De verhalen
De verhalen

Het Deventer brandweerkorps leverde de brandweerlieden op alle locaties waar in 1976 A Bridge Too Far werd gefilmd. Het hele korps kon zich, als je niet ingeroosterd was voor de gewone inzet, aanmelden om bij de opnames stand by te staan. Fredde Förch en Fred Veeneman, destijds allebei stoere mannen van rond de 25 jaar, meldden zich zo vaak mogelijk aan. Een zomer lang zaten ze zowel letterlijk als figuurlijk dichtbij het vuur. ‘We namen de crew  ‘s avonds mee naar De Pelikaan.’

Tegenover mij zitten oud brandweermannen Fred Veeneman en Fredde Förch op het puntje van hun stoel. Bij het vertellen van de herinneringen over de opnames zie ik glimmende ogen, ze gaan even terug in de tijd, het was fantastisch. ‘Wij stonden met onze brandweerwagen altijd pal achter de cameraman’, vertelt Fredde.  ‘Wij zagen dus alle trucs die uitgehaald werden om het zo echt mogelijk te laten lijken. Hele bassins werden er bij de IJssellinie in Welsum gemaakt om na te bootsen hoe de soldaten door het water roeiden en beschoten werden. We zaten er met onze neus bovenop. Ik wist niet wat ik zag!’

Fred Veeneman en Fredde Förch in de brandwagen die in 1976 een rol speelde in de film.

‘De opnamedag begon met een uitgebreid Angels ontbijt met worstjes en al. Daarna werd de opstelling gemaakt’, zegt Fred. ‘Vervolgens kregen wij te horen waar we precies moesten staan met ons materieel. Daar moest je geen discussie over voeren want, dan werd je weggestuurd. De opnameleider was de baas. Punt uit. Wij spraken een aardig woordje technisch Engels en dat vond de crew wel handig, want tijd om te vertalen hadden ze niet.’

In de loop van de opnamedag liet de Engelse crew zich volgens Fred en Fredde culinair aardig verwennen. Rond 11 uur was het tea time met gebak. Tussen de middag namen ze de tijd voor een goede lunch en rond vier uur zaten ze aan de high tea. Het ‘dinner’ was in de avonduren na de opnames. ‘De Engelse vakbond schreef voor dat de veiligheidsdiensten onderdeel waren van de staf en personeel. Dus wij aten en dronken overal gezellig mee’, vertelt Fred. ‘Zaten we daar gewoon met Sean Connery en Robert Redford aan tafel, dat waren gezellige mannen! Ryan O’Neal was meer afstandelijk vonden wij.’

‘Met de hele crew werden we langzamerhand een hecht team’, weet Fredde nog. ‘We lieten ze Deventer en omstreken zien en namen ze ’s avonds mee naar de Pelikaan. Hoe die mannen konden zuipen! Ongelofelijk. Ze waren natuurlijk niet gewend dat de kroegen hier tot 3 uur open waren, dus dat ging maar door. Rosé met jenever en aan het eind van de avond stonden ze op de bar te dansen.’ ‘Ja’, vervolgt Fred, ‘weet je nog al die koeltassen met (alcoholisch) lekkers tijdens de opnames en dat er leden van de crew ’s ochtends op de puinhopen van het decor lagen te pitten, met een opgeduikeld vriendinnetje naast zich?’

Hoe zit dat dan met de romantiek van jullie? Fred en Fredde beginnen te lachen. ‘Wij waren allebei getrouwd en de vrouwen waren allebei zwanger. Ik ben zelfs nog weggeroepen bij de opnames, omdat mijn dochter geboren zou worden’, zegt Fredde. ‘Onze vrouwen vonden het prima en een leuke kans maar we moesten het niet te gek maken!’

In al die weken dat Fred en Fredde wachten, wachten, keken en genoten, moesten ze één keer in actie komen. Het was een warme dag en alles was gortdroog. ‘Op een gegeven moment zagen we aan de gezichten van de mensen van special effects: hier klopt iets niet, het gaat niet helemaal zoals het moet. Een van de decorhuizen bleek ongepland echt in brand te staan. Wij maakten ons al klaar voor inzet’, vertelt Fredde. ‘Toen de opdracht voor blussen kwam, gingen de opnames gewoon door, maar het probleem was dat wij niet in beeld mochten komen. Wij hadden pakken aan uit 1975 en dat kon natuurlijk niet. Met veel moeite blusten we de brand zonder dat we in beeld kwamen. Toen we de film later terugzagen herkenden wij natuurlijk direct dat moment, want de waterstraal was wel in beeld!

Het gewone werk voor Fredde en Fred ging ook door, soms met vreselijke situaties. Fred herinnert zich een stuntman die tussen de kussens terecht kwam en zijn sleutelbeen brak. Die kon als gewonde soldaat de set weer op. Maar Fredde vertelt ook hoe brandweermannen in die tijd ook werkten als chauffeur op de ambulance. In de buurt Raalte heeft toen een ernstig ongeval plaatsgevonden. Een van de Engelse crewleden was vermoedelijk per ongeluk links gaan rijden in een flauwe bocht. Helaas zijn er ook leden van de crew bij het ongeval omgekomen. Dat was zeer heftig.

Ondanks deze dramatische gebeurtenis overheersen de positieve herinneringen. ‘De jonge zoon van producer Levine was een tijdje mee met zijn vader. Die moest ik dan, voor de veiligheid, meenemen in de brandweerwagen’,  weet Fred nog. ‘Ik heb nog jarenlang ansichtkaartjes van hem gekregen, hij vond het zo gaaf.’ Over brandweerwagens gesproken. Vol trots laat Fredde een foto zien van een ladderwagen: ‘Dit is de 8, in 1944 door de Deventer bevolking geschonken aan de brandweer. En die zou in de film gebruikt worden. Prachtige wagen en we hadden hem mooi gepoetst voor de opnames. Nou, het eerste wat ze deden is modder er tegenaan gooien! In de film zit een scène waarin de Duitsers zich terugtrekken en de ladderwagen rijdt daarin met een slakkengangetje langs het kanaal. Alle figuranten lopen er achter aan. Ik zat achter het stuur.’ Fredde laat een foto zien van een jonge man in nazi-uniform. ‘Het was heel leuk om te doen maar later in de film zag je de chauffeur helemaal niet in de ladderwagen zitten!’

Fredde lacht. “We hebben zo’n plezier gehad! Die opnames vergeet ik nooit meer. Het was een hele bijzondere tijd. We hadden echt het gevoel dat we erbij hoorden. Je kon echt van elkaar op aan en wist wat je van elkaar kon verwachten.’ ‘Zo herkenbaar want ook bij de brandweer was dat altijd zo. Je hoefde nooit achterom te kijken in de wetenschap dat er altijd een maat achter je stond’, zegt Fred mijmerend.

‘Hé Fred, moeten we binnenkort met de andere mannen de film niet weer eens gaan bekijken?’, vraagt Fredde. Fred antwoordt: ‘Are you able to manage that?’ Waarop ik enigszins verbaasd kijk. Fred begint hard te lachen. ‘Tijdens een van de opnames moest een van de acteurs die zin zeggen. Die scène is wel 25 keer over gedaan. Het zinnetje is nooit meer uit mijn hoofd verdwenen.’

Zie hieronder de scène waarin de brandweerwagen van Fred en Fredde een rol speelt in de film.

 

Fotografie:
Viorica Cernica (portretfoto’s Fred Veenema en Fredde Förch) | Beeldarchief Gilde Deventer (archiefbeeld)

Zie ook: www.abridgetoofar.nl

 

Herman Remmelenkamp, geboren en getogen in Deventer, was in 1976 gedurende twee maanden figurant tijdens de opnames van A Bridge Too Far. ‘Opnames gingen wel vier of vijf keer over.’

“Ach ja, die film. De hele stad stond op z’n kop. Ik was 25 jaar, zat zonder werk en had een uitkering van de sociale dienst. In de krant zag ik een advertentie staan: Figuranten gezocht voor deelname aan film. Dat was toch ook werk? De verdiensten waren zeventig gulden per dag. Jammer genoeg moest ik dat afdragen. Ongeveer de helft hiervan mocht ik houden. Ik meldde me aan en werd uitgenodigd voor een gesprek. Ook mijn buurman Bart had zich opgegeven. Samen gingen we op gesprek. Dat was in Twello, in een oude fabriekshal van Veldhoen aan de stationsweg. In deze hal werden rekwisieten gemaakt en voorwerpen die nodig waren voor de filmopnamen opgeslagen. Ik werd aangenomen en ging twee dagen later met het openbaarvervoer en de buurman terug naar Twello. Daar kregen we originele kleding uit die tijd ‘aangemeten’.

Herman Remmelenkamp in het Bergkwartier, waar bij 50 jaar geleden figurant was in A Bridge Too Far.

Een werkdag begon samen met buurman Bart met de bus naar Twello, dan koffiedrinken bij een bevriende figurant die in de stationsstraat woonde en vervolgens naar de fabriekshal. De kleding die we droegen werd iedere draaidag ingeleverd zodat je de volgende dag je kloffie kon ophalen. Ik kan me niet herinneren dat ik geschminkt werd. Wel dat onze haardracht zo nodig werd gekortwiekt. Sommigen werden wel gegrimeerd. Bijvoorbeeld als iemand een gewonde soldaat moest spelen. Dan met z’n allen (ik schat zo’n man of veertig in een bus) naar de set.

De eerste opnamen waren op het Bergschild in het Bergkwartier te Deventer. Ik moest als soldaat ‘gewoon’ op straat liggen.  Door een megafoon kregen we aanwijzingen: ‘stilte’, dan een klapbord en ‘action’. Die opnames gingen wel vier of vijf keer over. Geen idee waarom. Er werd niet uitgelegd waarom een scène over moest.

Om ons heen gebeurde van alles. Veel camera’s, geluidsmensen, ontzettend veel felle lampen en rook, ontzettend veel rook. Wij hadden van te voren instructies gekregen om niet te veel te bewegen en je VOORAL niet laten afleiden door de ‘echte’ acteurs. Ik keek best wel veel om mij heen, maar heb nooit commentaar gehad. Ik deed het binnen de perken. Ik denk dat we op mijn eerste draaidag wel zes uur op de set aanwezig waren. Het bestond vooral uit wachten, wachten en overdoen. Voor eten en drinken werd gezorgd. Ik herinner me vooral de gebakjes van een bekende Deventer bakkerij. Die moet aan de film goed hebben verdiend! Ik heb gehoord dat de Gemeente Deventer bedongen had dat eten en drinken bij de Deventer middenstand moest worden ingekocht.

Er waren opnames in Deventer, Schalkhaar, de Ginkelse heide en ook op de brug zelf. De opnames op de brug waren voor mij het meest bijzondere. De jeep die van de brug af rijdt. Dat de panoramaflat/schippersflat niet in beeld komt! Zou er gesjoemeld zijn met de opnames? Ook die huizen die naast de brug gebouwd waren: prachtig! De rook die daar was; bijzonder om te zien. Er werd veel geschreeuwd, iemand had z’n zonnebril nog op. Dat mocht dus niet.

Ook op landgoed Het Schol aan de Wilpsedijk. Dat moest Hotel Hartenstein in Oosterbeek voorstellen. Daartoe hadden ze het uitgebrande landhuis van binnen en buiten prachtig opgeknapt. Alleen er zat geen dak op…… Je keek zo de heldere hemel in. Soms kon je ergens even rustig rondkijken hoe een scène werd voorbereid. Het gekerm van de geschminkte en gewonde ‘soldaten’. Al die bommen en granaten die ontploften; veel herrie maar het was gewoon kurk met aarde wat er door de lucht vloog.

Dan die opname toen we langs het Overijssels Kanaal liepen te marcheren. Opeens riep de regisseur: “cut!”. Bleek één van de figuranten een modern polshorloge te dragen en dat schitterde in het zonlicht. Hij kreeg een fikse uitbrander en de opname moest over. Dat ging niet meteen, want licht, geluid en camera’s moeten op nieuw worden ingesteld en dat betekende weer eindeloos wachten. Ondertussen werden wij wel van veel Engelse thee en slappe koffie voorzien, samen met dat lekkere gebak.

Ik heb de film 1 x gezien op TV. Ik heb mezelf niet herkend. Toen vond ik er eigenlijk niets aan. Ik dacht: heb ik hieraan meegewerkt?  De locaties zijn voor mij herkenbaar. Er wordt heel weinig ingezoomd op ons als figuranten. Het gaat om de hoofdrolspelers: Robert Redford, Ryan O’ Neal, Sean Connery en anderen. Ik heb daar geen foto’s van. Toen had je nog geen mobieltje om foto’s te maken en een fototoestel meenemen was lastig, want dat kon je kwijtraken.

 

Tijdens de opname had ik een heel ander gevoel: Wat leuk dat ik aan een film meedoe, welke beroemdheid loopt hier nu weer rond? Je bent jong, het is spannend. Waar gaan we nu heen, wat gaat er nu gebeuren? Ik heb nooit gehad: ik stop hiermee, ik vind er niks aan. Vond het altijd wel leuk. Het was een bijzondere ervaring die ik niet had willen missen! Jammer dat ik de verdiensten niet helemaal mocht houden. Ik heb het altijd netjes opgegeven. Er werd verteld dat er een lijst met namen van figuranten aan de sociale dienst werd doorgegeven. Of dat echt gebeurd is? Geen idee, maar ik had deze periode voor geen geld willen missen.”

Bekijk hieronder de betreffende scène die is opgenomen in het Bergkwartier:

 

Fotografie:
Viorica Cernica (portretfoto Herman Remmelenkamp) | Beeldarchief Gilde Deventer (archiefbeeld)

Zie ook: www.abridgetoofar.nl

 

Ook rondom Deventer werden in 1976 opnames voor A Bridge Too Far gemaakt. De schuur van de boerderij en het erf van de familie Achtereekte in Diepenveen bleek in trek als veldhospitaal. Marijke Achtereekte was destijds zeventien en heeft alles van dichtbij meegemaakt. ‘Je kon de acteurs bijna aanraken.’

“Men zocht een boerderij met een ruim, niet verhard, erf in een bosrijke omgeving en een veldschuur. Zo kwam de filmcrew bij ons terecht. Er werd een contract opgesteld met een financiële vergoeding en er werd een verzekering afgesloten. Het hondenhok moest verplaatst worden en Bruno, onze hond kreeg dus een mooi nieuw hok. Mijn vader kon de dagen van de opnames gewoon zijn bedrijf uitoefenen. Hij deed dit ’s morgens al vroeg. Zo kon hij daarna van de opnames en alles er omheen genieten. Hij had zo een beetje vakantie.

Twee weken voor de opnames begon de opbouw van de locatie. Mijn vader had de veldschuur leeggehaald en de machines tijdelijk in de openlucht geplaatst. Ook de achterzijde van de boerderij kreeg een houten en oude uitstraling. Tussen de boerderij en de veldschuur lagen soldaten die voor een filmopname deden alsof ze dood waren.

Op donderdag 5 mei 1976 waren de daadwerkelijke opnames, die twee dagen duurden. De opnames waren op het erf, waar dus jeeps met gewonden van de zandweg kwamen aanrijden. Zij werden het veldhospitaal binnengebracht, dit bevond zich in de schuur, om daar geopereerd te worden. Daar speelde Arthur Hill de chirurg.

Ook James Caan, Sean Connery en Nicholas Campell waren op de set aanwezig. Zij waren heel benaderbaar, een handtekening had je zo, van beveiliging was geen sprake. In het weiland naast de boerderij stonden caravans voor directie en hoofdrolspelers. Ook bevond zich daar de catering. Tijdens de opnames moest iedereen heel stil zijn. Toch hoorde je later in de film de hond en een koe, zij hielden zich niet aan die regel.

Tijdens de opnames heb ik foto’s gemaakt, ik ben zelfs met een ladder bovenop een schuur geklommen, dat was vrij hoog. Je had daar een mooi overzicht over de opnames. Sommige filmopnames moesten verschillende keren over, later begreep ik waarom. Ook stonden er grote witte schermen, die vingen de felle zon op en kaatsten het terug. Bij te weinig licht werd fosfor verbrand, dat zorgde voor extra licht.

In het weiland bevond zich ook de catering voor crew en figuranten. Mijn moeder wilde de eerste dag voor ons koken, maar dat hoefde niet want wij mochten de hele dag bij de catering eten. Ik herinner me vooral veel puddingbroodjes. Er waren drie Engelse jongens die er de gehele twee weken bleven, ook ’s nachts als bewaking van de spullen. Met hen probeerde we met hand-en-voeten-Engels te praten.

 

Ook kwamen vriendjes, vriendinnetjes en familieleden natuurlijk een kijkje nemen. Zij konden via een soort bosweggetje bij ons huis komen, het erf en zandweg waren in gebruik. Zo kwamen ook mijn opa en oma op een dag op bezoek, de ouders van mijn moeder. Zij hebben de oorlog heel bewust meegemaakt, evenals mijn moeder. Mijn grootouders waren al behoorlijk op leeftijd maar juist deze dag was Richard Attenborough aanwezig op de set en hij heeft nog even, via een tolk. met hen gepraat. Ook ging hij met hen op de foto.

Het thema oorlog was in ons gezin amper onderwerp van gesprek. Ik weet dat mijn vader in de oorlog is opgepakt en te werk is gezet in Duitsland, om bij boeren te werken, waarvan de zoon als soldaat weg was. Maar over deze hele nare ervaring, sprak hij zelden.

 

 

Er was voor ons en waarschijnlijk voor de meesten geen voorvertoning toen de film uitkwam. We zijn toen met het hele gezin van tien personen naar de film geweest in Deventer. Mijn ouders waren nog nooit in een bioscoop geweest, alleen dat was al iets. Zij waren natuurlijk, net als wij, trots en vol verwachting of en hoe de boerderij in beeld kwam. Dat viel toch wel tegen, maar ja zo gaat dat in een film. Er is wel betaald door de crew, hoeveel weet ik niet, maar toen iedereen weer weg was werd het erf helemaal verhard.

De jaren erna was er geen contact meer met wie dan ook van de crew, alsof er niets gebeurd was. Er zijn ook geen tastbare zaken of memorabilia overgebleven en de gesprekken gingen er niet meer over. Het enige wat hij eraan heeft overgehouden is een mooi verhard erf waar hij nog jaren plezier van heeft gehad. Als de film weer eens werd uitgezonden, belde er wel een van de kinderen “Pa ,De Brug komt weer op t.v.”.

Fotografie:
Viorica Cernica (portretfoto Marijke Achtereekte)
Beeldarchief Gilde Deventer (archiefbeeld)

Honderden figuranten en wereldberoemde acteurs zaten in de kappersstoel van Ad en Jane Peters. Het Deventer kappersduo werkte in 1976 op de set en vanuit hun salon op de Boxbergerweg mee aan de opnames van A Bridge Too Far. ‘We moesten overal bij zijn.’

Ad: ‘In de jaren zeventig deden wij mee aan veel kampioenschappen en waren kampioen van Nederland geworden. Via L’Oréal, waarvoor ik werkte, kwam ik via via in contact met Levine (producer) en Attenborough (regisseur). Wij hadden net, een jaar of twee, onze eerste salon op de Boxbergerweg. Zij hadden spullen en een ruimte nodig. Wij hebben een stuk van de salon, afgeschermd zodat de acteurs vrij zaten van andere klanten.’

Jane: ‘Daar kwamen dus heel veel acteurs voor make up, haren en producten. We waren er maanden hartstikke druk mee. Je krijgt een bepaalde band met die mensen. Soms moesten we ook naar Zutphen voor het maken van opnames en dan weer aan de overkant van de IJssel, bij Het Schol.’

Ad: ‘We moesten overal bij zijn. We waren er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat mee druk. Niet met knippen maar wel om te zorgen dat het haar goed zat. Het kon niet in de ene scène anders zijn dan in de andere, die een minuut later is in de film, maar twee weken later werd opgenomen. Ze werkten met moodboards, hele grote borden waar de foto’s opstonden van de acteurs, zoals ze er uit moesten zien in die scène. Smartphones waren makkelijk geweest maar die had je toen nog niet.’

 

‘Het was elke dag weer spannend wat er gebeurde’

 

Jane ‘Het was elke dag weer spannend wat er gebeurde. Soms hele grote dingen. Bijvoorbeeld de intocht van de geallieerden, hier op de Brink. Daar waren honderden figuranten voor nodig. Die moesten allemaal worden opgeschoren, wat toen niet in de mode was, maar wat wij tegenwoordig weer mooi vinden.’

Ad: ‘Niemand mocht er heel mooi uitzien natuurlijk, want in de film hadden ze vijf jaar oorlog achter de rug. Ik had een stuk of twintig collega’s uit het hele land ingehuurd. In Twello, in een pand van Veldhoen, moest het in relatief korte tijd gebeuren. We begonnen, geloof ik, om 5 uur ’s morgens. En dat ging dan allemaal met bussen naar de Brink. Daar werd voorgedaan hoe ze moesten juichen en zo. Ik vond het ook leuk om Duitsers te doen, die moesten er heel anders uitzien.’

Jane: ‘De grote sterren Liv Ullman, Robert Redford, Sean Connery en James Caan en al die andere waren natuurlijk niet allemaal alle maanden hier, maar alleen de dagen waarin de scènes waarin ze speelden werden opgenomen. Die mensen waren hartstikke leuk. Het spul er omheen waren meestal een beetje nare mensen. Die vonden dat ze ook heel belangrijk waren, maar er eigenlijk niet zoveel toe deden.’

Ad Peters en Liv Ullman op de set van A Bridge Too Far in 1976.

Ad: ‘Deventer heeft goed verdiend, aan die opnames destijds. Zelf was ik met ze overeen gekomen dat wij het alleenrecht hadden op alles wat met haar en make-up te maken. Ik dacht nou, daar kunnen we lekker wat aan verdienen. Elke maandagmorgen zaten ze op het kantoor in waar nu dat Finch-hotel in zit. Dat was vroeger een bankgebouw met een hele grote kluis. Dus iedereen die wat leverde kwam daar met bonnen. Dan ging die kluis open en kwam het geld. Als we wel eens een keer 50 flessen shampoo nodig hadden, maakten we er 500 van. Dat hadden ze niet in de gaten, dus deden we het de volgende keer gewoon weer.’

 

‘We konden met de filmcrew mee naar Amerika, maar daar hebben we vanaf gezien’

 

Jane: ‘Toen ze klaar waren kwamen Levine en Attenborough bij ons en hebben we samen gegeten. Ze zeiden: ‘Wij gaan terug naar Amerika, hebben jullie geen zin om mee te gaan? We beginnen over een maandje met een nieuwe film en dan kunnen jullie weer de haren doen en de make up.’ Nou dat hebben we toen maar niet gedaan. Dan word je van die kapperszigeuners die over de hele wereld heen gaan. En we hadden net onze salon. En om onze ouders deden we het ook niet. Ik heb er geen spijt van gehad, maar dat ze ons vroegen was wel leuk.’

Ad: ‘Natuurlijk heeft het wat betekent voor onze kapperscarrière. In Deventer en omgeving sowieso. Het heeft ons zeker wat gebracht en heeft ons wel goed gedaan. Dus daar waren we ook wel heel erg blij mee.’

Jane: ‘De film is weleens op tv geweest, op Duitsland en ook wel op Nederland, dan weet je exact wat waar was en dan weet je, oh ja, dan komt die acteur zo meteen de hoek om. Maar veel gaat uit je geheugen. Je leefde toen in een grote roes. En we hebben de laatste jaren heel veel voor tv gedaan, en dat is dan toch dichterbij.’

Ad: ‘Ik vond het toen superleuk om ervoor gevraagd te worden en geweldig mooi om te doen. Maar altijd als iets klaar is, is het voor mij ook klaar. Dan komt het volgende. Dat heb ik mijn hele leven eigenlijk altijd gehad.’

Fotografie: Viorica Cernica & Beeldarchief Gilde Deventer

 

 

Leny Stappers heeft levendige herinneringen aan haar deelname als figurant aan de opnames van Een brug te ver. Ze stond in de zomer van 1976 oog in oog met Michael Caine en krijgt nog altijd kippenvel als ze terugdenkt aan de tanks op de brug. ‘Uiteindelijk hebben we 8 uur gedaan om 7 seconden film te maken.’

Zondagochtend 22 augustus 1976 klonk de wekker bij Leny Stappers wel héél vroeg. Ze moest die dag om 05.00 uur klaarstaan om zich te melden als figurant voor de opnames van De Bevrijding van Eindhoven. Eerst kleding uitzoeken. Een oranje jurk en dito sjaal, het was per slot de Bevrijdingsdag die zou worden opgenomen. Er zo werd er door de crew goed op gelet dat niemand kleding of accessoires droeg die refereerden naar 1976, de film speelt in 1944 en toen droeg men nog geen hippe horloges en spijkerjasjes. Ook je haar werd gekapt naar de haardracht van die tijd. ‘De jongens droegen in die tijd vaak lang haar, dus je kon in Deventer precies zien aan de kort geknipte coups wie er meedeed aan de filmopnames’, weet Leny nog.

‘Na de kleedsessies vertrokken we naar de binnenstad. Er was die dag een massa figuranten ingezet. Zij zouden de bevrijders verwelkomen op de Brink met luid gejuich en “Oranje Boven”. Iedereen werd ingedeeld in een bepaalde sectie. Leny was onderdeel van Section One, de groep jonge meiden die op de jeep van Michael Caine en Elliot Gould moest afrennen als zij de Brink kwamen oprijden. Zes meiden stonden in een soort punt, en Leny stond vooraan! Zij was de eerste die op de jeep moest springen om Michael Caine te omhelzen. Bij de eerste sprong werd al meteen “cut” geroepen, want het volk juichte niet hard genoeg. Zo was er altijd weer een reden om de opname opnieuw te doen. Leny: ‘Echt omhelst heb ik Michael Caine niet. Onze vingertoppen hebben elkaar aangeraakt, en ik heb hem natuurlijk van heel dichtbij gezien. Toen we elkaar aankeken “verdronk ik in zijn ogen”, maar dat was wel van heel korte duur.’

De scène moest helaas heel vaak opnieuw. Al met al wel vijfentwintig keer. ‘En elke keer moest ik opnieuw op die jeep springen. Je kunt je voorstellen wat een spierpijn ik die dag daarna had’, zegt Leny. ‘Uiteindelijk hebben we 8 uur gedaan om 7 seconden film te maken.’

Op de vraag wat Leny heeft gemotiveerd om te reageren op de oproep voor figuranten geeft Leny verschillende redenen: ‘Het leek me leuk om eens iets heel nieuws te doen en ik was benieuwd hoe zo’n opname in zijn werk zou gaan. Daarbij was ik net bevallen van mijn eerste zoon en had ik wel zin om een dagje uit de “babysfeer” te zijn. Echter de allerbelangrijkste reden om me aan te melden kwam via mijn vader. Als babyboomer ben ik opgegroeid in een sfeer van een oorlog die net voorbij is. Mijn vader vond het erg belangrijk om een positieve bijdrage te leveren aan de oorlog en dat had hij dan ook gedaan door bijvoorbeeld verzetskrantjes rond te brengen. Na de oorlog was hij bijzonder actief bij de wederopbouw. Ook van moeders kant was dit aan de orde, door bijvoorbeeld vlees uit de veestapel uit te delen als dat nodig was.’

Deze positieve insteek heeft Leny met de paplepel ingegoten gekregen. Ze vond het daarom extra belangrijk ook iets positiefs bij te dragen aan die oorlog en haar deelname aan de film sloot daar goed bij aan.

‘Voordat ik meedeed als figurant van de film, kende ik het verhaal van Een brug te ver al wel. Maar toen ik de uiteindelijke film zag, kon ik me niet echt inleven in het verhaal, omdat ik steeds bekende mensen en bekende Deventer locaties zag, Die leidden me enorm af. Ik zag bijvoorbeeld iemand die ik kende, in de film van de brug springen. En de kinderen van actrice Liv Ullman zaten gewoon bij mij op blokfluitles. Ik kon dat niet rijmen met het beeld dat ik van hen zag in een oorlog. In de film zie je een oud vrouwtje eenzaam in een straatje tussen de kapotgeschoten huizen lopen. Dit had deerniswekkende emotie bij mij moeten oproepen, maar ik kon alleen maar denken: “hé daar loopt Toet”.

Ook de locaties waren lastig. Je herkent de huizen op de Brink, dat was niet in Eindhoven. En de soldaten die over de daken liepen waren niet in Arnhem maar gewoon in Knutteldorp. ‘Wat mij heel erg heeft geraakt, en dat nu nog steeds doet, is het beeld van de tanks die over de brug komen en dan met die muziek erbij. De opnames waren weliswaar 50 jaar geleden, maar tot op vandaag krijg ik kippenvel als ik die “Brug-te-ver-mars” hoor.

De opname dag van Section One is inmiddels 50 jaar geleden. Mijn zoon, die toen net was geboren, is inmiddels een volwassen man. Meerdere acteurs uit de film zijn overleden, evenals mijn vader. Hij was er enorm trots op, dat ik meedeed en geheel volgens familietraditie een positieve bijdrage heb geleverd aan die vreselijke oorlog. Dat maakt mijn herinnering extra dierbaar.”

Fotografie: Viorica Cernica