Zijn creativiteit en muzikaliteit brachten Deventenaar Ebe van der Meer veel in zijn bewogen leven. Lange tijd ruilde hij Deventer in voor Afrika en later Parijs, om toch weer te keren naar zijn stad aan de IJssel. ‘Jan Ankersmit was zo vriendelijk om een klein leegstaand huis achteraan op de Radstakeweg aan ons te verhuren.’
‘Mijn ouders zijn na de oorlog in de Erasmusstraat gaan wonen. Op nummer 10. Mijn vader had een baan bij de gemeentepolitie. Toen was ik een ventje van drie jaar. Ik weet nog dat er al dansend en vlaggend bevrijdingsfeesten werden gehouden op het plein voor de Peugeot-garage op de ruime hoek bij de Everhard van Bronckhorststraat en de Richard Paffraedstraat. Op mijn 15e, toen m’n ouders daar nog steeds woonden, had ik er een buurtbandje met muzikanten uit de Erasmusstraat en de Richard Paffraedstraat. Een oom van onze pianist Arnold Kamphuis heeft toen de naam Eastland Combo voor dat bandje bedacht. Jacques Los was de tenorsaxofonist, Frans Kanaar de drummer en Frans Boone was de gitarist. Zelf was ik de trompettist en de dwarsfluitspeler. Vele optredens volgden, onder andere in de foyer van de (oude) Schouwburg en in de grote zaal van de Buitensociëteit op de Worp.’

Grote liefde Dieuwke
‘Nadat mijn lippen overbelast raakten van hoge en te snelle noten op de trompet heb ik in 2007 de contrabas gekozen, om als er even gelegenheid is op te spelen en te studeren. Als kind speelde ik al op een cello, dus de stap naar de contrabas was niet zo groot. Over allerlei soorten muziek, over zowel mooie ontmoetingen als pijnlijke herinneringen tijdens de tien jaar met mijn vrouw Dieuwke in West- en Centraal Afrika zal ik nog wel uitgebreider ingaan. Mijn vrouw heette Dieuwke Canrinus, mijn grote liefde, die te jong gestorven is. Zij was 11 jaar en ik was 12, toen we bijna in dezelfde straat wonend elkaar al leuk vonden.’
Kunst
‘Als kind van een jaar of 14 ontmoette ik Eduard Boll die tekenaar was op de ontwerpafdeling van de Ankersmit Textielfabrieken in Deventer. Mijn vader werkte daar ook en ik scharrelde er soms wat rond. Altijd al dol op tekenen, genoot ik van de tekenlessen die Eduard Bol me tijdens mijn vakanties van de middelbare school wilde geven. Jaren later toen ik op de Academie voor Kunst en Industrie studeerde, keerde ik weer eens bij Eduard Boll terug om echt betaald vakantiewerk te gaan doen. Ik keek bij hem vooral de kunst van het batiktekenen af, want die speciale lessen kreeg je elders niet.’
“Eduard Boll nodigde me uit om naar Nigeria te komen”
Vaessen & Schoemaker
‘Na mijn studie vond ik in 1964 een goede baan als grafisch ontwerper bij het reclamebureau van Vaessen & Schoemaker aan de Singel in Deventer. Ook hier had ik profijt van wat Eduard mij had geleerd. Interessant werk, mooie opdrachten.’
Nigeria
‘Twee jaar later kwam Eduard Boll opnieuw in beeld. Hij werkte inmiddels als ontwerper van imitatie-batiksstoffen in de Nigeriaanse stad Lagos, bij een Amerikaans bedrijf dat ‘Indian Head Mills & Co’ heette en het hoofdkantoor in New York had. De ontwerpen die Eduard maakte voor dat Amerikaanse bedrijf noem ik nadrukkelijk “imitaties”. De stoffen werden namelijk niet, zoals bij Ankersmit, écht gebatikt: met hars bewerkt om daarna te worden ondergedompeld in een indigo-verfbad, maar met een goedkopere druktechniek aan één zijde bedrukt. Eduard nodigde me uit om naar Nigeria te komen om hem te helpen lokale medewerkers tot tekenaars op te leiden. Er was toen internationaal bijzonder veel vraag naar de veelkleurige batik-stoffen.’

Aankomst in Afrika
‘Met die uitnodiging voelde ik me zeer vereerd en in 1966 vertrok ik naar Lagos, in eerste instantie nog zonder mijn vrouw Dieuwke. Het werd mijn eerste taak om Eduard Boll te vervangen tijdens zijn twee maanden durende vakantie. Een introductie of inwerken op zijn niet-gekoelde tekenkamers was er nauwelijks bij. Maar het daar mogen werken voelde al direct goed. Ik kreeg steeds meer plezier in het lesgeven en mijn studenten waren leergierig en enthousiast. De eerste 50 Lagos-ontwerpen werden gebruikt voor The African Look Mode in New York in 1967. Dat was een hele eer!’
Spanningen
‘In Lagos bereidde ik me een half jaar lang voor op de volgende opdracht, ik kreeg de leiding over de nieuwe ontwerpstudio die het eerdergenoemde Amerikaanse bedrijf in de Oost-Nigeriaanse stad Onitsha intussen had opgezet. En of het reizen niets kostte, lag die stad wel zo’n vijfhonderd kilometer ten oosten van Lagos. Er waren in die periode al spanningen tussen de Christelijke lgbo-gemeenschap uit de Zuidelijke delta- en kustgebieden en de Islamitische Hausa-gemeenschap uit het Noorden van Nigeria. De Igbo lieten toen al nadrukkelijk weten zich te willen afscheiden van Nigeria en noemden hun “nieuwe land” Biafra.’
Fijne en veilige woonplek
‘Dieuwke arriveerde in Onitsha in het najaar van 1966. Toen was dat nog een fijne en veilige woonplek, we merkten in het dagelijks leven weinig van de onlusten in de regio’s. We leefden, werkten, zwommen ons fris én genoten daar te midden van een internationale gemeenschap. Kort daarna liepen de spanningen alsnog zo hoog op, dat we genoodzaakt waren het land te verlaten.’
‘Mijn dwarsfluit werd steeds aangezien voor een wapen’
Vertrek uit Afrika
‘Biafra binnenkomen was niet zo moeilijk, maar Biafra verlaten werd een hel. Sterfelijkheid kwam heel dichtbij toen er iemand dacht dat ik een huurling was, met mijn blanke kop. Ik werd gericht beschoten, maar de kogel schampte slechts mijn huid. Over deze periode spreek ik nog steeds niet graag, het was een angstige, zenuwslopende tijd. Er waren in Nigeria steeds meer wegversperringen, de sfeer verhardde. Het lokale personeel liep groot gevaar en vertrok. De Amerikanen mochten niet meer werken. De vrouwen en kinderen konden evacueren met vooral Engelse hulp en Dieuwke vertrok met hen. De Amerikanen van de textielfabriek waren al druk bezig zich te laten evacueren via een ophaalboot in Port Harcourt. Ik was de laatste van de fabriek die nog moest proberen weg te komen, terug naar Lagos bijvoorbeeld waar het veiliger was.’
Wapen of dwarsfluit
‘Aan een neutrale Nigeriaanse vertrouweling vroeg ik of hij me met één van de vele fabrieksauto’s bij de Niger Rivier in de buurt van Onitsha wilde afzetten. Bij de roadblocks werden mijn persoonlijke bezittingen afgepakt, mijn paspoort, mijn geld en tenslotte mijn laatste bezit, een dwarsfluit in een houten foudraal. Die dwarsfluit werd steeds aangezien voor een wapen… Totdat ik er op blies. Het vliegveld was al kapotgeschoten, de brug over de Niger vernield. Post en telefoon werkten niet. Ik kon niemand meer bereiken. Bij de brede Niger-rivier lukte het de auto om te ruilen voor een kano. De behulpzame chauffeur betaalde ik ruim voor zijn terugreis en met mijn laatste centen lukte de oversteek naar het veiliger Nigeria. Het liep allemaal goed af en gelukkig vond ik een taxichauffeur aan de overkant van de rivier die me naar de Nederlandse ambassade in Lagos wilde brengen. De ambassade betaalde die lange taxirit en met een diplomaten laissez-passer, een nood-paspoort, wat zakgeld en met een KLM-ticket dat ook betaald werd door de ambassade vloog ik twee dagen later naar Schiphol.’

Schoonouders in de Sweelinckstraat
‘Veilig terug in Nederland woonden we voorlopig in bij mijn schoonouders in de Sweelinckstraat. Na een aantal weken nam Jan Ankersmit, nog steeds actief in de textielbranche, contact met me op. Op afstand had hij mij gevolgd en hij nodigde me opnieuw uit, nu voor een identieke baan in Franssprekend Afrika. Weer batiktekeningen maken in de Ankersmit-traditie, daar voelde ik wel voor, maar dan liever in een land zónder oorlog.’
Huren op de Radstakeweg
‘Ondertussen was Jan Ankersmit zo vriendelijk om een klein leegstaand huis achteraan op de Radstakeweg aan ons te verhuren. Zijn chauffeur had er altijd gewoond. Het huis stond op de nominatie om afgebroken te worden maar we konden er tijdelijk wonen voor het symbolische bedrag van één gulden per dag. Ons zogenaamde “vakantieverblijf” werd het, waar we twee maanden per jaar woonden. In de tien maanden van het jaar die wij in Afrika doorbrachten, pasten anderen erop. Jan Verburg bijvoorbeeld, heeft in dat huis zijn boek Tom Tippelaar getekend.’
Tekentafel van Ankersmit
‘Tijdens de fusie-periode van Ankersmit met Vlisco lag op het fabrieksterrein van Ankersmit een bundeltje bruin hout, klaar voor de open haard. Maar ik herkende de tekentafel en heb ’t snel voor een habbekrats aangeschaft. Ik zag en wist gelukkig wat dát “hout” geweest was en heb het kunnen redden. Tegenwoordig staat die tekentafel in Museum de Waag.’
Parijs, Tsjaad, Kameroen en Ivoorkust
‘Na een aanloopperiode in Parijs volgden jaren in Tsjaad, Kameroen en in Ivoorkust. We hadden inmiddels tijdens een vakantie in 1968 in Deventer al een zoon gekregen en in december 1971 werd onze dochter geboren in Abidjan. Met mijn studenten hebben we zo’n 1500 Real Dutch Wax Block tekeningen gemaakt voor de Franse Unilevergroep CNF, Compagnie Niger Français. Het merendeel werd gebatikt bij Vlisco in Helmond en bij Uniwax in Abidjan.’

Terug naar Nederland
‘Toen ons oudste kind 8 jaar was, zijn we teruggegaan naar Nederland. Geen malaria meer en ook geen trompet spelen in de jazzclubs. Het was na tien jaar in de tropen mooi geweest. Veel van de tekenaars die ik in de verschillende Afrikaanse landen had opgeleid, vertrokken naar Frankrijk. Het is wrang dat die Afrikaanse landen zelf van deze goedopgeleide mensen nooit profijt hebben gehad, constateer ik nog steeds met de nodige pijn.’
Kluwer Rechtswetenschappen
‘Na thuiskomst vond ik betrekkelijk gemakkelijk weer freelance werk in mijn eigen (eigenlijke) vakgebied, het grafisch-typografisch ontwerpen. Eerst en vooral met opdrachten voor Kluwer Rechtswetenschappen in Deventer waarvoor ik veel boekomslagen, logo’s en folders mocht maken.’

Stalen reiskist
‘Jaren na het overlijden van mijn vrouw vond mijn hulp in de kelder een oude stalen reiskist vol originele Ankersmit-batik-monsters, die Dieuwke zonder mijn medeweten had meegenomen uit Afrika. Nog steeds even sprankelend van kleur als toen ze gedrukt werden. En daarbij lag er ook nog een fotoboek met afbeeldingen van de batik-printen die in de loop van de jaren waren ontworpen en gedrukt. En ik dacht opnieuw…”Oh, wat hebben we toen toch veel moois mogen maken.”
Fotografie: Viorica Cernica
Website Ebe van der Meer | www.ebe.nu

































