Han Nijhof (85) heeft alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt. Van een verpauperd bedrijventerrein is het nu een plek met allure. ‘Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten.’

‘Ik ben de oudste bewoner van het Havenkwartier én ik woon er het langst. Bijna 55 jaar’, glundert Han Nijhof (85), een rijzige man met een enorme grijze baard. Hij moet hard lachen als ik hem vraag of hij al die jaren in de brugwachterswoning heeft gewoond. ‘Ik woon in dit huis pas sinds 2012, nadat mijn zoon hier acht jaar antikraak heeft gewoond. Voordien woonde ik jarenlang aan de Mr. H.F. de Boerlaan op nummer 129. Dat huis is afgebroken. Het brugwachtershuis had altijd al mijn aandacht. Prachtig gebouwd in Amsterdamse stijl, je woont er heel rustig met een mooi uitzicht over de IJssel. Ik ben heel blij dat ik er woon.’ 

Wie vanaf de A1 richting centrum rijdt, ziet, pal achter de zwarte silo, het brugwachtershuis liggen. Het huis is begin jaren twintig gebouwd. ‘Het precieze jaar weten we niet, het moet ongeveer in 1923 zijn geweest. De zwarte silo, aan de ingang van de binnenhaven, is toen opgeleverd. Het meest logisch is dat dit huis gelijktijdig gebouwd is.’ 

 

 

‘Het hoekraam op de benedenverdieping maakte altijd al indruk op mij. Zulke ramen werden vroeger niet vaak gebruikt. De brugwachter had door dit raam een goed panorama op zowel de IJssel als de Havenbrug (later Twentol-brug). Wanneer er een schip naderde, draaide de brugwachter de brug open en haalde met een klompje het geld op bij de schippers. Als het graan naar de silo werd overgeslagen, had de schipper even tijd voor een wc-stop en een borreltje. Buiten achter het huis zie je nog het schipperstoilet, achter de groene deur met een hartje. Op de Boerlaan nummer 165 was destijds het schipperscafé, nu is het een coffeeshop. De brug is niet meer. De Prins Bernard-sluis maakte de brug overbodig. Op de plek van de brug ligt nu het H.J. Ankersmit-gemaal.’

 

‘We waren nomaden’

Han schenkt me nog een kop koffie in en vertelt over de woning zelf. ‘De woning was niet groot hoor, zo’n dertig vierkante meter. Ik heb begrepen dat de brugwachter met zijn vrouw en twee kinderen tijdens en na de oorlog op de begane grond woonde. Op de eerste verdieping woonde de kok van de kazerne van de Huzaren van Boreel met zijn gezin.’

Ik kijk wat rond en zie een grote achterkamer en een zijkamer vol met boekenkasten en een groot bureau. Han vult gelijk aan: ‘Voor wij verhuisden naar deze woning hebben we flink verbouwd. Waar nu de achterkamer is, stond de transformator. Die staat nu achter het huis. De zijkamer is aangebouwd en ligt tegen het huis van de buren, het voormalige schipperscafé.’ 

Ik ben nieuwsgierig hoe Han in het Havenkwartier terecht gekomen is. In zijn achtertuin zie ik namelijk vlaggen van de Achterhoek hangen. Zowel hij als zijn vrouw Betsy blijken daar te zijn opgegroeid. ‘Ja, eigenlijk zijn wij beiden import. In Deventer was ik vanaf 1967 werkzaam als werktuigbouwkundige om het gemaal H.J. Ankersmit te realiseren. Het gemaal is gebouwd omdat er in het groeiseizoen behoefte was aan meer water voor de landbouw en het op peil houden van de grondwaterstanden in bos- en natuurgebieden. Het Waterschap Salland was de opdrachtgever. Stork uit Hengelo, mijn werkgever, was een van de uitvoerders.’

‘Via Stork was ik steeds betrokken bij nieuwe projecten. Eerst in Ethiopië en later dichterbij huis als in Antwerpen, Rotterdam en uiteindelijk Deventer. De projecten gaven een jaar tot anderhalf jaar werk. Om toch enigszins een familieleven te hebben kochten mijn vrouw Betsy en ik een caravan die we in de buurt van het werk altijd wel kwijt konden in een tuin of op een stukje land. Hier in Deventer stonden we bij de Douwelerkolk. We waren net nomaden. Ons oudste kind is vanaf het prille begin mee geweest. Met het derde kind op komst was dat toch niet ideaal en bovendien moest de oudste naar school.’ 

‘In 1968 solliciteerde ik als machinist bij het Waterschap Salland en ben ik permanent in Deventer gaan wonen. Het Waterschap kocht een van de veertig middenstandswoningen voor ons. Die zijn in de jaren twintig (1927) aan de Mr. H.F. de Boerlaan neergezet. Mooie woningen met vier slaapkamers, kamer en suite en een leuke tuin. We waren er dolblij mee. De kinderen konden naar school en we hadden een normaal gezinsleven. In de jaren zeventig heb ik de woning zelf gekocht en we hebben er tot in 2012 gewoond.’ 

 

Het Havenkwartier

Het Havenkwartier, toen bekend als een bedrijventerrein voor kleine industrieën, is wisselend in trek bij ondernemers. Han is zo’n twintig jaar als vrijwilliger actief bij het SIED (Stichting Industrieel Erfgoed Deventer) en noemt enkele bedrijven. ‘Het oudste bedrijf is Eijsink, een smederij en later machinefabriek. Vanuit de Appelstraat in Deventer vestigden zij zich op de hoek van de Mr. de Boerlaan en de Noordzeestraat. Op de andere hoek van die straat stond de Pettenfabriek van Smit. Ze verkochten hoeden, petten en paraplu’s in de Lange Bisschopsstraat. In de tijd dat ik hier woon, huisde de Davos-albums in dat pand en nu zit het Kunstenlaboratorium er. Ook kent bijna iedere Deventer inwoner de Kofferfabriek waar nu gewoond wordt. Aanvankelijk kostte het moeite om de grond rond de havens te bebouwen vanwege de recessie in de jaren dertig. Pas na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich er meerdere ondernemers. Naast de zwarte silo is in 1961 de grijze silo gebouwd. De toenmalige eigenaar ‘Coöperatieve Op- en overslag Deventer en Omstreken’ (CODO) wilde het groter aanpakken met een extra silo voor veevoeder, graan en meel.’ 

 

 

Penetrante paardenpislucht 

Als buurtbewoners onderling was er goed contact. ‘Ik ben een technisch mens en kan eigenlijk ook niet stil zitten. Ik heb als goede buur zo af en toe een klusje uitgevoerd voor het CODO. Ik had er ook zelf weer voordeel bij. In de zwarte silo kreeg ik van hen mijn “eigen” werkplaats in de voormalige paardenstal. In beginsel werd de aanvoer ook met paard en wagen geregeld. De stal heeft lang leeggestaan en bleek uiteindelijk een ideale plek om mijn oldtimers te restaureren. Een penetrante paardenpislucht steeg jaren later nog tussen de steentjes van de vloer omhoog.’ 

Han hoeft het me niet verder uit te leggen. Ik snap het volkomen. Op exact de plek van de stal huisvest de Zwarte Silo nu de toiletten voor haar horecabezoek. Ook het SIED heeft jaren gebruik kunnen maken van een ruimte in deze silo. 

 

Roerige tijden

‘Je kunt het je misschien niet voorstellen als je nu het Havenkwartier ziet, met het industrieel erfgoed, creatieve ondernemers, kunst, cultuur, horeca, kleurrijk bouwen en wonen. Decennialang zijn wisselende plannen, opstand en verpaupering gepasseerd om uiteindelijk deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het gemeentebestuur had steeds andere ideeën om tot wonen en werken met allure te komen. Er zou een ware metamorfose plaatsvinden en eind jaren negentig werd gesommeerd dat de veertig woningen moesten worden afgebroken. Noodgedwongen verkochten veel bewoners hun woning aan de gemeente. Er werd gedreigd met onteigening en de ME zou uiteindelijk handhaven. De meeste bewoners hapten toe. Het was misschien als grapje bedoeld maar het werd wel gezegd.’ 

Een enkeling wilde van geen wijken weten, waaronder Han en Betsy. Leegstand en verpaupering duurde heel wat jaren. ‘Het was schandelijk en ik ergerde me kapot. Ik wilde antwoord op de vraag: hoe denkt de gemeente deze verpaupering een halt toe te roepen? De leegstaande woningen werden uiteindelijk weer tijdelijk bewoond, als een soort antikraak. Ook de brugwachterswoning kwam leeg te staan. Onze zoon, die toen net zijn relatie had verbroken, kon deze woning tijdelijk betrekken. Uiteindelijk werd dat acht jaar, in ruil voor een lik verf en ander onderhoud aan de woning.’ 

 

Wonen in de brugwachterswoning

Han en Betsy waren uiteindelijk nog de enige bewoners met een eigen huis aan die zijde van de Mr. de Boerlaan. Huren wilden zij beslist niet, gaven ze de gemeente te kennen. De brugwachterswoning werd niet gesloopt en kon gehuurd worden van de gemeente. ‘We vonden die woning prachtig en wilden er graag wonen. Met hulp van een juridisch adviseur is het ons gelukt om onze woning op nummer 129 te ruilen voor de brugwachterswoning. Een woning met historische waarde, al is het geen monument geworden.’

‘Na een flinke verbouwing van zeker een half jaar zijn we er in 2012 gaan wonen. Betsy is in 2015 overleden. Ik woon hier nu alleen. Ik heb alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt en zal niet ontkennen dat het een plek met allure is. Toch kan ik niet alle bouw waarderen. Ik vind het nog steeds fijn dat ik hier in alle vrijheid kan wonen. Wel wordt het steeds drukker met meer bewoners, bedrijvigheid en verkeer. Ik heb zelf mijn “eigen” parkeerplaats gemarkeerd. Je wil toch voor je eigen deur kunnen parkeren. Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten van het uitzicht op de IJssel.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Hans te Riele groeide op op een stadsboerderij in de Walstraat. ‘Twee keer per jaar brachten we de koeien naar de overkant van de IJssel. Dat was een heel spektakel.’

Als klein kind zag Hans te Riele (1934) zijn vader aan het werk met de koeien en paarden van hun familieboerderij in de Walstraat. Hij weet nog hoe hij tegen hem opkeek en hoe trots hij op hem was. Het was een, voor die tijd, flink boerenbedrijf, met aanvankelijk twaalf koeien. Na de oorlog kon zijn vader het bedrijf naast hen kopen, een garagebedrijf van de firma Slangen. Hij kon er een schuur bij bouwen en het aantal koeien uitbreiden tot eenentwintig. Daarnaast waren er drie paarden, vooral voor het werk op de akker, en wat varkens.

Het gezin telde uiteindelijk acht kinderen: zeven jongens en één meisje. Hans was het vierde kind en de derde zoon. Al van jongs af aan werden de kinderen ingeschakeld bij het werk dat gedaan moest worden. ‘Vanaf een jaar of vier gingen we naar de bewaarschool bij de nonnetjes, en later naar de lagere school. De school was in de Broederenstraat, maar de nonnetjes woonden in de Nieuwstraat bij het Elizabethziekenhuis. Een van mijn jongste herinneringen is dat ik samen met mijn broertje nog vóór schooltijd twintig liter melk moest brengen bij de nonnen. De melk zat in een flinke melkemmer en die sjouwden wij samen dwars door de stad, op onze klompjes, naar de Nieuwstraat. Dan moesten we daar in een zijstraatje aankloppen bij een deur van het klooster en wachten tot er werd opengedaan. Maar het gebeurde nogal eens dat het lang duurde voor de nonnen reageerden op ons gebons, met als gevolg dat we te laat op school kwamen. Dan kregen we gerust nog een draai om de oren van de non die ons binnenliet.’

 

 

Zo dol als wat

De boerderij was een gemengd bedrijf: het accent lag op het melkvee, maar daarnaast werden er ook suikerbieten, uien, koolrapen, wortelen, voederbieten en graan voor de beesten verbouwd. De koeien van de stadsboeren stonden ‘s zomers op het land aan de overkant van de IJssel, op de weiden rond de Bolwerkersmolen. Hans’ vader had ook nog land op het ‘Stadsland’, de weiden die lagen tussen Terwolde en Deventer, rechts van de Spoorbrug.

Hans, met glunderende ogen: ‘Het was een heel spektakel twee keer per jaar: in mei en tegen de winter moest het vee dwars door de stad naar de overkant worden gebracht. De hele familie werd ingeschakeld om het vee te begeleiden, allemaal drie koeien aan een touw. Best pittig hoor, want die koeien waren in het voorjaar zo dol als wat. Maar het was ook leuk, zo’n klus met de hele familie.’

De koeien werden in die tijd over de Wilhelminabrug gedreven. Maar aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd die brug gebombardeerd en moesten ze het vee over de Schipbrug drijven. ‘Dat was lastiger, omdat er spleten in de planken van deze noodbrug zaten’, vertelt Hans. ‘Daar werden de koeien angstig en onrustig van. Pas later, ver na de oorlog, liet mijn vader de firma Klunder komen om de koeien op te halen. Zij hadden een vee-transportbedrijf.’

Kwam er geen kritiek van de stadsbewoners over overlast van de koeien die door de stad moesten lopen? ‘O nee, daar hebben we nooit last mee gehad’, zegt Hans. ‘Dat werd in die tijd heel gewoon gevonden.’ Ook waren er geen klachten over overlast vanwege de mest. Bij sommige stadsboeren was dat niet zo goed verzorgd, dan lag de mest soms tot aan de weg en liep het gier vaak gewoon weg via het riool. Maar bij de boerderij van Hans’ vader hadden ze een grote betonnen mestvaalt en kon het vocht uit de mest weglopen via een aansluiting op de gierkelder, van waar het later op de weides kon worden gebracht.

 

‘Hé jongens, komp d’ruut’

Pas veel later ging de gemeente Deventer met de stadsboeren in gesprek over het voortzetten van de bedrijven op een locatie buiten de stad. ‘Het was in die tijd een hele klus voor mijn vader om alles aan de overkant van de IJssel te krijgen: al het veevoer en al het materiaal om te melken. Twee keer per dag ging hij melken.’

De dag begon voor Hans’ vader al om een uur of vijf ‘s morgens. Ook de oudste jongens werden dan uit hun bed getrommeld om mee te helpen. ‘Dan hoorde ik vanuit mijn warme bed: “Hé jongens, komp d’ruut!”’ De koeien werden aanvankelijk nog met de hand gemolken, afhankelijk van het seizoen in de stal of op het land. ‘Ik zal een jaar of negen zijn geweest toen mijn vader naar een koe wees en zei: ga maar melken. Ik had er al zo vaak naar staan kijken dat ik het ook meteen wel kon.’ Hans straalt bij deze herinnering.

Na de lagere school ging hij nog twee jaar naar het voortgezet gewoon lager onderwijs (vglo). ‘Leren op een schoolse manier, dat was niets voor mij’, vertelt Hans. ‘Ik wilde werken. Dus na de vglo ben ik gaan meewerken op de boerderij. Dat vond ik heerlijk. Mijn werk bestond uit ‘s morgens en ‘s avonds meehelpen met de koeien melken. Daarna moest de melk verkocht worden, dat deden we zelf. We verkochten de melk deels aan huis, we bezorgden bij instellingen en we ventten de melk uit in bepaalde buurten. Dat ging nog met paard en wagen.’

Pas later, zo eind jaren veertig, brachten ze hun melk naar de melkfabriek Ons Belang. ‘Die stond in de Boxbergerweg’, zegt Hans, ‘ongeveer waar nu bakkerij Wessels en de verfwinkel zijn. Dat viel toen ongeveer samen met een verordening dat boeren niet meer de melk aan huis mochten verkopen: te gevoelig voor gesjoemel.

 

Acht koters

Het wegbrengen van de melk was vanaf zijn vijftiende zijn taak, en Hans kijkt daar met trots op terug. ‘Het was een beste klus om met een stuk of vijf, zes melkbussen op een karretje te lopen, vanaf de Walstraat, langs het station en dan naar de melkfabriek. En als de melkemmers dan geleegd waren kon je ze daar met heet water en stoom schoonmaken.’

Hans’ moeder ging nooit mee om de koeien te melken. ‘Dat kon ook niet met acht koters thuis’, zegt Hans. ‘Maar mijn moeder verkocht melk en groenten aan huis en deed, zonder werkster, al het huishoudelijke werk. Op een gegeven moment werd ze ernstig ziek, en ja, toen moest mijn oudste zus thuiskomen om de taken van moeder over te nemen. Nou, wat had mijn zus het daar moeilijk mee! Ze had zo graag de mulo af willen maken… Maar ja, zo ging dat nu eenmaal in die tijd. Ik had echt met haar te doen.’

Het boerenwerk lag Hans wel en het liefst had hij de boerderij overgenomen. ‘Dat ging mooi niet, want mijn oudste broer mocht de boerderij overnemen’, zegt Hans. ‘Dat was nou eenmaal zo. Dat ging zo in alle boerenfamilies.’

In 1961 begon de gemeente erop aan te dringen dat de boerenbedrijven zouden verdwijnen uit de binnenstad. ‘Mijn broer had in die tijd net de boerderij overgenomen. Hij is toen uitgekocht door de gemeente, die voor hem een mooie boerderij in Lochem kocht met zestien hectare land. Later gaf de gemeente het beheer van de boerderij en de gronden aan wat toen nog heette de Verenigde Gestichten, later overgegaan in Stichting IJsselland.’

Alle andere kinderen kregen ook hun deel van het uitkoopbedrag. ‘Ik heb daar een huis van kunnen kopen op de Worp’, vertelt Hans, ‘aan de rand van de Hoven met mooi uitzicht op het boerenland. Inmiddels was ik getrouwd met Miny Logtenberg, waar ik drie jaar daarvoor verkering mee kreeg. We zagen elkaar voor het eerst op de Broeklandse kermis, en we trouwden in 1962. In 2022 hopen wij ons diamanten huwelijk te vieren met onze drie kinderen en kleinkinderen.’

Al kon Hans het boerenbedrijf niet overnemen van zijn vader, toch heeft hij altijd met plezier in Deventer gewerkt. Begonnen in de brandstoffenhandel, bekwaamde hij zich steeds verder door middel van allerlei cursussen. En na een aantal jaren als zelfstandige in de handel en de techniek te hebben gewerkt, eindigde hij zijn loopbaan bij Thomassen en Drijver als hoofd verwarmingsinstallaties.

 


Duitsers in Deventer

Dan komt de oorlog nog ter sprake, die hij als kind meemaakte. ‘Toen die uitbrak was ik zes jaar. Ik zie nog voor mijn ogen hoe een van de eerste dagen van de oorlog een kolonne Duitsers de Walstraat inreed met pantserwagens en jeeps, vanuit de Keizerstraat. Het maakte veel indruk op mij. Een ander beeld wat ik zó nog voor me zie is dat de familie Muller, een joods gezin dat een stoffenhandel had tegenover de boerderij van mijn vader, moest vertrekken. Ik speelde weleens met de zoon, Isaac, en die zag ik op een kwade dag staan met zijn koffertje. Hij zei: we gaan met vakantie! Ze zijn allemaal omgekomen…’

 

‘Een kolonne Duitsers reed de Walstraat in. Dat maakte veel indruk’ 

 

Onderduikers hebben zij niet gehad, maar wel veel mensen uit het Westen die strandden in Deventer op hun hongertochten over het platteland. “Ze kwamen dan terug met het etenswaar dat ze hadden kunnen kopen, maar het was heel gevaarlijk om over de brug de IJssel over te steken om hun tocht te vervolgen naar het Westen. Vaak werden ze aan de overkant opgewacht door Duitsers, maar ook door Hollandse dienders, en dan moesten ze al hun eten inleveren.’

Hans’ vader had een vergunning om twee keer per dag over de brug naar zijn vee aan de overkant te gaan. ‘Die mensen, die vaak na een lange moeizame tocht met hun ingezamelde voedsel in Deventer de IIssel wilden oversteken, klopten vaak in nood aan bij de kerk’, vertelt Hans. ‘Dan kregen ze te horen: “Ga maar naar Te Riele in de Walstraat, die kan je misschien helpen!” Vaak waren die mensen zo uitgeput dat mijn vader en moeder hun eerst te eten gaven en een slaapplaats boden, gewoon in de stal op stro, tussen de koeien – dat was lekker warm. Soms waren het er wel dertig. De volgende dag mochten ze hun etenswaar in grote melkbussen verstoppen en dan reed mijn vader met soms wel twintig melkbussen over de IJssel naar zijn land. De grap was dat we in die tijd maar negen koetjes hadden, omdat er een aantal koeien gevorderd waren door de Duitsers.

Als kinderen werden Hans en zijn broers en zussen vaak ook ingezet. ‘Wij moesten dan zo veel mogelijk bovenop die melkbussen gaan zitten. Tja, eigenlijk nam mijn vader daar best een groot risico, maar hij was een koele hoor. En hij zei altijd: “Ik hoop dat ik nooit in dezelfde omstandigheden kom.”

 

Fotografie: Viorica Cernica