘Voordat ik meedeed als figurant van de film, kende ik het verhaal van Een brug te ver al wel. Maar toen ik de uiteindelijke film zag, kon ik me niet echt inleven in het verhaal, omdat ik steeds bekende mensen en bekende Deventer locaties zag, Die leidden me enorm af. Ik zag bijvoorbeeld iemand die ik kende, in de film van de brug springen. En de kinderen van actrice Liv Ullman zaten gewoon bij mij op blokfluitles. Ik kon dat niet rijmen met het beeld dat ik van hen zag in een oorlog. In de film zie je een oud vrouwtje eenzaam in een straatje tussen de kapotgeschoten huizen lopen. Dit had deerniswekkende emotie bij mij moeten oproepen, maar ik kon alleen maar denken: “hé daar loopt Toet”.

Ook de locaties waren lastig. Je herkent de huizen op de Brink, dat was niet in Eindhoven. En de soldaten die over de daken liepen waren niet in Arnhem maar gewoon in Knutteldorp. ‘Wat mij heel erg heeft geraakt, en dat nu nog steeds doet, is het beeld van de tanks die over de brug komen en dan met die muziek erbij. De opnames waren weliswaar 50 jaar geleden, maar tot op vandaag krijg ik kippenvel als ik die “Brug-te-ver-mars” hoor.

De opname dag van Section One is inmiddels 50 jaar geleden. Mijn zoon, die toen net was geboren, is inmiddels een volwassen man. Meerdere acteurs uit de film zijn overleden, evenals mijn vader. Hij was er enorm trots op, dat ik meedeed en geheel volgens familietraditie een positieve bijdrage heb geleverd aan die vreselijke oorlog. Dat maakt mijn herinnering extra dierbaar.”

Fotografie: Viorica Cernica

Niet te missen in Deventer bij aankomst per spoor is Het Vogeleiland. Het plantsoen kent een rijke geschiedenis en is sinds 1968 een rijksmonument. Benieuwd naar de band met deze typisch Deventerse plek, ging verhalenmaker AnneMarie Zweers in gesprek met voorbijgangers.


‘Thuis is niks te beleven’

Herman Mulder is geboren in Deventer. Op zijn dertiende verhuist hij met zijn ouders naar Hoogeveen. Daarna heeft hij op meerdere plekken in Nederland gewoond en gewerkt. Na het overlijden van zijn vrouw is hij ruim vier jaar geleden weer terug in Deventer.


Dat werd ook een hernieuwde kennismaking met het Vogeleiland, dat ik kende vanuit mijn kindertijd. De liefde voor de natuur kreeg ik van mijn vader mee. Die wist veel van vogels, maar wees mij ook op de grote vissen, goudwindes, in de gracht. Ik ging kijken hoe het er na al die jaren uitzag en wat er nu te beleven valt op het Vogeleiland. Ik sprak met vrijwilligers en kwam ook in contact met Freekje Vervoord, voorzitter van Stichting Vogeleiland. Het sprak mij aan wat de stichting allemaal organiseert.

Als het enigszins kan, ga ik op zondagen naar het Vogeleiland, om naar de livemuziek te luisteren. Thuis is niks te beleven! Eerst koffiedrinken en een taartje eten bij Mees en op mijn gemak een plekje zoeken om naar de muziek te luisteren en mijn pijpje roken. Zo’n middag is voor mij een pracht van een ontspanning. Ik sponsor de muziekmiddagen ook een beetje. Heel mooi laatst; het publiek applaudisseerde voor de musici én tegelijkertijd krijste de pauw naar hartenlust mee. Terwijl deze stil was tijdens het optreden. Machtig mooi!”

 


‘Ik kom hier graag met mijn dochtertje’

Op het terras van Mees, dat is gevestigd op Vogeleiland, zit Dilan. Ze kent het Vogeleiland al van kinds af aan. Inmiddels zelf moeder, bezoekt ze het plantsoen regelmatig met haar dochtertje.

“Ik kwam hier vroeger met mijn ouders. Van vroeger kan ik me herinneren dat je wel wat meer dieren had, verschillende soorten. Maar de laatste jaren hebben ze dat helaas veranderd. Vroeger waren er ook dieren die je eerder in een dierentuin zou verwachten. Vogeleiland is een heel mooi initiatief voor gezinnen, om wat te kunnen eten en drinken en de kinderen kunnen even kijken naar de dieren. Het is een mooi stukje natuur dichtbij huis. In mijn vrije tijd en met mooi weer vind ik het fijn om hier met mijn dochtertje naar toe te komen. Zij had er heel veel zin in om dieren te zien. Ze keek er naar uit om verschillende soorten te zien, maar dat was niet zo. Toch vond ze het leuk. Ze vindt elk dier leuk. Ze is nu op het terras met de hond van iemand aan het spelen. En niet te vergeten: ik vind het leuk om hier te highteaën. De combinatie park, vogeleiland en horeca vind ik wel heel erg fijn.”

 

 

‘Het is mooi om hier even te gaan zitten’

René Rook heeft zich net geïnstalleerd op een bankje. Zijn rugzak staat ernaast en hij heeft zichzelf net voorzien van een drankje uit de thermoskan.

“Het is mooi om hier even te gaan zitten, tussendoor. Nu zit ik te wachten tot mijn fiets gemaakt is, bijvoorbeeld. Dat duurt wel een paar uur. En dan is dit een aardige plek. Je kan een beetje mensen kijken. Het is een beetje speels ook door die heuvel die hier loopt. Ik woon hier nu iets langer dan tien jaar, maar kwam hier eerder al, omdat mijn ouders in Deventer wonen. Als je met de bus aankomt op het station en bijvoorbeeld naar de Smedenstraat wil, is de snelste weg door het Vogeleiland heen. Een snelle en ook prettige verbinding tussen station en binnenstad. Er is in die jaren wel wat veranderd. Algeheel is het een keer opgeknapt. Het is wel grappig om niet te weten wát er dan veranderd is. Ik weet wel dat waar nu die tent staat, eerder twee varkentjes zaten, met een schuurtje. Nu is die plek ingenomen door uitbreiding van de horeca. Je kan er nu ook koffie krijgen.”


Historie

Het Vogeleiland ligt in het Oude Plantsoen, zoals het Rijsterborgherpark in de volksmond nog steeds genoemd wordt. Het is eind 19e eeuw ontworpen door architect Leonard Springer. Generaties Deventenaren bewaren mooie herinneringen aan park en Vogeleiland. Een fijn uitje voor de zondagen: brood en ranja mee, plus een bal en iedereen was blij. Vogels en andere dieren kijken op het Vogeleiland, onder andere aapjes. Na jaren van verval en zelfs sluiting van het Vogeleiland kwam de bevolking van Deventer in opstand toen het gemeentebestuur de gracht rond het eiland wilde dempen. Stichting Vogeleiland werd opgericht om het eiland in ere te herstellen.

Open Monumentendag 2025
Meer weten over de historie van Vogeleiland? Tijdens Open Monumentendag 2025 vindt op zondag 14 september rondleidingen plaatst. Met beeldmateriaal zal er uitleg worden gegeven over hoe het park is ontstaan, wat het nu is en hoe het park in de oude staat teruggebracht gaat worden.

Zie: https://openmonumentendagdeventer.nl/monument/vogeleiland

 

fotografie: AnneMarie Zweers

Halil Seckin verhuisde als zeventienjarige jongen met zijn familie uit Turkije naar Deventer, waar zijn vader toen al werkte. Vastberaden zich de taal en cultuur eigen te maken, vond hij zijn weg. En niet onopgemerkt, voor zijn bijdrage aan de gemeente werd hij geridderd. ‘Mijn geboorteland is Turkije,  maar mijn stad is Deventer.’

Buitenlandse werknemers, veelal van Turkse of Marokkaanse komaf, werden in de jaren 50 en 60 tot midden jaren 70 door de toenmalige Nederlandse werkgevers en kabinetten massaal naar Nederland gevraagd om te komen werken. In het vooruitzicht van een goed minimumloon waagden duizenden boeren-en arbeidersjongens de sprong naar Nederland. De problemen met huisvesting en taal werden voor lief genomen. De arbeiders zouden immers na drie of vijf jaar weer terugkeren naar hun land, althans dat was de verwachting. Het liep anders.

Halil heet voluit Halil Ibrahim Seckin en is geboren op 1 juni 1963 in een dorp in Oost-Turkije. Het gezin bestond uit acht kinderen, vier jongens en vier meisjes. Het gezin woonde op een groot boerenbedrijf met andere familieleden. Halil doorliep de lagere school in zijn geboortedorp, waarna het gezin naar Ankara verhuisde, waar hij het lyceum (middelbare school) bezocht.

Hoe is Deventer in je leven gekomen?
‘Mijn vader was boer en woonde met andere broers op een groot boerenbedrijf. Er was geen armoede, maar de verhalen uit Nederland waren aanlokkelijk. Mijn vader vertrok in 1972 naar Nederland om te zien hoe het Nederlandse boerenleven eruit zag. Hij wilde er een paar jaar werken, geld verdienen voor bijvoorbeeld een nieuwe tractor of een extra stuk land en dan weer terugkeren naar Turkije. In Nederland kon hij al snel in Deventer aan de slag in de fabriek van Thomassen en Drijver (TDV), waar ze verpakkingsmateriaal maakten. Uiteindelijk is hij 50 jaar gebleven, hier overleden en in zijn dorp in Turkije begraven. Zelf ben ik op mijn 17de naar Deventer verhuisd.’

Hoe was die tijd in Turkije en wat liet je achter toen je naar Nederland vertrok?
‘Toen wij naar Ankara verhuisden, woonden daar ook drie ooms die mij en mijn broers toen eigenlijk opgevoed en gevormd hebben. Mijn vader kwam één keer per jaar naar huis op vakantie, een echte relatie met je vader had je toen eigenlijk niet. Mijn vertrek uit Ankara naar Nederland betekende afscheid van mijn jeugd en vrienden. Maar tegelijkertijd was er hoop en zag ik vooral kansen. Er was een leven voor mijn 18e en een leven daarna.’

Wat weet je nog van je eerste bezoek aan Nederland?
‘Ik kon goed leren en als beloning mocht ik in 1979 twee maanden op vakantie naar Nederland. Ik sliep bij mijn vader in hotel De Leeuwenbrug, waar nu de schouwburg zit. In de Leeuwenbrug woonden alle Turkse medewerkers van TDV. Ze sliepen met z’n tweeën op één kamer en betaalden kostgeld, dat van hun loon werd ingehouden. De badkamer/douche was een gemeenschappelijke ruimte. Ook had TDV een aantal koks in dienst die voor de mensen kookten. Na die vakantie ben ik weer naar Turkije teruggegaan, om het lyceum af te maken.’

‘Van mijn eerste bezoek aan Nederland in 1979, weet ik nog goed dat het gebrek aan de Nederlandse taal mij opviel. Ik dacht, “hoe kan dat nou? Je woont hier, maakt deel uit van de maatschappij, of je weer terug gaat is onzeker, en je spreekt de taal niet. Ongelofelijk!” Ik kon zelf goed leren en zat op een middelbare school waar ik leerde discussiëren en me breder oriënteerde dan de meeste kinderen.’

‘Begin 1980 verhuisde mijn moeder met zeven kinderen ook naar Nederland en ik bleef nog een jaar in Ankara om mijn school af te maken. Op mijn zeventiende kwam ik ook definitief naar Deventer. Ons gezin woonde in de Rivierenwijk, wonen was daar goedkoop en alle Turkse mensen woonden daar. Het leek soms net klein Turkije. Positief was de gemeenschapszin, maar negatief was de daardoor zeer beperkte integratie. Al werd dat toen niet zo beleefd. Er was vanuit de overheid ook geen enkel beleid op dat punt. Ze zouden toch allemaal t.z.t. wel weer teruggaan.’

Zelf wilde je de taal wel leren?
‘Ja. In Deventer bestond toen al een ISK, een internationale schakelklas, de wat hoger opgeleiden mochten daar naar toe, destijds op Brink 21. Ik ben toen negen maanden vijf dagen per week naar de ISK en kreeg thuis bijles van een bevriende docent Nederlands. Ik wilde zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren, onder het motto ‘Taal is de sleutel tot de cultuur’”.
Mijn moeder was analfabeet en heeft op 60-jarige leeftijd nog Turks leren lezen en schrijven, Nederlands was toen een stap te ver. Vader sprak gebrekkig Nederlands, maar dat was ook niet nodig, alles werd door de werkgever geregeld en dus was er altijd een tolk op het werk aanwezig. Ook in het sociale leven, bijvoorbeeld bij doktersbezoek werd er voor een tolk gezorgd. In de wijk was de middenstand ook grotendeels Turks. De noodzaak om Nederlands te spreken was er niet.’

‘Ik heb mij vaak de generatie gevoeld die het voor twee kanten moest regelen, ik wilde mijzelf ontwikkelen en mijn weg vinden en tegelijkertijd moest ik van alles voor mijn ouders regelen. Ze vonden al vroeg dat ik dat wel kon dus dan doe je dat. Ik dacht er toen niet zoveel bij na, het was toen niet echt een belasting, het hoorde erbij.’

Uiteindelijk werd je Nederlands staatsburger, hoe is dat gegaan?
‘Er was geen inburgeringscursus of een examen. Je ging naar het gemeentehuis en diende een aanvraag in voor het verkrijgen van het Nederlands staatsburgerschap. Je betaalde voor het hele gezin 500 gulden en dan was iedereen Nederlands staatsburger. In 1984 werd ik dus officieel Nederlander, ik wilde dat heel graag want ik wilde deel uitmaken van deze samenleving. Ik wist dat ik in Nederland wilde blijven en niet meer terug zou gaan naar Turkije.’

‘Na het lyceum afgemaakt te hebben in Ankara en mij de Nederlandse taal eigen gemaakt te hebben werd ik toegelaten tot de sociale academie in Enschede. Na vier jaar HBO was ik afgestudeerd en ging met mijn toekomstige vrouw op zoek naar een huis. Wij wilden naar de wijk Borgele, ik weet nog dat de man van de woningbouwvereniging tegen ons zei, ‘maar daar wonen helemaal geen Turkse mensen’, waarop ik antwoordde ‘dat wil ik ook niet, wij willen tussen de Nederlanders wonen en integreren. Dat willen jullie toch ook?’ Wij kregen ons huis in Borgele.’

Heb je wel eens overwogen om uit Deventer weg te gaan?
‘Nee, ik heb altijd gevoeld: ik ben in Deventer aangekomen en zal hier altijd blijven, los van het feit dat mijn familie hier ook woont. Mijn vrouw en ik zijn zeer verknocht aan Deventer, het is een mooie oude stad met veel historie, cultuur en natuur. Het is hier heel fijn wonen. Het kleine en compacte spreekt me aan, veel mensen kennen elkaar. In het bijzonder is de oude binnenstad me dierbaar.’

Je bent een prominente inwoner van Deventer, zeker ook in de Turkse gemeenschap.
Ja, dat kun je denk ik wel zeggen, ik ken veel mensen en veel mensen kennen mij.’

Die bekendheid komt niet in de laatste plaats door al het vrijwilligerswerk dat je door de jaren heen gedaan hebt, waar kwam die drive vandaan?
‘Dat weet ik niet zo goed, het moet een beetje in je zitten. Ik voelde me van jongs af aan al maatschappelijk betrokken en dan zoek je het op of het zoekt jou op. Ik wil graag iets betekenen voor andere mensen en voor de maatschappij waar ik in leef en je krijgt er ongelofelijk veel voor terug, dat is niet in geld uit te drukken.’

De lijst is te lang om op te noemen, van de voetbalvereniging tot de medezeggenschapsraad op school, de acceptatie van de LHBTI groep, taallessen, bestuur van buurthuizen en op Deventer en nationaal niveau de belangen van de Alawitsche gemeenschap. Welke waarden zijn hier voor bij jou leidend?
‘Een van de belangrijkste waarde voor mij is het helpen van mensen die het zelf niet zo goed kunnen regelen en hulp nodig hebben. Ik heb veel gekregen van de maatschappij en wilde wat terugdoen. Dat is ook een van de reden waarom ik al 35 jaar met veel plezier als adviseur werkgeversdiensten werkzaam ben bij het UWV WERKbedrijf.’

Heb je zelf weleens te maken gehad met discriminatie?
‘Nee daar ben ik nooit mee geconfronteerd en ook de verschillende Turkse stromingen in Deventer gaan goed met elkaar om. Religie speelt daarbij voor mij ook geen rol. Uiteindelijk gaat het bij integratie mijns inziens niet om aanpassen, maar om integratie met respect voor elkaars waarden en normen en die mogen niet botsen met de rechtsstaat.’

In 2021 ben je geridderd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor al je vrijwilligerswerk, hoe was dat voor jou?
‘Verrassend en ook spannend, veel van mijn vrienden die ik soms dagelijks zie hebben het aangevraagd en ik had er totaal geen weet van, het was heel bijzonder en eervol. Je doet het er niet voor maar als het op deze wijze gewaardeerd wordt is dat heel fijn.’

Hoe was je ontvangst, toen je op 17-jarige leeftijd in Deventer aankwam?
‘Ik voelde me welkom en heb nooit stugheid van de Deventernaren ervaren. wat meehielp natuurlijk was dat ik mijn familie om me heen had.’

Halil Seckin als zeventienjarige.

Wat is er in jouw ogen voor arbeidsmigranten veranderd in Deventer?
‘De situatie toen en nu is niet met elkaar te vergelijken, onze ouders werden hier uitgenodigd, er was werk, huisvesting en we voelden ons welkom. Nu is de arbeidsmigratie veel schimmiger en de druk op de arbeidsmarkt steeds groter, waardoor ook de tolerantie vanuit de maatschappij afneemt. Er heerst een heel ander sentiment, wij waren welkom maar ook nu kunnen we niet zonder arbeidsmigranten want dan valt de hele tuinbouw in het Westland om, en landelijk branches zoals de bouw en vleesverwerkende industrie. Maar er zijn grote problemen met arbeidscontracten, uitbuiting en belabberde huisvesting en overlast voor de buurt. Dat was vroeger niet. De werkgever zorgde goed voor je. Het was niet luxe, maar iedereen had zijn eigen (huur)huis. Voor de Nederlanders die ook in die wijk woonden was de grote Turkse gemeenschap wel wennen en niet direct vanzelfsprekend.’

Voel je je een Deventernaar en hoe zou je dat gevoel omschrijven?
‘Zeker voel ik me Deventernaar, het gaat om de saamhorigheid in de stad, zonder poeha. Bijvoorbeeld hoe de gemeente bij de grote aardebeving in Turkije en ook elders direct inzamelingen faciliteert en uiteraard Go Ahead Eagles, als bindende factor. Mijn geboorteland is Turkije maar mijn thuisland is al 45 jaar Nederland en mijn stad is Deventer. Als wij van vakantie terugkomen en in de verte de Lebuinuskerk zien, zeggen we ‘we zijn weer thuis’, nou dat gevoel!’

Fotografie: Viorica Cernica