De verhalen
De verhalen

Zijn creativiteit en muzikaliteit brachten Deventenaar Ebe van der Meer veel in zijn bewogen leven. Lange tijd ruilde hij Deventer in voor Afrika en later Parijs, om toch weer te keren naar zijn stad aan de IJssel. ‘Jan Ankersmit was zo vriendelijk om een klein leegstaand huis achteraan op de Radstakeweg aan ons te verhuren.’

‘Mijn ouders zijn na de oorlog in de Erasmusstraat gaan wonen. Op nummer 10. Mijn vader had een baan bij de gemeentepolitie. Toen was ik een ventje van drie jaar. Ik weet nog dat er al dansend en vlaggend bevrijdingsfeesten werden gehouden op het plein voor de Peugeot-garage op de ruime hoek bij de Everhard van Bronckhorststraat en de Richard Paffraedstraat. Op mijn 15e, toen m’n ouders daar nog steeds woonden, had ik er een buurtbandje met muzikanten uit de Erasmusstraat en de Richard Paffraedstraat. Een oom van onze pianist Arnold Kamphuis heeft toen de naam Eastland Combo voor dat bandje bedacht. Jacques Los was de tenorsaxofonist, Frans Kanaar de drummer en Frans Boone was de gitarist. Zelf was ik de trompettist en de dwarsfluitspeler. Vele optredens volgden, onder andere in de foyer van de (oude) Schouwburg en in de grote zaal van de Buitensociëteit op de Worp.’

Grote liefde Dieuwke
‘Nadat mijn lippen overbelast raakten van hoge en te snelle noten op de trompet heb ik in 2007 de contrabas gekozen, om als er even gelegenheid is op te spelen en te studeren. Als kind speelde ik al op een cello, dus de stap naar de contrabas was niet zo groot. Over allerlei soorten muziek, over zowel mooie ontmoetingen als pijnlijke herinneringen tijdens de tien jaar met mijn vrouw Dieuwke in West- en Centraal Afrika zal ik nog wel uitgebreider ingaan. Mijn vrouw heette Dieuwke Canrinus, mijn grote liefde, die te jong gestorven is. Zij was 11 jaar en ik was 12, toen we bijna in dezelfde straat wonend elkaar al leuk vonden.’

Kunst
‘Als kind van een jaar of 14 ontmoette ik Eduard Boll die tekenaar was op de ontwerpafdeling van de Ankersmit Textielfabrieken in Deventer. Mijn vader werkte daar ook en ik scharrelde er soms wat rond. Altijd al dol op tekenen, genoot ik van de tekenlessen die Eduard Bol me tijdens mijn vakanties van de middelbare school wilde geven. Jaren later toen ik op de Academie voor Kunst en Industrie studeerde, keerde ik weer eens bij Eduard Boll terug om echt betaald vakantiewerk te gaan doen. Ik keek bij hem vooral de kunst van het batiktekenen af, want die speciale lessen kreeg je elders niet.’

 

“Eduard Boll nodigde me uit om naar Nigeria te komen”

 

Vaessen & Schoemaker
Na mijn studie vond ik in 1964 een goede baan als grafisch ontwerper bij het reclamebureau van Vaessen & Schoemaker aan de Singel in Deventer. Ook hier had ik profijt van wat Eduard mij had geleerd. Interessant werk, mooie opdrachten.

Nigeria
Twee jaar later kwam Eduard Boll opnieuw in beeld. Hij werkte inmiddels als ontwerper van imitatie-batiksstoffen in de Nigeriaanse stad Lagos, bij een Amerikaans bedrijf dat ‘Indian Head Mills & Co’ heette en het hoofdkantoor in New York had. De ontwerpen die Eduard maakte voor dat Amerikaanse bedrijf noem ik nadrukkelijk “imitaties”. De stoffen werden namelijk niet, zoals bij Ankersmit, écht gebatikt: met hars bewerkt om daarna te worden ondergedompeld in een indigo-verfbad, maar met een goedkopere druktechniek aan één zijde bedrukt. Eduard nodigde me uit om naar Nigeria te komen om hem te helpen lokale medewerkers tot tekenaars op te leiden. Er was toen internationaal bijzonder veel vraag naar de veelkleurige batik-stoffen.’

Aankomst in Afrika
‘Met die uitnodiging voelde ik me zeer vereerd en in 1966 vertrok ik naar Lagos, in eerste instantie nog zonder mijn vrouw Dieuwke. Het werd mijn eerste taak om Eduard Boll te vervangen tijdens zijn twee maanden durende vakantie. Een introductie of inwerken op zijn niet-gekoelde tekenkamers was er nauwelijks bij. Maar het daar mogen werken voelde al direct goed. Ik kreeg steeds meer plezier in het lesgeven en mijn studenten waren leergierig en enthousiast. De eerste 50 Lagos-ontwerpen werden gebruikt voor The African Look Mode in New York in 1967. Dat was een hele eer!’

Spanningen
‘In Lagos bereidde ik me een half jaar lang voor op de volgende opdracht, ik kreeg de leiding over de nieuwe ontwerpstudio die het eerdergenoemde Amerikaanse bedrijf in de Oost-Nigeriaanse stad Onitsha intussen had opgezet. En of het reizen niets kostte, lag die stad wel zo’n vijfhonderd kilometer ten oosten van Lagos. Er waren in die periode al spanningen tussen de Christelijke lgbo-gemeenschap uit de Zuidelijke delta- en kustgebieden en de Islamitische Hausa-gemeenschap uit het Noorden van Nigeria. De Igbo lieten toen al nadrukkelijk weten zich te willen afscheiden van Nigeria en noemden hun “nieuwe land” Biafra.’

Fijne en veilige woonplek
‘Dieuwke arriveerde in Onitsha in het najaar van 1966. Toen was dat nog een fijne en veilige woonplek, we merkten in het dagelijks leven weinig van de onlusten in de regio’s. We leefden, werkten, zwommen ons fris én genoten daar te midden van een internationale gemeenschap. Kort daarna liepen de spanningen alsnog zo hoog op, dat we genoodzaakt waren het land te verlaten.’

 

‘Mijn dwarsfluit werd steeds aangezien voor een wapen’

 

Vertrek uit Afrika
‘Biafra binnenkomen was niet zo moeilijk, maar Biafra verlaten werd een hel. Sterfelijkheid kwam heel dichtbij toen er iemand dacht dat ik een huurling was, met mijn blanke kop. Ik werd gericht beschoten, maar de kogel schampte slechts mijn huid. Over deze periode spreek ik nog steeds niet graag, het was een angstige, zenuwslopende tijd. Er waren in Nigeria steeds meer wegversperringen, de sfeer verhardde. Het lokale personeel liep groot gevaar en vertrok. De Amerikanen mochten niet meer werken. De vrouwen en kinderen konden evacueren met vooral Engelse hulp en Dieuwke vertrok met hen. De Amerikanen van de textielfabriek waren al druk bezig zich te laten evacueren via een ophaalboot in Port Harcourt. Ik was de laatste van de fabriek die nog moest proberen weg te komen, terug naar Lagos bijvoorbeeld waar het veiliger was.’

Wapen of dwarsfluit
‘Aan een neutrale Nigeriaanse vertrouweling vroeg ik of hij me met één van de vele fabrieksauto’s bij de Niger Rivier in de buurt van Onitsha wilde afzetten. Bij de roadblocks werden mijn persoonlijke bezittingen afgepakt, mijn paspoort, mijn geld en tenslotte mijn laatste bezit, een dwarsfluit in een houten foudraal. Die dwarsfluit werd steeds aangezien voor een wapen… Totdat ik er op blies. Het vliegveld was al kapotgeschoten, de brug over de Niger vernield. Post en telefoon werkten niet. Ik kon niemand meer bereiken. Bij de brede Niger-rivier lukte het de auto om te ruilen voor een kano. De behulpzame chauffeur betaalde ik ruim voor zijn terugreis en met mijn laatste centen lukte de oversteek naar het veiliger Nigeria. Het liep allemaal goed af en gelukkig vond ik een taxichauffeur aan de overkant van de rivier die me naar de Nederlandse ambassade in Lagos wilde brengen. De ambassade betaalde die lange taxirit en met een diplomaten laissez-passer, een nood-paspoort, wat zakgeld en met een KLM-ticket dat ook betaald werd door de ambassade vloog ik twee dagen later naar Schiphol.’

Schoonouders in de Sweelinckstraat
‘Veilig terug in Nederland woonden we voorlopig in bij mijn schoonouders in de Sweelinckstraat. Na een aantal weken nam Jan Ankersmit, nog steeds actief in de textielbranche, contact met me op. Op afstand had hij mij gevolgd en hij nodigde me opnieuw uit, nu voor een identieke baan in Franssprekend Afrika. Weer batiktekeningen maken in de Ankersmit-traditie, daar voelde ik wel voor, maar dan liever in een land zónder oorlog.’

Huren op de Radstakeweg
‘Ondertussen was Jan Ankersmit zo vriendelijk om een klein leegstaand huis achteraan op de Radstakeweg aan ons te verhuren. Zijn chauffeur had er altijd gewoond. Het huis stond op de nominatie om afgebroken te worden maar we konden er tijdelijk wonen voor het symbolische bedrag van één gulden per dag. Ons zogenaamde “vakantieverblijf” werd het, waar we twee maanden per jaar woonden. In de tien maanden van het jaar die wij in Afrika doorbrachten, pasten anderen erop. Jan Verburg bijvoorbeeld, heeft in dat huis zijn boek Tom Tippelaar getekend.’

Tekentafel van Ankersmit
‘Tijdens de fusie-periode van Ankersmit met Vlisco lag op het fabrieksterrein van Ankersmit een bundeltje bruin hout, klaar voor de open haard. Maar ik herkende de tekentafel en heb ’t snel voor een habbekrats aangeschaft. Ik zag en wist gelukkig wat dát “hout” geweest was en heb het kunnen redden. Tegenwoordig staat die tekentafel in Museum de Waag.’

Parijs, Tsjaad, Kameroen en Ivoorkust
‘Na een aanloopperiode in Parijs volgden jaren in Tsjaad, Kameroen en in Ivoorkust. We hadden inmiddels tijdens een vakantie in 1968 in Deventer al een zoon gekregen en in december 1971 werd onze dochter geboren in Abidjan. Met mijn studenten hebben we zo’n 1500 Real Dutch Wax Block tekeningen gemaakt voor de Franse Unilevergroep CNF, Compagnie Niger Français. Het merendeel werd gebatikt bij Vlisco in Helmond en bij Uniwax in Abidjan.’

 

Terug naar Nederland
‘Toen ons oudste kind 8 jaar was, zijn we teruggegaan naar Nederland. Geen malaria meer en ook geen trompet spelen in de jazzclubs. Het was na tien jaar in de tropen mooi geweest. Veel van de tekenaars die ik in de verschillende Afrikaanse landen had opgeleid, vertrokken naar Frankrijk. Het is wrang dat die Afrikaanse landen zelf van deze goedopgeleide mensen nooit profijt hebben gehad, constateer ik nog steeds met de nodige pijn.’

Kluwer Rechtswetenschappen
‘Na thuiskomst vond ik betrekkelijk gemakkelijk weer freelance werk in mijn eigen (eigenlijke) vakgebied, het grafisch-typografisch ontwerpen. Eerst en vooral met opdrachten voor Kluwer Rechtswetenschappen in Deventer waarvoor ik veel boekomslagen, logo’s en folders mocht maken.’

Zijn creativiteit en muzikaliteit brachten Deventenaar Ebe van der Meer veel in zijn bewogen leven. Lange tijd ruilde hij Deventer in voor Afrika en later Parijs, om toch weer te keren naar zijn stad aan de IJssel.

Stalen reiskist
‘Jaren na het overlijden van mijn vrouw vond mijn hulp in de kelder een oude stalen reiskist vol originele Ankersmit-batik-monsters, die Dieuwke zonder mijn medeweten had meegenomen uit Afrika. Nog steeds even sprankelend van kleur als toen ze gedrukt werden. En daarbij lag er ook nog een fotoboek met afbeeldingen van de batik-printen die in de loop van de jaren waren ontworpen en gedrukt. En ik dacht opnieuw…”Oh, wat hebben we toen toch veel moois mogen maken.”

Fotografie: Viorica Cernica
Website Ebe van der Meer | www.ebe.nu

 

 

Van maart tot mei 2025 krijgt de 55 meter hoge Coberco-schoorsteen een opknapbeurt. Aan Schoorsteen- en Ovenbouw Harm Meijer bv uit het Groningse Ten Boer de eer om deze klus te klaren. ‘De Coberco-schoorsteen is een plaatje.’

Harm Meijer is geen vreemde in Deventer. Alle ronde gemetselde schoorstenen in Deventer heeft de schoorsteenbouwer in zijn handen gehad. ‘Vorig jaar hebben we de schoorsteen bij Trivium aan de Zweedsestraat gerenoveerd. En we gaan de schoorsteen bij de oude Melkfabriek in Colmschate opknappen. Een jaar of vijftien geleden hebben we de schoorsteen van de melkfabriek in Bathmen ook gerenoveerd, zegt Harm Meijer. Aan de Prinsenplaats op het Bergkwartier heeft het bedrijf eerder de oude schoorsteen van de DAIM capsulefabriek afgetopt en opgeknapt. Deze pijp doet nu dienst als buurtbarbecue. ‘In de Raambuurt aan de Bergpoortstraat gaan we de Ten Hove schoorsteen renoveren. Dat is overigens de oudste industrie schoorsteen in Deventer en dateert van 1884’, weet Harm Meijer.

Het is niet zo vreemd dat hij betrokken is bij al deze oude schoorstenen. Het bedrijf is nog het enige Nederlandse bedrijf dat zich heeft gespecialiseerd in het renoveren van oude ronde stenen schoorstenen.’ Dat was aan het begin van Harm zijn carrière niet direct duidelijk. ‘Ik ben begonnen als openhaardbouwer bij schoorsteenbouwbedrijf Bergsma te Haren. Op een gegeven moment zou ik in de schoorsteenbouw gaan assisteren als opperman. Van het een kwam het ander en op een gegeven moment zat ik hoog in de schoorsteen te metselen. En dat is vanaf 1976 zo gebleven.’

Nederland telt nu nog zo’n 500 tot 550 ronde gemetselde schoorstenen. De Coberco-schoorsteen is een voor die tijd standaard schoorsteen, gemetseld met trapeziumvormige stenen van waalformaat. De schoorsteen is 55 meter hoog en 2 meter rond. Hij is van 1954 tot 1997 gebruikt voor de afvoer van de afgassen bij de productie van stoom, die werd gebruikt bij de productie van gecondenseerde melk en andere melkproducten.

 

Coberco
Opdrachtgever van de Coberco-klus is de gemeente Deventer (zie kader ‘Schoorsteen gered’). Die hebben zich laten leiden door BOEi, dat is een maatschappelijke onderneming gericht op herbestemming van industrieel, agrarisch en religieus erfgoed. Waaronder ook schoorstenen, die in heel het land door Harm Meijer worden onderhouden. ‘Zo kwam de gemeente Deventer bij ons terecht’, beargumenteert Meijer.

‘De Coberco-schoorsteen is in 1954 gebouwd door De Ridder uit Leiderdorp. Een bedrijf dat wij in 1984 hebben overgenomen. Door deze overname hebben we het complete archief van alle werkzaamheden van De Ridder van 1906 tot 1984 in huis. Daardoor weet ik dat de Coberco-schoorsteen in 1964 en 1977 nog is gerenoveerd. Vandaar de relatief goede staat ervan’, aldus Meijer.

 

‘Dit Deventer rookkanaal is voor zuivelfabrieken uniek’

 

De renovatie
‘De Coberco-schoorsteen is een plaatje’, vindt Harm. ‘Wat de schoorsteen bijzonder maakt is in eerste plaats zijn hoogte van 55 meter. Dit Deventer rookkanaal is voor zuivelfabrieken uniek. Ook de ingemetselde naam CCGO (=Coöperatieve Condensfabriek Gelderland Overijssel) is bijzonder. Dat komt niet vaak voor. Verder is de steenkeuze apart. In tegenstelling tot andere bedrijfstakken zijn in de zuivelindustrie vooral gelige stenen toegepast, zoals hier in Deventer en vele andere zuivelfabrieken in Nederland.’

‘Alleen de top van de schoorsteen is er slecht aan toe. Deze bevat ingemetselde stalen ringen. Die zijn na het sluiten van de fabriek in 1997 gaan roesten waardoor de bovenste gemetselde laag is beschadigd. Daar starten we met de renovatie. Dat doen we door onder de kop een hangsteiger aan te brengen. De stalen ringen halen we eruit en vervolgens herstellen we het metselwerk’, legt de schoorsteenspecialist uit.

Doordat de schoorsteen sinds 1997 niet meer in bedrijf was, heeft de regen jarenlang vrij spel gehad. Ook ventilatie ontbrak doordat het ventilatieluik onder in de schoorsteen afgesloten was. Dat is gebeurd uit veiligheid. In Friesland zijn er jaren geleden ongelukken gebeurd in een schoorsteen. Spelende kinderen zijn via het open ventilatieluik in de schoorsteen gekropen en verongelukt doordat de dertien meter hoge schutwand in de schoorsteen in elkaar stortte.

 

Regenkap
Ventilatie is na de renovatie gewaarborgd. ‘Het ventilatieluik wordt weer open, maar wordt wel groter gemaakt zodat de schoorsteen voldoende ventileert. Het luik is dan ook niet toegankelijk doordat we er een stalen rooster voor zetten. Boven op de schoorsteen plaatsen we een regenkap, zodat er geen vocht in de schoorsteen komt en de schoorsteen toch goed ventileert’, vertelt Meijer.

‘Als de top weer helemaal tiptop is, verwijderen we de oude cement gebonden voegen en worden ze helemaal opnieuw gevoegd met een voegmortel die bestaat uit cement, schelpkalk en zand. In de oude archieven van De Ridder staat de hoeveelheid van de drie componenten aangegeven. Het cement zorgt voor de aanvangssterkte, de schelpkalk voor de flexibiliteit en het zand voor de vulling. Flexibiliteit is nodig omdat een schoorsteen altijd beweegt, afhankelijk van de windbelasting meer of minder. Met een beweegbare elektrische aluminiumbrug die met stalen draden aan de top van de schoorsteen hangt, bewegen we ons tijdens het voegen omhoog en omlaag.’

Genieten als ploeg
Ondanks de jarenlange ervaring van Harm Meijer BV is elk project maatwerk, dat soms vraagt om slimme vondsten. ‘Zo kijk ik met trots terug op het verplaatsen van een schoorsteen in Veenendaal. Deze moest als gemeentelijk monument worden behouden. Rondom de schoorsteen was een parkeergarage gepland. De BAM kon niet bedenken hoe de schoorsteen behouden zou kunnen blijven. Ze kwamen bij ons voor een oplossing. Onze oplossing bestond uit het demonteren van de schoorsteen en na de bouw van de garage de schoorsteen weer op de plek opbouwen. Ze geloofden niet dat dat zou kunnen, maar het ging zoals wij het hadden bedacht. Zo hebben we meerdere schoorstenen, die waren afgeschreven, weer tot tevredenheid opgeknapt. Daar genieten wij als ploeg van’, vertelt Harm.

Trots
De totale renovatie van de Coberco-schoorsteen duurt zo’n 13 weken. Harm: ‘De planning was dat we 10 maart 2025 zouden beginnen. Maar ik zie dat we in een ander project in Sappemeer vanwege het weer – vorst wind etc. – uit de tijd zijn gelopen. Zoals het nu gaat, zal de schoorsteen in juni geheel zijn gerestaureerd. We hopen en gaan er van uit dat de gemeente na de restauratie trots zal zijn op de schoorsteen.’

 

Meer info Harm Meijer BV, zie: https://harmmeijer.nl/

 

[Achtergrond: Schoorsteen gered]
Coberco stopte in 1997 met de productie in Deventer. In 1999 zijn alle machines verwijderd. Daarna kwam de schoorsteen in het luchtledige. In 2015 werd zelfs een sloopvergunning afgegeven. Vervolgens heeft de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED) er alles aan gedaan om de schoorsteen te behouden. Er werd contact gezocht met de eigenaar van de schoorsteen en de gebouwen eromheen, Wieap Beheer. Na jaren radiostilte kwamen Wieap en de gemeente Deventer in 2024 tot het besluit de schoorsteen te behouden. Eerder zijn honderden handtekeningen ingezameld door inwoners die de schoorsteen voor het aanzicht van de stad willen behouden. Ook de erfgoedorganisaties in de gemeente hebben aandacht gevraagd voor het behoud van deze schoorsteen. Met de motie ‘Witte rook over de fabrieksschoorsteen’ heeft de Deventer gemeenteraad eerder geld vrijgemaakt voor restauratie van de schoorsteen. De gemeente Deventer heeft de schoorsteen voor het symbolische bedrag van 1 euro overgenomen van Wieap. De gemeenteraad heeft 150.000 euro beschikbaar gesteld voor de aankoop en restauratie van de schoorsteen. Daarvan is 100.000 euro bijgedragen door Het verhaal van Overijssel 2.0. ‘Daarmee wordt de schoorsteen gerestaureerd en het verhaal achter de schoorsteen verteld. Ilse Duursma, wethouder erfgoed en monumentenzorg: ‘ ‘Een mooie ontwikkeling. Het gaat niet alleen over de stenen, maar ook over de mensen die werkten in de melkfabriek.’ Ook Wieap Beheer directeur Willem Goudkuil is blij met deze ontwikkeling’, zo kunnen we lezen op 21 juni 2024 op de website van de Federatie Industrieel Erfgoed Nederland.

 

Maar liefst veertig jaar werkte Bennie Hagen (1945) in de Coberco-fabriek. Van dichtbij maakte hij het hele fabrieksproces mee en bouwde hij een goede band op met zijn collega’s. Later zou dit nog goed van pas komen bij het vinden van een woning. “Coberco was voor mij een goede werkgever.”

‘In 1962 kwam ik als leerling in deze fabriek te werken en kreeg uitleg over het proces in de fabriek, waar koffiemelk en gecondenseerde melk werd gemaakt. Gecondenseerde melk was eigenlijk een ‘minderwaardig’ product. Door melk, waaruit de room is gecentrifugeerd, blijft er een waterachtig- melkbestanddeel over. Dit product (taptemelk- of magere melk) werd aangeleverd in tankauto’s en niet zoals bij de zuivelfabriek in Colmschate of Bathmen per melkbus. Vroeger werd deze bewerkte melk terug geleverd aan de boeren om aan varkens- en kalveren te geven. Door het water in de melk te laten verdampen (condenseren) wordt de melk verdikt. Door 44% suiker toe te voegen krijg je de bekende gecondenseerde melk. Door de vele suiker hoef je dit product niet te steriliseren zoals bij koffiemelk wel het geval is. De suiker is als het ware het conserveermiddel.’

Vreemde talen
‘Als leerling kwam ik op de verpakkingsafdeling. Voor 48 uur werken kreeg ik achtendertig gulden. Dat was meer dan bij Thomassen & Drijver waar de blikjes vandaan kwamen. De gevulde blikjes met gecondenseerde melk kwamen rechtstreeks van de vullijn. De gesteriliseerde koffiemelk kwam warm uit een ketel en moest daarna in een waterbad om gekoeld te worden. Anders zou de lijm van de etiketten niet houden. De volle blikjes kwamen per lopende band op de etiketeer/inpak afdeling. Daar werden ze van een etiket voorzien. Dat was in de meest vreemde talen want gecondenseerde melk werd eigenlijk alleen geëxporteerd naar zo’n 150 landen. Saudi-Arabië was een belangrijke afnemer.’

 

 

Watjes in mijn oren
‘Er kwamen 300 blikjes per minuut voorbij. Soms ging dat mis en vielen er blikjes op de grond. Al met al natuurlijk een ‘hels’ kabaal. Daarom had ik watjes in mijn oren. Later werd het verplicht om met gehoorbescherming te werken. Dat vond ik best een beetje lastig. Door de gehoorbescherming hoorde je minder snel of de machine goed draaide. Als de machine goed liep, dat kon ik aan het geluid horen, dan kon ik een beetje heen en weer lopen en ergens anders een handje helpen. Soms gebeurde het wel eens dat er verkeerde etiketten geplakt waren. Meestal werd dat snel ontdekten kon de fout hersteld worden. Als de blikjes ‘beplakt’ waren werden de blikjes in automatisch in dozen gedaan. Eén blikje woog ongeveer 412 gram. Een doos bijna 40 kilogram. Dus best zwaar werk.’

Kapotte vingers van de suiker
‘Het laden en lossen van schepen gebeurde achter de fabriek. Ook met de hand. Dan stonden we met een aantal mensen als een soort ‘levend lopende band’ om de producten in- of uit te laden. De suiker voor de gecondenseerde melk kwam ook per schip aan. Hierbij heb ik één keer geholpen. Toen zei ik: dat doe ik niet meer. Want doordat de suiker in juten zakken zat ‘lekten’ er suikerkorrels uit de verpakking. Hierdoor gingen mijn vingers kapot. Daardoor had ik geen gevoel meer in mijn vingertoppen. En juist dat gevoel is belangrijk om etiketten van elkaar te halen. Later werd er gelukkig meer en meer geautomatiseerd.’

Overwerken
‘Toen ik begon werd er in twee ploegen gewerkt. Dat betekende soms dat alle melk die binnenkwam dezelfde dag verwerkt moest worden. En dat betekende overwerken. Later werd er continu in drie ploegen gewerkt. Overwerken vond ik niet erg. Je kreeg dan extra betaald. Een zwager van mij zie: ‘ik ga niet voor de belasting werken.’ Ik antwoordde: ‘Je kunt ook op bed gaan liggen dan heb je niks.’

Jongste ploegbaas van het bedrijf
‘In de zomer, als de koeien in de wei liepen, was er veel aanvoer van melk. Dan werkten we met vijfentwintig tot dertig man op deze afdeling. Eigenlijk een vaste ploeg. Later kwamen daar ook gastarbeiders te werken. Op mijn 22e werd ik ploegbaas en was ik de jongste ploegbaas binnen het bedrijf. Als er dan van buiten iemand de ploegbaas zocht, liepen ze meteen naar de oudere werknemers. Deze begonnen dan te gniffelen en wezen naar mij.’

 

 

Geen blikjes meer
‘In 1997 sloot de fabriek en ben ik overgeplaatst naar Arnhem. Daar heb ik nog zo’n zes jaar gewerkt. Hier waren geen blikjes meer met koffiemelk of gecondenseerde melk. Die productie was naar andere fabrieken gegaan. In Arnhem werden allerlei zuivelproducten zoals (karne)melk, vla, drinkyoghurt of vruchtenyoghurt geproduceerd. De melk ging in pakken, vruchtenyoghurt in grote plastic bekers, slagroom in kleine plastic bekertjes enzovoorts. Dus geen blikjes meer! Op mijn 58e is de fabriek in Arnhem ook gesloten. Mede door versleten knieën ben ik gestopt met werken.’

Woning beschikbaar
‘Coberco was voor mij een goede werkgever: Toen ik daar zes jaar werkte kwam mijn verloofde op het idee om bij mijn baas te vragen: is er misschien een woning beschikbaar? En wat dat betreft hadden we geluk. Wij gingen naar onze familie en zeiden: wij moeten trouwen! In eersten instantie schrokken ze, want dat betekende dat je zwanger was geworden voor het huwelijk. Maar dat was dit niet zo. Wij vonden dat alleen maar grappig. Wij trouwden en gingen in 1970/1971 op De Platvoet wonen.’

Vriendschappelijk
‘Meer dan 40 jaar heb ik in de zuivel gewerkt. Altijd met veel plezier. Het leukste aan het werken bij de Coberco waren de contacten met alle collega’s. Ook met de buitenlandse werknemers. Als ploegbaas heb ik veel buitenlandse arbeiders geholpen door hen te wijzen op instanties zoals het bureau huisvesting van de Gemeente Deventer. We gingen heel vriendschappelijk met elkaar om. Hielpen elkaar ook met klusjes in huis zoals behangen. Nu zijn die contacten wel minder geworden. Ja, ik heb daar altijd met veel plezier gewerkt!’

Behoud van de schoorsteen
‘Wat het behouden van de schoorsteen betreft: voor sommigen betekent de schoorsteen veel. Voor hen is het mooi dat de schoorsteen behouden blijft. Zelf ben ik er minder mee bezig. Ik heb er hard gewerkt, met veel plezier! Maar de fabriek is dicht en gesloopt en daarmee heb ik het afgesloten.’

 

[Op de schoorsteen van voormalige zuivelfabriek Coberco aan de Harderwijkerstraat in Deventer staan de letters: C.C.G.O. Dat is de afkorting van ‘Coöperatieve Condensfabriek Gelderland Overijssel’. Deze fabriek werd daar in 1954 geopend. Voorheen was dit de Coöperatieve Melkcentrale Deventer opgericht in 1947. De Coberco is ontstaan door samenvoeging van de fabrieken Lochem, Zutphen en Deventer in 1965. In 1996/1997 sluit de fabriek. Het pand wordt in 2020 gesloopt maar de vijfenvijftig meter hoge schoorsteen blijft behouden.]

Fotografie Viorica Cernica

Boy en Anneke Ritsma wonen onder de rook van de Coberco-schoorsteen en hebben lange tijd in de fabriek gewerkt. Ook al komt er al 20 jaar geen rook meer uit de schoorsteen, voor Boy en Anneke staat de pijp voor een groot deel van hun leven. Boy: ‘‘Als de fabriek niet gesloten was, werkte ik er nog.’

‘De Coberco-fabriek is in 1997 gesloten en het fabrieksterrein heeft 20 jaar leeg gestaan. Toen is het complex opgekocht. Alles zou gesloopt worden en de schoorsteen zou eraf gaan. Dat kan toch niet zomaar, iets wat al vanaf 1954 staat, dat dat weggaat. De hoogste pijp van Nederland, 55 meter!’ Het raakt Boy Ritsma.

 

Handtekeningenactie
‘Mijn buurvrouw heeft in 2019 het initiatief genomen om een handtekeningenactie te starten voor behoud van de schoorsteen en ze heeft mij ook gevraagd. Ik vond dat we dat moesten doen, want het is gewoon de skyline van Deventer. Ik vind het nog steeds jammer dat die niet op de autostickers staat. Van elke kant waar je Deventer binnenkomt zie je hem. Veel mensen kwamen kijken naar de schoorsteen. Er zat een kastje aan het hekwerk waar je een petitie kon invullen. Die 700 á 800 handtekeningen zijn later overhandigd aan het SIED, Stichting Industrieel erfgoed Deventer’ Anneke Ritsma: ‘Nog steeds wordt er door mensen vanuit de auto of op de fiets gewezen naar de pijp. Hij ligt vlakbij kringloopwinkel Het Goed, dus er komen iedere dag veel mensen langs.’

Start van Coberco in Deventer
De vader van Anneke werkte op de administratie. Hij is in 1954 vanuit Friesland meegekomen om het bedrijf op te zetten. In het begin werd er veel Fries gesproken.
De directeur van de Coberco vroeg aan de vader van Anneke of zijn dochter misschien in het woonhuis bij de fabriek zou willen wonen met haar vriend Boy Ritsma.
Op aanraden van zijn aanstaande schoonvader had Boy gesolliciteerd bij Coberco. Hij kreeg wel de boodschap mee dat hij zijn best moest doen. Boy heeft tot het einde van de Coberco bij de fabriek gewerkt. Er werkten toen 300 mensen. Anneke en haar broer Wytze hebben er ook jaren gewerkt.

 

De Coberco was meer dan een bedrijf waar je de kost verdiend

 

Rijdende melkontvangst
Boy had verschillende functies. Zo stond hij aan de band met blikjes gesuikerde condensmelk voor de export naar o.a. Duitsland, merknaam B en B en Saoedi-Arabië, merknaam Bonny Baby. ‘Als er een blikje koffiemelk was met een gaatje, moest ik dat dicht solderen.’ Zijn volgende functie was bij de melkontvangst: het lossen van de tankwagens met melk. Dat was een verzameling van de rijdende melkontvangst. Van iedere tankwagen die binnenkwam moest de chauffeur zelf een monster nemen. Dat werd onderzocht op vetgehalte. Vroeger werd er uitbetaald op vet. Tegenwoordig als ik het goed heb, op eiwit’ Boy pompte de 40.000 liter melk vanuit de tankwagen naar boven, naar tanks van 120.000 liter. Daarvan stonden er 6. In het weekend moest de tank worden ‘aangezet’ zodat de melk geroerd werd. Ook werkte hij op de vacuümafdeling: de boerenmelk komt in een bak, gaat door een machine heen komt op een bepaalde viscositeit en dat moest elk half uur gemeten worden. Vervolgens werd het in een andere tank opgeslagen, vanaf daar werd het naar beneden getransporteerd en in blikjes gedaan. Als de melk in de blikjes zat werd de melk gesteriliseerd.

Hand- en spandiensten vanuit de dienstwoning
Als vrijdag de fabriek sloot, schakelde de receptioniste de bedrijfstelefoon door naar Boy en zijn vrouw. Zij kregen dan alle Cobercotelefoontjes binnen, ook uit het buitenland. Ook het sluiten en openen van de poorten naar de fabriek was een taak van de Ritsma’s.

Emotionele waarde
De Coberco was meer dan een bedrijf waar je de kost verdiende. Het heeft een emotionele waarde voor Boy en Anneke.
Anneke: ‘’Dat de Coberco platging vond ik heel erg. Ik word er nog emotioneel van. Mijn vader heeft er gewerkt en mijn broer en ik, we hebben het van begin af aan allemaal meegemaakt. Ik als kind zijnde. Dat wij hier woonden en de directie hier gewoon achter het huis een sigaretje kwam roken.’ Boy ‘Ik heb er 20 jaar gewerkt’.

Er was hulp bij het solliciteren naar een andere baan. Als je een andere baan had vóór de sluitingsdatum in 1996, kreeg je wat geld mee, een oprotpremie.
Anneke: ‘Je halve leven speelde zich daar af!’ Boy: ‘Als hij niet gesloten was, werkte ik er nog. Uiteindelijk ben ik op een camping gaan werken. Ik heb daar van alle gedaan: van riolering tot caravans plaatsen tot uitsmijter in de kantine. Drie jaar gedaan’. Want: ‘ Als je op een camping werkt, ben je nooit klaar.’

 

Omdat er vaak meerdere leden van één familie op de fabriek werkten, bestond er een bepaald familiegevoel

 

Familiegevoel, uitstapjes en feestjes
Omdat er vaak meerdere leden van één familie op de fabriek werkten, bestond er een bepaald familiegevoel. De directie werkte in een apart gebouw. Tussen dat gebouw en de fabriek was een straatje. Boy:’ Er is toch altijd afstand tussen kantoor en fabriek.’

Een warm gevoel van verbondenheid, dat is Coberco voor Boy en Anneke. Als familie. Naast een fijne werkomgeving was er ook veel aandacht voor vrolijke activiteiten. Van Sinterklaasfeest, tot uitstapjes naar de Efteling. Ook voetbaltoernooien en de Hanzeloop werd een keer door Coberco georganiseerd. Feestavonden die werden opgeluisterd door bekende artiesten zoals Benny Nijman, Lee Towers en Conny Konings. En er was een fantastische jubileumavond in de Deventer Schouwburg wegens het 25-jarig bestaan. Hier stond de Deventer band Lotus op het podium.

Reünie
Iedere eerste zaterdag van november komen 7 stellen bij elkaar waarvan de mannen samen bij Coberco hebben gewerkt. Dus al 20 jaar. Een van de eerste vragen is altijd: zou die en die nog leven? Dit jaar was een collega die Boy al 30 jaar niet gezien had uitgenodigd. Hij kwam die oud-collega, Gait, toevallig tegen in Raalte.

Schoorsteen altijd in beeld
Vanaf de eettafel met glazen plafond kijk je uit op de schoorsteen. Als ze aan deze tafelzitten kijken ze altijd naar de pijp. Wij wonen er net 50 meter vanaf, dus als die schoorsteen gesloopt zou worden, is dat wel riskant. Valt ‘ie die kant op dan is het prima. Valt ‘ie deze kant op dan is het niet best. Boy: “Er zijn roofvogels die hier een mooie uitkijk hebben op hun mogelijke prooi.” Anneke: “Als ik lang kijk, val ik om”

 

Fotografie: (Cora Sens en Ron Lustig, namens de Salon Fotografencollectief.)

Onmisbaar in de zuivelindustrie waren de melkritten, waarbij een melkrijder de melk van meerdere boeren naar de zuivelfabriek reed. Broer en zus Marijke Kleindouwel en Joop Achtereekte zaten als kind regelmatig tussen de melkbussen. Mee met de melkrit van hun vader.

Kort na de Tweede Wereldoorlog en ook nog daarvoor hadden veel dorpen en steden een eigen zuivelfabriek. Boerenbedrijven waren in die tijd vaak klein met maar een paar koeien, wat varkens en soms nog wat land. In het begin bracht elke boer zijn melk, soms maar een paar bussen, zelf naar de fabriek, maar dat bleek niet praktisch en zo ontstonden de zogenaamde melkritten. Tijdens een melkrit reed een boer, de melkrijder, langs meerdere boerderijen om de melk op te halen waarna hij deze naar de zuivelfabriek bracht. De melk werd door de boeren in melkbussen langs de weg gezet. Voor de melkritten werd een vergoeding betaald en de ritten werden toegewezen aan de boer die dit voor het laagste bedrag wilde uitvoeren.

Joop: ‘Ons gezin woonde in Diepenveen op een boerderij en bestond uit vader, moeder en acht kinderen, twee meisjes en zes jongens. Opa en oma (ouders van Vader) maakten ook deel uit van het gezin en woonden naast de boerderij. We hadden veertien koeien en een paar varkens en iets akkerbouw. Pa had geen andere baan. Het was thuis echt geen vetpot dus de melkrit was een welkome aanvulling.’

Marijke: ‘Het verkrijgen van de melkrit was heel spannend, de biedingen waren een keer per jaar. Samen met de boekhouder werd er doorgenomen voor welk bedrag je kon inschrijven. Dan was er een bijeenkomst in een zaaltje en werd bekend gemaakt wie het laagst had geboden en die kreeg dan de rit. De gunfactor speelde hierbij zeker mee, evenals een vaste rijder op de betreffende melkrit. De uitbetaling van de melkritten was één keer in de veertien dagen. De melkrijder haalde dan op kantoor zijn geld op, later werd het via de bank overgemaakt. De melkrit bestond uit zo’n veertien tot vijftien boerderijen waar de melkrijder dan de bussen ophaalde, de boeren hadden de bussen aan de weg gezet en de melkrijder bracht ze naar de fabriek. Onze opa is ooit als melkrijder begonnen met paard en wagen en vader heeft dit overgenomen maar dan met de tractor.’

Joop: ‘Wij gingen vooral mee tijdens de vakanties en op de zaterdagmorgen of ‘s avonds. ‘s Ochtends vertrokken we om half acht. Elke boer had een eigen bus-nummer en later ook een kleurband. Die kleurband zorgde ervoor dat men in de fabriek wist dat er weer een volgende boer was met zijn melk. Mijn eerste herinnering was toen ik een jaar of tien was en voor het eerst mee mocht op de kar.’

Marijke: ‘Pa maakte dan een plek tussen de melkbussen waar we konden zitten, meestal konden er maar twee kinderen mee want aan het eind van de rit stond de kar vol met melkbussen. Dat ik als meisje meeging op de melkrit was heel normaal, er werd bij ons thuis geen verschil gemaakt tussen jongens en meisjes, er liepen dan ook wel meer ‘deerntjes’ rond bij de melkfabriek. Maar onze moeder had natuurlijk liever dat wij hielpen in de huishouding. Als we dan bij de fabriek aankwamen werden de deksels (ook wel lid genoemd) van de bussen er met een rubberen hamer afgeslagen. Als iemand anders de hamer in gebruik had, dan deed je dat afslaan met een andere deksel. Daarom hadden veel deksels deuken in de rand. Ook had je wel eens het vel van je handen.’

 

 

Joop: ‘Er werd op zes dagen melk gereden en op zondag niet. Er werd natuurlijk wel op zondag gemolken, daarom werd er maandagmorgen voor het melken eerst een extra rit gedaan om de zondagmelk weg te brengen. Vervolgens werd er thuis gemolken en werd er weer een rit gedaan om de verse melk naar de fabriek te brengen. In de zomer liepen de koeien buiten en van het mooie zomergras gaven de koeien meer melk met als gevolg ook meer melk aan de weg. De wagen raakte daardoor eerder vol en bij de laatste boeren ging er dan schotten boven op de volle melkbussen en daar werden dan de laatste melkbussen op gezet. Dat waren er meestal een stuk of tien. We noemden dat een dubbele lading.’

Marijke: ‘In de zomer was het wel eens een probleem om de melk goed te houden. Als de melk door de warmte zuur was geworden, werd de melk aan de fabriek geweigerd. Alle melk werd namelijk bij aankomst bij de fabriek gecontroleerd op de zuurtegraad. De afgekeurde melk ging dan mee terug naar de boer die het dan aan de varkens voerde. Dit was wel een kostenpost want hij kreeg hier geen geld voor. Op de boerderij werd de melk gekoeld in een koelbak. Een andere methode was het gebruik van PVC-ringen met gaatjes, die om de melkbus werden gewikkeld. Hierop werd een waterslang aangesloten om de melk koel te houden. De melk werd dan zo laat mogelijk aan de weg gezet.’

Joop: ‘Ik kan me nog goed herinneren dat Pa een slecht humeur kreeg als de bussen niet op tijd aan de weg stonden, want dan kwam hij te laat aan op de fabriek en moest hij weer achter aansluiten. Hij begon dan steeds driftiger aan zijn sigaret te trekken en dan wisten we wel hoe laat het was. Er was eigenlijk wel een vaste volgorde van lossen. Als je aankwam bij de fabriek, ging je bij je voorganger de deksels van de bussen slaan. Daarna zette je de eigen bussen op de band. Als de bussen weer uit de fabriek kwamen waren ze nog warm, omdat ze gereinigd waren met zeer heet water. In de winter wel prettig. Daarna leverde Pa de bestelbonnen en lege flessen in en was er tijd voor koffie en de laatste nieuwtjes. Deze bonnen hing hij pas weer aan de bus bij het terugzetten aan de weg. Op dezelfde manier liet hij de zakjes met het melkgeld achter.’

Marijke: ‘Er gingen ook weer producten mee terug zoals “wei”, dit is een restproduct van de kaasbereiding, die diende als kalvervoer, flessen met karnemelk, yoghurt en later vla. Ook kaas en boter, dit werd in de melkbus gestopt. Soms vergat de boer dit eruit te halen en bij de volgende stort in de fabriek kwam het er weer uit waardoor de hele band stil kwam te staan. Van concurrentie in het begin kan ik me niets herinneren, maar later wel. Zeker als het weer tijd was voor de aanbesteding, dat was altijd weer spannend of Pa zijn melkrit kon houden. Vooral toen het tijdstip dichterbij kwam dat de boeren over gingen op een melktank. Pa is toen gestopt en heeft thuis de varkenstak uitgebreid om toch meer inkomen te realiseren.’

 


Joop:
‘In de loop van de jaren tachtig kwam er een eind aan het melk leveren in melkbussen. De laatste melkbussen werden over een groot gebied verzameld en naar Kamperveen gebracht waar de melk werd verwerkt. De boeren stapten geleidelijk over naar melkkoeltanks. Een tankwagen haalde toen na vier keer melken de melk op. Deze melk werd naar Wesepe en Bathmen gereden. Meerdere kleine zuivelfabrieken zijn samen gegaan in de Coöperatie Coberco en deze stonden in Eefde en Deventer. Coberco fuseerde al snel tot Frieslands Foods en daar werd later ook Campina aan toegevoegd waardoor Friesland-Campina ontstond. Dit bedrijf bestaat nog steeds. Voor Friesland-Campina werk ik nog als chauffeur op een RMO melkwagen (Rijdend Melk Ontvangst). Eigenlijk doe ik hetzelfde werk als mijn vader, maar dan in het groot.

Marijke:
‘Wat me het meest is bijgebleven van de melkritten, is dat we nooit vakantie hadden. Vervanging vinden was erg moeilijk. Als we een dagje uit gingen, zei Pa tegen de boeren dat hij de volgende dag wat eerder kwam. Ook kan ik me nog goed herinneren als het nieuwjaar was. De eerste week moest hij bij veel boeren koffiedrinken, soms ook nog een borrel en overal een oliebol. Die waren soms zo hard of taai dat hij ze stiekem in de broek of jaszak stopte om ze thuis aan de varkens te geven. Pa zei dan: “die moet je met een knijptang eten. Wat me ook is bijgebleven is hoe Pa de volle melkbussen van dertig liter op de melkwagen gooide, het was een soort slagwerk . Hij pakte de melkbus bij de handgreep en zwaaide hem tussen zijn benen door de wagen op. Als de slag niet goed ging dan kwam hij tegen de rand van de wagen aan. De bus van 30 liter kwam dan retour en raakte dan wel eens zijn scheenbeen. Pa was maar een mager mannetje met dunne beentjes, zijn scheenbeen zag er soms ook niet uit.’

Joop:
‘Wat mij nog goed is bijgebleven is dat ik toen ik ongeveer zestien jaar was, ik op zaterdagavond alleen een melkrit mocht doen met de tractor. Je hard toen nog geen tractor-rijbewijs nodig. Ik reed veel te hard waardoor ik in een bocht een deel van de melkbussen verloor. Nu was de melkwagen op zaterdagavond ook niet geheel vol, dus schoof de lading bussen gemakkelijk. Ze waren daar thuis niet zo blij mee, maar ja, je bent jong en je hebt weinig ervaring. Maar wat overheerst is dat het een gemoedelijke tijd was.’

 

 

Fotografie: Viorica Cernica

Met de restauratie van de Coberco-schoorsteen aan de Harderwijkerstraat krijgt de zuivelindustrie in Deventer en omstreken de erkenning die het verdient. In het gezin van Gerrit Pakkert speelde de zuivelfabriek in Bathmen een belangrijke rol. Zijn vrouw Janny en zoon Geert halen herinneringen op. ‘Als je verkouden was ging je neus vanzelf open door die dampen.’

‘Het was echt ‘zijn’ fabriek! Gingen we naar een verjaardag of op visite, dan toch eerst even naar de fabriek om te zien of alles in orde was.’ Zoon Geert vervolgt moeder Janny: ‘Als kleine jongen ging ik op zondag al met vader mee als hij de machines controleerde.’ Aan het woord zijn Janny en Geert, echtgenote en zoon van de in 2017 overleden Gerrit Pakkert, die vanaf 1954 tot de sluiting van deze fabriek werkzaam was bij de zuivelfabriek Coöperatie IJsseldal in Bathmen, later Coberco.

 

 

Op de keukentafel van Janny liggen stapels fotoboeken, krantenknipsels en ander aandenken van de zuivelfabriek en het werkzame leven van Gerrit Pakkert. Onder genot van koffie en koek vertellen Geert en Janny honderduit over Gerrit. ’Het leek of hij met de fabriek getrouwd was, maar ik heb er nooit over gemopperd hoor’, zegt Janny. ‘Het was natuurlijk een andere tijd, een werkweek van maandag tot en met zaterdag. De man buitenshuis aan het werk en de vrouw hield thuis alles draaiende.’

Het Battumse boterkanon
Geert geeft meer detail: ‘Vanaf zijn start bij de fabriek werd Gerrit ingewerkt als machinist van de stoomketels en stoommachine. Vele jaren was hij ook de enige technische man. Of het nou elektrisch of mechanisch was, hij zorgde dat het productieproces gaande bleef.’ Geert wijst op een aantal foto’s van een enorme botermassa die uit één kant van een machine komt, nadat er aan de andere kant aangezuurde melk inging. ‘Dat ging constant door. Deze boterbereidingsmachine noemen ze in de volksmond “boterkanon”. Bathmen had daarmee landelijk de primeur! In grote hoeveelheden werd de boter daarna verpakt in kisten en later in dozen. Indrukwekkend om te zien en dat vonden meer mensen. Op de foto’s veel belangstellenden, allemaal heren. ‘Mijn vader is meegegroeid met de techniek en de fabriek in Bathmen.’


“Op zondag ging hij ook altijd even naar de fabriek. De productie lag dan stil en dan kon je goed horen of er lekkages waren”

 

Het was ook de tijd dat er veel ontwikkelingen waren. Ieder boerendorp, ook Bathmen, kende begin van de twintigste eeuw een zuivelfabriek die met hand- of paardenkracht werkte. In de naoorlogse jaren zijn de zuivelfabrieken meer samengegaan en flink gemoderniseerd. In Bathmen is in 1947 een stoommachine geplaatst.

 

 

Een boterbriefje in 1962
Gerrit is als jongen van een jaar of 17 gaan werken in de fabriek. Janny vertelt: ‘Was hij daar net aan het werk, toen hij werd opgeroepen om het land te gaan dienen in militaire dienst. De directeur van de fabriek zei “Ben je bedonderd… de boeren krijgen allemaal vrij van dienst voor het werk op de boerderij … jij ook, daar zorg ik voor.” Fijn dat dit gelukt is! Ik kende Gerrit eigenlijk al mijn hele leven. Bathmen was niet zo groot. Ik woonde op een boerderij aan de andere kant van het dorp en moest boter halen op de fabriek. Zo is onze verkering eigenlijk begonnen, ik was 18 jaar. In 1962 zijn we getrouwd en in dit huis aan de Noteboomstraat gaan wonen. Een aannemer uit Brabant wilde zes woningen bouwen in deze straat, dit was toen de verste uithoek van het dorp. Er was er eentje nog niet verkocht en Gerrit zei “die is voor mij”. Op zijn fiets was hij vanaf huis zo op de fabriek. Tussen de middag kwam hij thuis een hapje eten, even tien minuten de ogen dicht en dan weer aan het werk. Ik woon nog steeds met veel plezier in dit huis en Geert en zijn gezin wonen hier in de buurt.’

 

 

Passie en arbeidsvreugde
In de fabriek werkten aanvankelijk zo’n 20 tot 25 mannen, die allen in Bathmen woonden. Iedereen kende elkaar en dat was heel gemoedelijk. Gerrit was een gepassioneerd medewerker en de stoommachine was zijn trots. Hij was eigenlijk altijd bezig met zijn werk. ‘Op zondag ging hij ook altijd even naar de fabriek. De productie lag dan stil en dan kon je goed horen of er lekkages waren’, vertelt Geert. ‘Als klein jongetje ging ik dan al mee en wat ik nog goed weet is dat het er altijd naar ammoniak rook. Als je verkouden was, ging je neus vanzelf open door die dampen.’ Moeder Janny laat nog een foto zien waarop kleine Geert in het ketelhuis van de fabriek staat. Zo is ook de interesse voor de fabriek en de geschiedenis eromheen met de paplepel ingegoten. Net als zijn vader is ook Geert lid geworden van de Oudheidkundige Kring Bathmen.

 

“Zijn overall kon je na zijn vakantiewerk rechtop neerzetten”

 

Boter én kaas
In 1952 is ook een kaasmakerij verbonden aan de fabriek in Bathmen. ‘Dat proces heeft Gerrit bijna vanaf het begin meegemaakt.’ Geert pakt nog een boekje vol foto’s van het kaasproces en blijkt ook zelf gewerkt te hebben in de bereiding van kazen. Begin jaren 80 heeft hij er meerdere keren vakantiewerk gedaan.

Geert vertelt over het persen van de wrongel, het stremsel in grote blauwe emmers, de pekelbaden en het plastificeren van de kazen. Het vakantiewerk van Geert was boven in het kaaspakhuis waar hij de coating, een soort plastic laag, om de kazen moest aanbrengen. ‘Het vloeibare spul werd over de kazen gegoten die in grote ronddraaiende trommels lagen. De coating hechtte dan aan de kazen waarna ik ze er met de hand weer uit moest halen en te drogen leggen. In de dagen erna moesten de kazen verschillende keren gedraaid worden.’ Dat lijkt een vies werkje en op de vraag of Geert dan ook handschoenen aan had, antwoordt hij: ‘Nee want die bleven natuurlijk aan die kazen plakken. Gewoon met de blote hand en tot de ellenbogen zat dat spul op je armen.’ Janny vult lachend aan: ’Zijn overall kon je na zijn vakantiewerk rechtop neerzetten. Hoe langer het plastic droogde des te harder het werd’. Kreeg ze die wel weer schoon? ‘Nou nee die gooide ik maar gewoon weg.’ Geert en Janny hebben nog levendige herinneringen aan het vakantiewerk.

 


Melkbussen, bloembakken en wasgoedemmers
Gerrit Pakkert heeft tot de sluiting van de fabriek in Bathmen in 1985 gewerkt als machinist en technische man. De productie werd toen overgenomen door andere fabrieken van Coberco. Het personeel werd verdeeld over die fabrieken of verlieten de fabriek op natuurlijke wijze. Gerrit ging naar de boterfabriek in Lochem en is uiteindelijk in 1994 vervroegd uitgetreden.

 

Geert, in de fabriek van zijn vader.

 

Na de ontmanteling van de fabriek krijgt het pand een wisselende bestemming. Momenteel huisvest het o.a. een garagebedrijf en een kapsalon. Kleinere aandenken zijn er ook. Wat te denken van de grote blauwe emmers waar het stremsel in zat, die worden al 40 jaar gebruikt in menig huishouden voor het wasgoed, tuinafval en speelgoed. Meer materialen krijgen een tweede leven en zijn een herinnering aan de Battumse zuivelfabriek. Trots laat Geert twee houten kuipjes zien, vroeger om kazen in te maken, nu in gebruik als bloembakken. Overal in Bathmen kom je ze tegen. Ronde, vierkante, grote of edammer-maat, ze blijven mooi! In de gang bij Janny staat een melkbus waar de fabriek IJsseldal prachtig op geschilderd is. Het huis van Janny heeft huisnummer 13. Bij de voordeur zie je deze cijfers van koper, afkomstig van de stoomketels waar Gerrit Pakkert al die jaren met veel plezier werkte. Een dierbaar aandenken en zo is Gerrit nog steeds nabij.

Fotografie: (Cora Sens en Ron Lustig, namens de Salon Fotografencollectief.)
Foto Geert, in de fabriek van zijn vader: Janny Pakkert

Een van de weinig overgebleven boerderijen in de Deventer uiterwaarden is de Johannahoeve. Ingeklemd tussen de Bolwerkersweg en de Wilpsedijk ten zuidwesten van Deventer is dit de omgeving van Arnold Klunder. Op de hoeve waar hij opgroeide, runt hij nu met zijn zoons melkveehouderij B®oertjes Klunder. ‘Zo weids als het nu voor onze boerderij is, was het vroeger niet.’

Het boerenbedrijf was en is nog steeds een nadrukkelijk onderdeel van het Deventer landschap. Was dat eerst in de stad, later verschoof dat naar het buitengebied. De Deventer uiterwaarden zagen er na de Tweede Wereldoorlog heel anders uit dan nu. Dat was toen veel meer agrarisch met akkers, weilanden en vele keuterboertjes. De IJssel was smaller en kronkelde meer door het landschap.

 

 

Na de oorlog
Zo weet ook Arnold Klunder. Zijn roots en die van boerderij de Johannahoeve liggen in de Schoolstraat in de stad Deventer. Daar had zijn opa tot 1945 een stadsboerderij, die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door bombardementen werd vernield. Het duurde tot 1948 tot opa zijn intrek kon nemen in een met Marshallhulp gebouwde Wederopbouwboerderij. Dat was de Johannahoeve (vernoemd naar zijn oma) in de uiterwaarden ten zuidwesten van Deventer ingesloten tussen de Bolwerkersweg en de Wilpsedijk. ‘Toen mijn vader hier in 1948 begon, had je achter deze meidoornstruiken tot aan waar nu de Wilpsedijk ligt, zo’n tien keuterboeren, die op de weilanden van 0,5 tot 1,5 hectare tien tot vijftien koeien lieten grazen. Meestal hadden ze ook nog wat akkerbouw. Die keuterboeren hadden geen boerderij, maar woonden op de Steenenkamer of in de stad. Mijn opa en mijn vader begonnen in 1948 met 20 hectare en 24 melkkoeien, waarmee ze veruit de grootste waren,’ vertelt Arnold.

 

‘Volgens onderzoek zijn onze meidoorns meer dan 250 jaar oud’

 

Jaren vijftig/zestig
We gaan met Arnold terug naar zijn kindertijd. En dan hebben we het over eind jaren vijftig begin jaren zestig. Speelgoed of TV was er niet. ‘We speelden in het landschap. Nu bestaat het landschap voor en achter onze hoeve uit weiden, akkerland en hagen. Zo weids als het nu voor onze boerderij is, was het 76 jaar geleden niet. Voor onze boerderij lag een grote boomgaard, die er al was toen de Johannahoeve nog gebouwd moest worden. Tijdens het bombardement aan het eind van de oorlog is deze boomgaard op 1 appelboom na, verwoest. En die ene appelboom staat er nog steeds en is meer dan 100 jaar oud en beeldbepalend voor de Johannahoeve. De IJssel was toen wel een stuk minder breed en de Wilpsedijk was geloof ik zestig jaar geleden een meter lager. Verder is er niet veel veranderd aan het landschap rondom de hoeve. Ik zal je vertellen, de glooiing van de oude IJssel (toen die nog een andere loop had) zie je nog terug in de weilanden. Ik weet niet anders dat dat weidelandschap werd doorbroken door kilometerslange meidoornhagen. Volgens onderzoek zijn onze meidoorns meer dan 250 jaar oud. Die meidoorn loopt helemaal door naar de Schoenmakershoeve en aan de andere kant van onze boerderij liep die door naar het puinweggetje naar de Bolwerkersweg.’

 

 

Dubbelstad
Het Deventer Landschap had er heel anders kunnen uitzien als de plannen voor Deventer Dubbelstad waren doorgegaan. In 1959 publiceerde de gemeente Deventer het plan Deventer Dubbelstad. Daarin zou Deventer door middel van een sprong over de IJssel uitgroeien tot een stad van 250.000 inwoners. ‘Daar kregen wij ook mee te maken’, vertelt Arnold. ‘Want beging jaren zestig werden de pachters van wie het contract afliep de pacht opgezegd. Die gronden kwamen toen allemaal braak te liggen in afwachting van het verloop van de Dubbelstad. Daarin werden ook de Steenenkamer en de Worp betrokken. Deventer zou hierdoor uitgroeien naar zo’n 250.000 inwoners. Hoe anders zou het hier dan hebben uitgezien’, zegt Arnold. ‘Wij zouden moeten verkassen En daar waren toen vergevorderde plannen voor. Mijn vader kreeg het aanbod naar Groesbeek te verhuizen. Maar dat was geen optie’, vond mijn vader. De Dubbelstad werd in 1968 afgeblazen. Even is er toen gespeeld met het idee om de gemeente Diepenveen in te lijven. Dat lukte niet, maar wat wel lukte was om Colmschate te annexeren. In 2000 werd alsnog de gemeente Diepenveen toegevoegd aan Deventer. En in 2005 kwam de gemeente Bathmen er ook bij.

 

 

Aanleg E8
‘Een ingrijpende verandering aan de Deventer uiterwaarden was de aanleg van de E8/A1 vanaf 1968. Mijn buurman Venink van de Schoenmakershoeve zei in dat jaar: “dit is de laatste keer dat ik hier het grasland aan het maaien ben. Er komt hier een weg en een brug over de IJssel. Dit om de Rijksstraatweg en de Wilhelminabrug te ontlasten”. Ik kon me daar toen als puber van 17 jaar niets bij voorstellen.’ Arnold laat een oude foto zien waarop je de werkzaamheden aan de brug over de IJssel op een grote afstand kunt zien. Deze brug was onderdeel van de nieuwe snelweg E8/A1 waarvan in de jaren 70 het deel tussen Deventer en Hengelo werd gerealiseerd.   

Pothoofd
Nog een grote verandering vond plaats aan het Deventer aangezicht. In de 20ste eeuw was het Pothoofd een haven met overslagbedrijven, pakhuizen en vele bedrijfjes. Er werden granen, kunstmest en dergelijke gelost. Het Pothoofd veranderde vanaf eind jaren zestig langzaam tot wat het nu is. In 1969 verdween de overslagactiviteit op het Pothoofd. ‘Op grote afstand konden we dat waarnemen. De loskranen van het Deventer Overslagbedrijf zijn afgebroken en zijn nog steeds te zien in Doesburg, als industrieel erfgoed.’
Tot het jaar 2000 was er bedrijvigheid met vele kleinere bedrijven op het Pothoofd. Die bedrijven zijn gesloopt, als laatste vertrok autobedrijf Pouw. Het uitzicht op Deventer veranderde echter drastisch toen in 2005 aan het Pothoofd moderne torenflats verschenen met 173 luxe appartementen. Nu nog steeds beeldbepalend. Verder herinnert Arnold zich dat ook in de jaren zestig van de vorige eeuw een groot herenhuis plaats maakte voor de Schippersflat.

 

 

Weidevogels
Door verkeerd bemesten, bestrijdingsmiddelen maar vooral door de droogte, zijn de weidevogels de afgelopen tien jaar bijna verdwenen uit ons landschap. De Tureluur, Veldleeuwerik, Grutto, Scholekster en Kievit, je ziet ze nu bijna niet. Met de aanleg van twee (een derde komt er) zogeheten plasdrassen in zijn weilanden hoopt Arnold dat deze weidevogels weer terugkomen. ‘Voor elke plasdras hebben we stukken gras afgegraven die we met een waterpomp, die draait op zonnepanelen, drassig houden. In 2016 telden we hier 25 paartjes weidevogels. Nu met deze plasdras hoop ik ze weer terug te krijgen. Vorig jaar hadden we alweer 6 paartjes grutto’s, 2 paren tureluurs en 12 paartjes Kieviten. Ik hoop en verwacht dat we dit jaar op het dubbele uitkomen.  Mijn buurman Velderman heeft sinds kort ook een plasdras aangelegd. En die willen we verbinden met onze plasdras zodat je een geheel krijgt.’

 

Fotografie: Viorica Cernica

De fabriek van Ankersmit, de omliggende wijk Zandweerd en de aangrenzende IJssel vormden het landschap waarin Adriaan Wielhouwer (1942) opgroeide. ‘In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan.’

‘Leren vond ik niks toen ik op de mulo zat, ik ging liever vissen, ik zat altijd aan de waterkant. Mijn vader zei: “of je gaat studeren of je moet werken.” Meer keuzes waren er niet. Nou dan maar werken, in de fabriek. Mijn vader was een hele goede verpleegkundige en hij kreeg een betrekking bij Brinkgreven. Tja, dan moest je mee he? Dat was zo in die tijd. Ik was toen zeventien.’

 

 

‘Een vriend van me was al eerder naar Deventer verhuisd. Hij nam me op sleeptouw toen ik verhuisd was. Mijn vader zei: “Je hoeft de eerste drie maanden geen kostgeld te betalen, maar dan moet je zorgen dat je binnen drie maanden een baan hebt.” Via-via ben ik er bij Ankersmit in gerold. Ik kwam terecht op de graveerderij en dat leek me wel wat. Het was een beetje technisch werk. Niet dat ik technisch geschoold was, ik had helemaal geen opleiding. Twee jaar mulo, dat was alles.’

Zelfgemaakt vuurwerk
‘Wij woonden aan de Veenweg, bij de blikfabriek. In onze straat stond een rijtje huizen, wij woonden vlakbij het tunneltje en bij de Snipperlingsdijk. In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan. Iets voorbij de woonarken staak ik daar met wat vrienden in de decembertijd ook zelfgemaakt vuurwerk af. We maakten een enorm gat, vulden dat met zand en plaatsten een zelf geknutselde bom erin, die stak je aan en ‘KNAL!!!’. Maar er kwam niemand ooit kijken ofzo. Soms denk je wel, dat kon toen zomaar.’
‘Ik had een houten bootje achter het huis liggen en had er een paar wielen onder gemaakt. Met dat bootje ging ik iets voorbij Klosters aan de Snipperlingsdijk het water op. Dan roeide ik wat verder tot op het Overijssels kanaal, om te vissen. Ik ving er ook goed, van alles wel, brasem, paling, snoekbaars. Tja, geweldig was dat.’

 

 

Zaagsel als bescherming
‘Bij Ankersmit ben ik aangenomen als leerling, dat stelsel had je toen nog. Langzaam kon je ervaring opbouwen en als er weer een nieuwe leerling kwam, kon ik een stap verder, aan de machine en zo verder. Maar je begon gewoon met de vloer aanvegen. In de begintijd als jongste bediende moest ik regelmatig zaagsel halen bij de aansluitende houtfabriek van Stoffel. Dan ging ik buitenom. Via bruggetjes over een zij-inham van de IJssel, die door Ankersmit gebruikt werd als koelwater, liep tot bij de houtfabriek en dan moest ik terug met de emmer zaagsel. Dat werd dan nat gemaakt en gestrooid onder de machines tegen het stof ter bescherming van machines en drukwalsen. Later in de week, op zaterdag, moest ik dat met een stoffer allemaal opvegen. Ik zag er dan uit als een beest.’

 

 

‘In de ochtend ging ik op de fiets naar de Zandweerd, daar had Ankersmit een enorm groot terrein. Direct als je de fabriekspoort door was, kwam je op een lange straat met aan de linkerkant de spinnerij. Ik werkte verderop in een gebouw met vier verdiepingen en een torentje. De bovenste verdieping was de handdrukkerij, op de derde, mijn plek, was de graveerderij en lager, wat deden ze daar toch? Spoelen of verven. Aan de rechterkant van de graveerderij zag je die bakken met blauwe verf staan. Soms moest ik op een andere afdeling weleens wat halen, en dan ging ik via deuren buitenom, door gangen en andere fabrieksgebouwen. Je was zo een kwartiertje kwijt, voordat je weer op de werkplek terug was. Het was een enorm terrein, maar zonder bomen.’

Diensttijd in Nieuw-Guinea
In die tijd, ik was achttien, negentien jaar, dacht ik niet zoveel na over carrière. Tenminste toen in die tijd nog niet. Werk was werk. Simpel werken, waarmee ik wat geld had om een autootje te kopen. Ik heb daar gewerkt van 1959 tot en met 1961. En van ‘62 tot en met ‘66. Die periode er tussenuit ben ik in dienst geweest, in Nieuw-Guinea, omdat ik dat spannend vond. In Nederland heb ik vooraf een opleiding gehad om het werk in Nieuw-Guinea correct uit te kunnen voeren. Omdat ik in de textiel werkte, werd ik in  Nieuw-Guinea ingedeeld bij de stoffen. In dit geval de wasserij, samen met een collega-militair uit de textiel. De inheemse mensen moesten daar het werk uitvoeren en onze taak was controleren of alles goed ging. Het was een tijd waarin ik wat van de wereld kon zien, ik herinner me nog de warmte en alle bijzondere dieren. Ik heb in mijn vrije tijd heel wat dieren opgezet. Na dienst kon ik direct weer aan de slag bij Ankersmit. Het werk bleef gewoon het werk, er was er niks veranderd. Alleen ik was zo veranderd. Wat volwassener en serieuzer.’

 

 

Sigaar
Ik kan me nog herinneren dat we elke middag een half uurtje pauze hadden en in de zomer zwom ik dan met een collega de IJssel over. We hadden precies tijd voor over en weer terug. We zwommen met een sigaar in ons mond. Het was de bedoeling om de sigaar droog te houden. Dat lukte ook.
Dat overzwemmen zou nu niet meer kunnen. De IJssel is wat breder geworden, wat uitgediept hier en daar en veel meer scheepvaart. Tja, in de tijd dat ik er werkte, kwam je af en toe eens een boot tegen, maar die zag je al van verre en dan daar paste je je zwemmen op aan. Maar als je ziet wat voor boten er nu langs komen. Onvergelijkbaar.’

Serieuzer door sluiting
‘Maar terug bij het werk, op 5 december 1965 moesten we allemaal bij elkaar komen in de kantine en kregen we te horen ”De fabriek gaat dicht.” Van de ene op de andere dag. Hoewel onze afdeling voor de Afrikaanse wasdruk tot in 1966 doorging. Misschien juist wel door die sluiting, ging ik wat serieuzer op zoek naar beter werk. Ik wilde niet steeds weer ontslagen worden en dacht aan drie opties waar altijd werk blijft; politie, belastingen en verpleging. Dat laatste beroep kende ik van mijn vader, die als B-verpleegkundige werk genoeg had.’

‘Ik ben begonnen, eind februari in Groot Graffel in Zutphen. Het eerste jaar ging heel voorspoedig en het tweede jaar ben ik naar Brinkgreven gegaan. Het liep als een trein, ook met de opleiding. Na één jaar was ik al eerste B-verpleegkundige. Ik wilde wat verder kijken en in MSPO (middelbaar sociaalpedagogisch onderwijs), kon ik als docent, leidinggevende en later zelfs adjunct-hoofd opleidingen werken. Zo heb ik zo’n 25 jaar in het verpleeg-onderwijs gezeten, erg naar mijn zin.’

‘Tegenwoordig woon ik in Dronten, een eigen huis met een fikse tuin, waar ik graag in werk. En aan de waterkant zit ik nog altijd vaak. Deventer was voor mij de stad met gewone mensen, waar niemand onder- of bovenuit stak, een fijne stad.’

Beelden kunstenaar Harry Schömaker woont al 30 jaar praktisch aan de IJssel, zijn tuin grenst aan de uiterwaarden. Terwijl zowel stad als de IJssel langzaam dichterbij kruipen, blijft hij het landschap schilderen én koesteren. ‘Ik voel me bevoorrecht.’

Hoe zou je het Deventer landschap omschrijven?
Het is vooral een landelijk landschap met veel groen, boerenbedrijven, akkers, weilanden en natuurlijk de IJssel die sinds het ontstaan van Deventer zo belangrijk is geweest voor de stad. Denk aan het Hanzeverbond, waardoor Deventer tijdens de middeleeuwen een welvarende stad werd. Maar de IJssel speelt ook nu nog een belangrijke rol in de bedrijvigheid, scheepvaart, watersport(roeivereniging Daventria werd in 1884 opgericht) en toerisme.’

 

 

Hoe ervaar je zelf het landschap waar je in woont?
Ik koester dat landschap, de nabijheid van het water, de weidsheid van de uiterwaarden met al die vogels, maar ook de bossen in de omgeving en de landhuizen, denk bijvoorbeeld aan landgoed de Haere. Het is een afwisselend en ook vaak veranderend landschap waarbij dat laatste vooral door de IJssel komt. Maar ik koester het ook, omdat ik in dit landschap al praktisch mijn hele leven woon en me er mee verbonden voel.’

In 2000 heb je honderd aquarellen gemaakt over de IJssel vanuit het uitzicht van je tuin dus het was een bron van inspiratie. En 25 jaar geleden nam je deel aan een expositie over het Deventer landschap, waarbij de kunstenaars hun visie mochten geven over dat landschap. Een van de schilderijen heette “de oprukkende stad”, met andere woorden, de stad verdringt het platteland, hoe heb je dat zelf ervaren?
Ja, dat herken ik wel, Deventer als stad is de afgelopen 25 jaar enorm uitgebreid, alleen al in Colmschate wonen nu 30.000 mensen, daarvoor was het vooral boerenland. Toen ik kind was, keek ik vanuit mijn ouderlijk huis (in Diepenveen) uit over de weilanden en speelde ik in de bossen. Dat uitzicht is helemaal weg, daar zijn nieuwbouwwijken voor in de plaats gekomen. Voor kinderen is spelen in de bossen en bijvoorbeeld hutten bouwen vrijwel niet meer mogelijk.’

Dus je hebt de stad letterlijk op je af zien komen?
‘Dat kun je in zijn algemeenheid wel zeggen zo zeggen, alhoewel behoud van natuur momenteel steeds meer prioriteit krijgt, voor mijn eigen uitzicht is er gelukkig nog niet veel veranderd. Behalve dat bij hoog water de IJssel wel steeds dichterbij komt.’

 

‘Het is soms, ondanks de schoonheid van dit landschap, wel erg gestructureerd’

 

Hoe is het om naast de uiterwaarden te wonen?
‘Dat blijft heel mooi. Maar ook in dat gebied is veel veranderd. Toen ik hier kwam wonen kon je vrij met de hond door de weilanden struinen en kon je tot aan de IJssel lopen. En je kon ’s zomers zwemmen, op toen nog vrij toegankelijke strandjes. Dat is nu erg ingeperkt, terecht overigens, ter bescherming van flora en fauna. Denk bijvoorbeeld ook aan het project Ruimte voor de rivier, waardoor bij hoog water de IJssel letterlijk uit haar oevers kan treden en de Welle kade niet meer overstroomt, alhoewel het pasgeleden nog kantje boord was. Verder speelt het Waterschap in Deventer en de stichting IJssellandschap een grote rol bij de inrichting van het landschap. De hond moet aangelijnd, je mag alleen nog op de gebaande paden lopen en zij bepalen waar je op een bankje mag zitten om te genieten van het landschap dat zij mede bedacht hebben. Het heet natuur maar het is steeds meer cultuur. Het is soms, ondanks de schoonheid van dit landschap, wel erg gestructureerd. Maar ik besef heel goed dat als de overheid hierin niet regulerend zou optreden het met de toegenomen drukte van al die mensen die hier rondlopen voor de natuur ook niet goed zou uitpakken.

 

 

Dus het is niet meer het landschap van 25 jaar geleden?
Nee zeker niet, meer stad en minder natuur waarbij die natuur, mogelijk noodzakelijkerwijs, meer ingericht en gestructureerd is met meer regels waar we ons aan moeten houden. Maar het blijft een prachtig landschap met de IJssel in de achtertuin en ik voel me bevoorrecht dat ik in deze mooie omgeving mag wonen.’

https://www.jhschomaker.com/
Fotografie: Cora Sens 

Als laatste directeur van Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters weet Hendrik Jan Peters hoe een stedelijk landschap kan veranderen. Hij blikt terug op de industriële bedrijvigheid in Zandweerd, waar zijn overgrootvader destijds een fabriek had gevestigd. ‘Soms kleurde de IJssel rood van de kleurstof.’

‘In 1907 vestigde mijn overgrootvader H.J. Peters, Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters aan de Lange Zandstraat, in Zandweerd. Daarvoor was hij onderdirecteur bij de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek. Onze hele familie was betrokken bij de weverij. Toen er in de jaren vijftig en zestig een grote dip ontstond in de vraag naar textiel, ontstond er discussie binnen de familie. Hoe nu verder? Uiteindelijk is besloten het roer om te gooien, in samenwerking met een andere partner in tapijt- en grondstoffen. Bij die turnaround binnen het bedrijf, kreeg ik het verzoek vanuit mijn familie: “wil jij ook voor ons komen werken?” Dat was 1968, ik had net mijn studie aan de Hogere Textielschool afgerond. Toch kreeg ik mijn plek in het bedrijf niet cadeau. Al snel werd er namelijk door de familie gezegd: “Je kunt dan wel gestudeerd hebben, maar jij gaat eerst maar eens kijken hoe tapijt verkocht moet worden.” Dat heb ik gedaan. En ik zag ook al vrij snel nieuwe kansen. Er kwam gelukkig weer voldoende kapitaal binnen, waarmee we ons konden ontwikkelen.’

 

 

Opslag in leegstaande hallen van Ankersmit
‘We zijn destijds sterk gegroeid. We hadden daardoor extra ruimte nodig voor de opslag van garens. In de leegstaande hallen van de toen net gesloten textielfabriek Ankersmit konden we zo’n 40.000 vierkante meter ruimte huren. Op zich een heel interessante tijd, omdat wij productontwikkeling moesten doen. Je besefte wel steeds dat de fabriek te midden van de woonhuizen stond.’

 

Vrijwel direct na het schoonblazen van de schoorsteen kwamen de telefoontjes uit de buurt’

 

Vlampijpen schoonblazen
‘We hadden hier in Zandweerd een ketelhuis. Daar stonden stoomketels, want stoom was nodig voor de productie en de verwarming. We stookten op kolen en bij de ketels stond een grote schoorsteen. De geroete vlampijpen maakten we schoon door er met stoom doorheen te blazen. Dat deden wij altijd op maandag. En we konden er de klok gelijk opzetten: vrijwel direct na het schoonblazen, kwamen de telefoontjes uit de buurt: “Oh, mijn wasgoed hangt buiten…” Soms kwamen mensen zelfs naar kantoor. In totaal stonden er destijds drie fabrieken in Zandweerd en gaandeweg werd wel duidelijk dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest. Daar was en ben ik het serieus mee eens.’

 

 

De IJssel blauw, of rood.
Vroeger bestonden er nog andere productiemethoden. Zo werkten we met latex-oplossingen, beenderlijm of zetmeel. Dat brandt niet, maar het stinkt wel! We gebruiken ook kleurstof, om garens te verven. Die verfresten liepen na de productie via een zinkput met spoelwater het riool in. En in die dagen kwam dat uit in de IJssel. Soms zag je blauwe verf in het water. Waarschijnlijk kleurstof van Ankersmit? Of het water kleurde rood. Van het tapijt, van Peters? Zo vroeg Zandweerd zich af, wie er achter die kleuren in de IJssel zat. Grote Ankersmit of kleine Peters?’

 

 

Brand in onze magazijnen op het Ankersmit-terrein
‘In onze magazijnen op het Ankersmit-terrein zijn drie branden geweest. Een keer op oudejaarsdag, door vuurwerk. Die laatste brand was binnen een half uur geblust. De brandweerkazerne zat toen nog in de Lange Zandstraat. Ik ben daar jarenlang brandmeester geweest. Dat was een familietraditie. Mijn grootvader was dertig jaar lang directeur der Deventer Brandweer. En mijn vader was jarenlang ondercommandant, hier in Deventer. Toen ik na mijn studie in 1968 terugkwam in Deventer werd mij gevraagd of ik ook brandweerwerk wilde doen. Natuurlijk wilde ik dat. Uiteindelijk kon ik dat met de dagelijkse drukte tussen de verschillende productielocaties niet volhouden. Maar die branden destijds heb ik van dichtbij meegemaakt. Het stond in de kranten iedereen sprak erover. “Heeft papa een leuke barbecue gehouden?”, zo kwam dochterlief thuis, van de lagere school, waar iedereen het natuurlijk over de brand had gehad. Dus ik zei toen tegen mijn secretaresse: “Bel banketbakker Wiltink ,die zat destijds direct op de hoek van de Radstakeweg, en vraag of ze honderd taarten willen maken. Dan kunnen we in ieder geval alle bewoners als troost bij de brand een taart aan huis bezorgen. Nou, dat werd natuurlijk geweldig op prijs gesteld. De kleine dingen zijn dan toch belangrijk.’

Uiteindelijke consequentie
‘Natuurlijk waren we ook goed verzekerd. Die noodzaak kent iedere textielfabrikant, of grondstofleverancier, zoals de onderneming die bij ons ook aandeelhouder was. Díe organisatie was de juridische en commerciële eigenaar van de textiel-grondstoffen en inventaris. Niet H.J. Peters. Ons bedrijf managede de activiteiten en verwerking. Maar ík kreeg de verzekeraars op bezoek. En ook al werd voor iedereen alles netjes afgehandeld, met name die branden en de nasleep ervan toonden aan dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest.’

 

 

Weg uit de wijk
‘Stap voor stap werden de activiteiten aan de Lange Zandstraat beëindigd en uiteindelijk is alles gesloopt voor woningbouw. Ik wilde wel in Deventer blijven produceren. Daarom stond ik in 1987 bij de gemeente op de stoep en vertelde hen: “Ik heb een paar duizend vierkante meter grond nodig op het industrieterrein. Ik wil er een kantoor op bouwen en ik wil er een hal bouwen, want ik moet een stuk productie onderbrengen. In 1988 hebben we op Kloosterlanden een pand kunnen neerzetten, direct aan de A1. Weg met de bedrijven uit Zandweerd. En zo is het gegaan.”

 

Ter herinnering aan de tapijtfabriek rest nog de naam van het pad dat de wijk doorsnijdt: PETERSPAD.

Fotografie: Viorica Cernica