Han Nijhof (85) heeft alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt. Van een verpauperd bedrijventerrein is het nu een plek met allure. ‘Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten.’

‘Ik ben de oudste bewoner van het Havenkwartier én ik woon er het langst. Bijna 55 jaar’, glundert Han Nijhof (85), een rijzige man met een enorme grijze baard. Hij moet hard lachen als ik hem vraag of hij al die jaren in de brugwachterswoning heeft gewoond. ‘Ik woon in dit huis pas sinds 2012, nadat mijn zoon hier acht jaar antikraak heeft gewoond. Voordien woonde ik jarenlang aan de Mr. H.F. de Boerlaan op nummer 129. Dat huis is afgebroken. Het brugwachtershuis had altijd al mijn aandacht. Prachtig gebouwd in Amsterdamse stijl, je woont er heel rustig met een mooi uitzicht over de IJssel. Ik ben heel blij dat ik er woon.’ 

Wie vanaf de A1 richting centrum rijdt, ziet, pal achter de zwarte silo, het brugwachtershuis liggen. Het huis is begin jaren twintig gebouwd. ‘Het precieze jaar weten we niet, het moet ongeveer in 1923 zijn geweest. De zwarte silo, aan de ingang van de binnenhaven, is toen opgeleverd. Het meest logisch is dat dit huis gelijktijdig gebouwd is.’ 

 

 

‘Het hoekraam op de benedenverdieping maakte altijd al indruk op mij. Zulke ramen werden vroeger niet vaak gebruikt. De brugwachter had door dit raam een goed panorama op zowel de IJssel als de Havenbrug (later Twentol-brug). Wanneer er een schip naderde, draaide de brugwachter de brug open en haalde met een klompje het geld op bij de schippers. Als het graan naar de silo werd overgeslagen, had de schipper even tijd voor een wc-stop en een borreltje. Buiten achter het huis zie je nog het schipperstoilet, achter de groene deur met een hartje. Op de Boerlaan nummer 165 was destijds het schipperscafé, nu is het een coffeeshop. De brug is niet meer. De Prins Bernard-sluis maakte de brug overbodig. Op de plek van de brug ligt nu het H.J. Ankersmit-gemaal.’

 

‘We waren nomaden’

Han schenkt me nog een kop koffie in en vertelt over de woning zelf. ‘De woning was niet groot hoor, zo’n dertig vierkante meter. Ik heb begrepen dat de brugwachter met zijn vrouw en twee kinderen tijdens en na de oorlog op de begane grond woonde. Op de eerste verdieping woonde de kok van de kazerne van de Huzaren van Boreel met zijn gezin.’

Ik kijk wat rond en zie een grote achterkamer en een zijkamer vol met boekenkasten en een groot bureau. Han vult gelijk aan: ‘Voor wij verhuisden naar deze woning hebben we flink verbouwd. Waar nu de achterkamer is, stond de transformator. Die staat nu achter het huis. De zijkamer is aangebouwd en ligt tegen het huis van de buren, het voormalige schipperscafé.’ 

Ik ben nieuwsgierig hoe Han in het Havenkwartier terecht gekomen is. In zijn achtertuin zie ik namelijk vlaggen van de Achterhoek hangen. Zowel hij als zijn vrouw Betsy blijken daar te zijn opgegroeid. ‘Ja, eigenlijk zijn wij beiden import. In Deventer was ik vanaf 1967 werkzaam als werktuigbouwkundige om het gemaal H.J. Ankersmit te realiseren. Het gemaal is gebouwd omdat er in het groeiseizoen behoefte was aan meer water voor de landbouw en het op peil houden van de grondwaterstanden in bos- en natuurgebieden. Het Waterschap Salland was de opdrachtgever. Stork uit Hengelo, mijn werkgever, was een van de uitvoerders.’

‘Via Stork was ik steeds betrokken bij nieuwe projecten. Eerst in Ethiopië en later dichterbij huis als in Antwerpen, Rotterdam en uiteindelijk Deventer. De projecten gaven een jaar tot anderhalf jaar werk. Om toch enigszins een familieleven te hebben kochten mijn vrouw Betsy en ik een caravan die we in de buurt van het werk altijd wel kwijt konden in een tuin of op een stukje land. Hier in Deventer stonden we bij de Douwelerkolk. We waren net nomaden. Ons oudste kind is vanaf het prille begin mee geweest. Met het derde kind op komst was dat toch niet ideaal en bovendien moest de oudste naar school.’ 

‘In 1968 solliciteerde ik als machinist bij het Waterschap Salland en ben ik permanent in Deventer gaan wonen. Het Waterschap kocht een van de veertig middenstandswoningen voor ons. Die zijn in de jaren twintig (1927) aan de Mr. H.F. de Boerlaan neergezet. Mooie woningen met vier slaapkamers, kamer en suite en een leuke tuin. We waren er dolblij mee. De kinderen konden naar school en we hadden een normaal gezinsleven. In de jaren zeventig heb ik de woning zelf gekocht en we hebben er tot in 2012 gewoond.’ 

 

Het Havenkwartier

Het Havenkwartier, toen bekend als een bedrijventerrein voor kleine industrieën, is wisselend in trek bij ondernemers. Han is zo’n twintig jaar als vrijwilliger actief bij het SIED (Stichting Industrieel Erfgoed Deventer) en noemt enkele bedrijven. ‘Het oudste bedrijf is Eijsink, een smederij en later machinefabriek. Vanuit de Appelstraat in Deventer vestigden zij zich op de hoek van de Mr. de Boerlaan en de Noordzeestraat. Op de andere hoek van die straat stond de Pettenfabriek van Smit. Ze verkochten hoeden, petten en paraplu’s in de Lange Bisschopsstraat. In de tijd dat ik hier woon, huisde de Davos-albums in dat pand en nu zit het Kunstenlaboratorium er. Ook kent bijna iedere Deventer inwoner de Kofferfabriek waar nu gewoond wordt. Aanvankelijk kostte het moeite om de grond rond de havens te bebouwen vanwege de recessie in de jaren dertig. Pas na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich er meerdere ondernemers. Naast de zwarte silo is in 1961 de grijze silo gebouwd. De toenmalige eigenaar ‘Coöperatieve Op- en overslag Deventer en Omstreken’ (CODO) wilde het groter aanpakken met een extra silo voor veevoeder, graan en meel.’ 

 

 

Penetrante paardenpislucht 

Als buurtbewoners onderling was er goed contact. ‘Ik ben een technisch mens en kan eigenlijk ook niet stil zitten. Ik heb als goede buur zo af en toe een klusje uitgevoerd voor het CODO. Ik had er ook zelf weer voordeel bij. In de zwarte silo kreeg ik van hen mijn “eigen” werkplaats in de voormalige paardenstal. In beginsel werd de aanvoer ook met paard en wagen geregeld. De stal heeft lang leeggestaan en bleek uiteindelijk een ideale plek om mijn oldtimers te restaureren. Een penetrante paardenpislucht steeg jaren later nog tussen de steentjes van de vloer omhoog.’ 

Han hoeft het me niet verder uit te leggen. Ik snap het volkomen. Op exact de plek van de stal huisvest de Zwarte Silo nu de toiletten voor haar horecabezoek. Ook het SIED heeft jaren gebruik kunnen maken van een ruimte in deze silo. 

 

Roerige tijden

‘Je kunt het je misschien niet voorstellen als je nu het Havenkwartier ziet, met het industrieel erfgoed, creatieve ondernemers, kunst, cultuur, horeca, kleurrijk bouwen en wonen. Decennialang zijn wisselende plannen, opstand en verpaupering gepasseerd om uiteindelijk deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het gemeentebestuur had steeds andere ideeën om tot wonen en werken met allure te komen. Er zou een ware metamorfose plaatsvinden en eind jaren negentig werd gesommeerd dat de veertig woningen moesten worden afgebroken. Noodgedwongen verkochten veel bewoners hun woning aan de gemeente. Er werd gedreigd met onteigening en de ME zou uiteindelijk handhaven. De meeste bewoners hapten toe. Het was misschien als grapje bedoeld maar het werd wel gezegd.’ 

Een enkeling wilde van geen wijken weten, waaronder Han en Betsy. Leegstand en verpaupering duurde heel wat jaren. ‘Het was schandelijk en ik ergerde me kapot. Ik wilde antwoord op de vraag: hoe denkt de gemeente deze verpaupering een halt toe te roepen? De leegstaande woningen werden uiteindelijk weer tijdelijk bewoond, als een soort antikraak. Ook de brugwachterswoning kwam leeg te staan. Onze zoon, die toen net zijn relatie had verbroken, kon deze woning tijdelijk betrekken. Uiteindelijk werd dat acht jaar, in ruil voor een lik verf en ander onderhoud aan de woning.’ 

 

Wonen in de brugwachterswoning

Han en Betsy waren uiteindelijk nog de enige bewoners met een eigen huis aan die zijde van de Mr. de Boerlaan. Huren wilden zij beslist niet, gaven ze de gemeente te kennen. De brugwachterswoning werd niet gesloopt en kon gehuurd worden van de gemeente. ‘We vonden die woning prachtig en wilden er graag wonen. Met hulp van een juridisch adviseur is het ons gelukt om onze woning op nummer 129 te ruilen voor de brugwachterswoning. Een woning met historische waarde, al is het geen monument geworden.’

‘Na een flinke verbouwing van zeker een half jaar zijn we er in 2012 gaan wonen. Betsy is in 2015 overleden. Ik woon hier nu alleen. Ik heb alle veranderingen in het Havenkwartier meegemaakt en zal niet ontkennen dat het een plek met allure is. Toch kan ik niet alle bouw waarderen. Ik vind het nog steeds fijn dat ik hier in alle vrijheid kan wonen. Wel wordt het steeds drukker met meer bewoners, bedrijvigheid en verkeer. Ik heb zelf mijn “eigen” parkeerplaats gemarkeerd. Je wil toch voor je eigen deur kunnen parkeren. Ik hoop hier nog heel wat jaartjes te genieten van het uitzicht op de IJssel.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Rob Lezer nam ‘Het Stoffenhuis’ in de Korte Bisschopstraat over van zijn vader. Na een periode van bloei nam het aantal naailustige dames gestaag af. Met weemoed moest hij de winkel in 2003 sluiten. ‘Het waren prachtige jaren.’ 

‘Op het moment dat de trein Deventer naderde en de brug over reed besloot mijn vader: hier ga ik een zaak beginnen. Hij was handelsreiziger in stoffen. Het was het jaar 1933.’

Ik zit aan tafel bij Rob Lezer die, met duidelijk veel plezier, het verhaal vertelt van de geschiedenis van ‘Het Stoffenhuis’, de mooie winkel die zijn vader is begonnen in de Korte Bisschopstraat en die hij later zou overnemen.

‘Die jaren dertig van de vorige eeuw waren echte crisisjaren. Als handelsreiziger reisde mijn vader per trein door Nederland met zijn koffers met stalen, om wat opdrachten voor levering van stoffen te krijgen. Dat was sappelen in die economisch magere tijd! Erger dan nu kan het niet worden, dacht mijn vader en hij waagde de sprong naar een eigen winkel. 

Een goede gok, zo bleek. Na een aantal jaren kon mijn vader het pand met bovenwoning kopen en het ging hem voor de wind. Inmiddels had hij mijn moeder leren kennen en in 1935 trouwden zij in de synagoge. Beide families waren joods.’

De oorlogsjaren braken aan. ‘Mijn vader ging in het verzet, hij was onder andere betrokken bij het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten. Dat vervalsen gebeurde aanvankelijk nog gewoon in de synagoge. Mijn grootvader had een prachtig handschrift en was heel goed in dat werk.
Op een gegeven moment werd het te gevaarlijk voor joden, ook in Deventer, en via via konden mijn ouders met mijn oudste zus die in 1937 was geboren, onder een valse naam, onderduiken in Zeeuws-Vlaanderen. Het Stoffenhuis werd overgenomen door een zogenaamde Verwalter. Die Verwalters werden door de nazi’s aangesteld om het beheer te voeren over zaken van opgepakte joodse burgers. Mijn familie heeft zich op hun onderduikadres al die tijd relatief veilig gevoeld. Mijn zus kon daar zelfs gewoon naar school gaan.’
 

 

Bevrijding van Deventer

In 1943 kondigde zich nog een tweede dochter aan. Rob: ‘Hoe raadselachtig dat ook klinkt, maar mijn zus is gewoon in het toenmalige Sint Jozefziekenhuis in Deventer ter wereld gekomen, waarna moeder en kind weer terugreisden naar Zeeuws-Vlaanderen. Ik heb nooit goed begrepen hoe en waarom dit zo is gegaan, helaas spraken mijn ouders heel weinig over hun oorlogservaringen en wij als kinderen vroegen daar ook niet naar. Pas nu ik wat ouder ben en met pensioen denk ik vaak met enige spijt: had ik maar meer aan hen gevraagd!’

Zeeuws-Vlaanderen werd al in oktober 1944 door de Canadezen bevrijd en Robs vader heeft zich toen aangesloten bij de Canadese troepen. ‘Met enige trots vertelde mijn vader altijd hoe hij bij de bevrijding van Deventer de stad was binnengereden boven op een oorlogsvoertuig van de Canadezen.’

‘En toen begon de wederopbouw. Mijn vader trof bij terugkeer een vrijwel failliete en leeggeroofde zaak aan. Zijn eerste daad was de Verwalter in grote woede de deur uit zetten. Vervolgens moest de leeggeroofde zaak weer helemaal opgebouwd worden, maar geld was er niet. Nou kende hij de directeur van de Sallandse Bank en vroeg om een lening. “Hoeveel wil je hebben?” vroeg deze. Met dat geleende geld kon mijn vader weer de eerste stoffen gaan inkopen, voor zover die er al waren.’

‘Vader regelde een autootje en reed langs stoffenfabrikanten. De eerste tijd waren de stoffen die er te krijgen waren nog vooral in donkere, saaie kleuren. Maar er was een enorme vraag naar kleding en dus naar stoffen. en mijn vader vertelde dat de dames zich verdrongen om te kijken wat hij bij zich had als hij aan het eind van de dag thuiskwam van zo’n inkooptocht. Als hij dan de volgende morgen zijn winkel opende was het gerucht van zijn handel kennelijk als een lopend vuurtje door Deventer gegaan en stonden er al lange rijen kooplustigen. Vanwege de schaarste ging alles toen nog met distributiebonnen. En met de punten van die bonnen kon mijn vader dan weer nieuwe stoffen inkopen.’

Vóór de oorlog al had Robs vader ook nog een winkel in Apeldoorn. Ook deze winkel moest weer bevoorraad en bemand worden. Tante Roosje, een zus van Robs moeder, kreeg daar de leiding.
Die zus had Auschwitz overleefd, samen met haar dochter. ‘Een hele sterke vrouw. Zij was belangrijk in onze familie. Elke avond ging na etenstijd de telefoon en dan riep de hele familie in koor: “Tante Roosje!” en dan werden de zaken doorgenomen.’


Mee op reis

‘De jaren die volgden gaven een grote bloei aan de stoffenzaak. Er werd toen nog heel veel zelf thuis genaaid. Ik werd in 1945 geboren. Het gezin woonde weer boven de winkel. Mijn moeder, die in het begin nog veel in de winkel hielp, sloot wel eens de winkel af als mijn vader op reis was voor de zaak en zij mij moest voeden. Dat kon je in die tijd nog gewoon doen.’

Rob ging naar de Montessori lagere school in de Van Lithstraat. De magazijnbediende die er inmiddels was, bracht hem daar elke dag met de bakfiets heen. In die tijd sloten nog alle scholen en ook winkels tussen de middag en ging iedereen naar huis om te eten. Rob heeft goede herinneringen aan zijn jeugd.

Na de lagere school bezocht Rob de Rijks HBS in het Nieuwe Plantsoen. ‘Ik was vooral geïnteresseerd in de praktische vakken en stapte daarom over naar de Handelsschool. Het was heel vanzelfsprekend dat ik mijn vader zou opvolgen in de winkel. Ik hielp al regelmatig in de zaak en ging steeds vaker mee met mijn vader als hij op reis ging om in te kopen.’

Met zijn diploma op zak ging Rob in veel landen stagelopen in stoffenfabrieken en grote stoffenzaken: in Duitsland, in Engeland met de prachtige Liberty-stoffen en de tweeds, in Parijs, waar de mooiste zijden stoffen en broderie vandaan kwamen. ‘Echte top-stoffen’, vertelt Rob en zijn ogen glunderen bij de herinnering. Hij genoot daar van het opdoen van veel kennis en leerde zijn talen, wat later goed van pas kwam omdat de inkoop steeds internationaler werd.

 

Nieuwe outfit

Inmiddels had Rob zijn vrouw Rozette leren kennen. Zij namen de zaak van zijn vader over.
Er volgden drukke maar mooie jaren van opbouw en uitbreiding. Naast de magazijnbediende kwam er een dienstmeisje en twee winkeldames: Ida en Frida, twee hele trouwe medewerksters, waarvan er één nog een lintje heeft gekregen voor veertig jaar trouwe dienst. 

‘Twee keer per jaar, in de lente en de herfst, kregen mijn vrouw die vaak in de winkel hielp en de verkoopsters een hele nieuwe outfit. Die werd gemaakt van de stoffen van het nieuwe seizoen. De sfeer en de samenwerking met het personeel was al die jaren erg plezierig. Hard werken, dat zeker! Naast de inkoop en verkoop en de organisatie en bevoorrading van de twee winkels, was ook het fysieke tillen van de zware stoffenrollen flink zwaar. Maar ik heb het altijd als heel plezierig ervaren.’ Inmiddels breidde het gezin zich uit. Ze kregen uiteindelijk twee dochters en een zoon. Er werd een paar keer verbouwd aan de zaak. Een van de veranderingen, de mooie, gebeeldhouwde houten trap vooraan in de winkel,  was en is nog steeds een blikvanger.

Het inkopen van de stoffen gebeurde aanvankelijk in Amsterdam, maar het aanbod van de grossiers daar beviel steeds minder en Rob vernam via zijn buitenlandse connecties dat er een hele mooie inkoopclub was in Keulen. Daar sloot hij zich bij aan en vanaf die tijd togen Rob en Rozette twee keer per jaar naar Keulen voor de zomer- en wintercollectie. 

Later nam Rob zelf zitting in deze inkoopcommissie. ‘Dat was erg leuk. Ik kon dan zelf meebepalen bij het samenstellen van de collectie. Omdat het samenstellen van je stoffencollectie afhing van wat de mode zou worden in het nieuwe seizoen, bezocht ik, vaak samen met mijn vrouw, ook modeshows en beurzen, onder andere in Milaan, Parijs en Florence. Dat waren erg mooie reizen. Het inkopen was altijd spannend, omdat de mode snel kon veranderen. Het gebeurde wel eens dat ik dacht, als wij de stoffen binnenkregen die we een half jaar tevoren hadden ingekocht: krijg ik dit nog wel verkocht?’

 

Naailustige dames

Met enige weemoed heeft Rob in 2003 het besluit genomen Het Stoffenhuis te sluiten. Tot verdriet van menige Deventenaar(se)! De laatste jaren daalde het aantal naailustige dames gestaag. Confectiekleding werd steeds goedkoper en alleen de (vaak wat oudere) klanten die kwaliteit en een uniek kledingstuk konden waarderen bezochten nog steeds graag de stoffenzaak. Rob zag daardoor ook geen brood meer in de zaak voor een eventuele opvolger. Ook in Apeldoorn was Het Stoffenhuis intussen al gesloten.

‘Wij hebben hier in Deventer prachtige jaren gehad en genieten nu van het leven als pensionado. Maar gelukkig nog steeds in de binnenstad van Deventer, waar we zeer aan verknocht zijn.’

 

 

Ik volg Rob en Rozette nog even naar hun grote souterrain, waar een paar schitterende foto’s hangen van de etalages van weleer. We laten onze handen gaan over een paar van hun mooiste stoffen, die hier beneden nog een plaatsje behielden. ‘Ja, schoonheid en kwaliteit: daar ging het ons uiteindelijk om!’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

 

In het Deventer uitgaansleven was altijd wat te doen, herinnert Sjors Snijders zich. ‘Als de jongens van de Rivierenwijk en het Rode Dorp elkaar tegenkwamen, dan was het bingo: knokken.’

Buurman Sjors is bijna tachtig jaar, maar als hij over zijn jeugd in Deventer vertelt beginnen zijn ogen te twinkelen. Hij is dan opeens weer de jongen die hij eigenlijk ook altijd een beetje gebleven is. Sjors is geboren en getogen in Deventer. Deventer was voor hem in zijn kindertijd vooral het buitengebied dat toen nog grensde aan de Swaefkenstraat waar hij woonde. 

‘Vroeger zaten we altijd op het exercitieterrein. Wechelerveld heet het nu. Daar mocht je eigenlijk niet komen. Maar we gingen wel. Er waren ook wel eens schietoefeningen. Dat stond nergens aangegeven want het was militair terrein. Mag je daar niet komen? Nou dat zullen we dan wel eens even zien. In het gebied naast Park Braband tegen de Wetering aan, daar had je de zeven eilandjes. Dat was vroeger een heel leuk gebied, een soort moerasgebied: een rijtje bomen en sloten en dan weer een rijtje bomen en sloten. Het heette niet voor niets de zeven eilandjes. Dat was een heel stuk waar je lekker kon spelen. Vanaf onze straat tot aan de kazerne waren allemaal landerijen. Mijn moeder kon roepen als het eten klaar was.’

Sjors was bij de padvinderij. ‘Het was voetbal of de verkenners. Veel meer had je niet. Voetbal deed ik niet. Had ik geen zin aan ook.’ De BB (Bescherming Burgerbevolking) oefende in de restanten van de DAVO-fabriek, de verkenners speelden slachtoffers die geëvacueerd moesten worden. ‘Dan had je een papiertje op de borst waarop stond wat je mankeerde. Een geamputeerd been of een weggeschoten been en een ander had een beschadiging aan z’n hoofd.’

 

 

Huppakee, omkeren jij

Sjors vertelt dat hij veertien motoren had. ‘Nee, niet voor de verkoop, voor de lol. Sleutelwerk. Ik reed er zelf niet al te vaak mee, want ik had geen rijbewijs. Ik reed dus wel, maar ja, op een gegeven moment houden ze je aan en dan kennen ze jou en weten ze dat precies. Hé, daar heb je hem weer, daar moeten we eventjes achteraan. En dan was je weer de klos. Tot ze me drie keer in een week pakten.’ 

Dat gebeurde ook toen hij aan het afrijden was voor zijn motorrijbewijs. ‘Toen haalden ze me van de weg af want ze kenden me al. Ze wisten niet dat ik aan het examenrijden was. Ze hielden me tegen. ‘Hé, huppakee, omkeren jij, kom jij eens even hier. Wat ben je aan het doen?’ De examinator die achter me had gereden zei: ‘Nou, begin maar weer opnieuw.’ En toen had ik er geen zin meer in. Ik heb het nooit meer gehaald, het rijexamen, tenminste niet voor motoren.’

Voor hem als jongere speelden vooral de uitgaansgelegenheden in de binnenstad van Deventer een grote rol. ‘Het uitgaansleven, dat was wel mijn hobby. Zolang het geld het toeliet. Je had de jeugdsoos toen, de Rim Ram, die zat op het Grote Kerkhof. Op de Brink zat er ook nog één, hoe heet die ook alweer? Ik ben al die namen weer kwijt. Er waren er een stuk of drie, vier. Je liep van de één naar de ander en dan de kroegen af natuurlijk. Dat waren leuke tijden. Ik kende de horeca wel goed in die tijd. Ik ben wat dat betreft een stevige sponsor geweest.’

 

‘Je had kakkers en plakkers. Kakkers waren betere burgers, dachten ze’

 

Er werd vaak geknokt tussen de plakkers en de kakkers en tussen de jongeren uit de verschillende wijken. ‘Ik hoorde eerder bij de nozems, de plakkers. Tenminste, dat sprak me meer aan. Plakkers, die hadden plat haar, brylcreem erin, hè. Ikzelf had geen vetkuif, ik had lang haar zoals, kom hoe heette die zanger ook al weer, Armand. Kakkers waren net iets betere burgers, dachten ze. Echt niet, maar daar kwamen ze later wel achter. Maar ja, goed, zo hielden ze de zaak wel levendig. Er was altijd wat te doen met al die knokpartijen. De jongens van Tuindorp en de Rivierenwijk of van het Rode Dorp, Knutteldorp, de Molenwijk, die moesten elkaar niet tegenkomen, dan was het weer bingo. Als er een feestavond was geweest dan moest er wel even een toetje op, hè.’ 

Eén van de uitgaansgelegenheden was de Buitensoos aan de overkant van de IJssel, precies op de grens tussen twee gemeenten. Bij vechtpartijen was het daarom de vraag waar de politie vandaan moest komen, herinnert Sjors zich. ‘Welke politie moesten we nou bellen? Deventer zei: “Dan moet je die van Wilp hebben” en Wilp zei: “Dan moet je die van Deventer hebben.” Dat was altijd een feest.’

En dan was er de kermis. Sjors: ‘Dat was de jaarlijkse happening. Niet op de woensdagmiddag, dan was het kinderkermis. En donderdag kwamen de boeren. Daar waren vaste dagen voor. Dat wist je, dan moest je ’s avonds niet in de stad zijn. Maar in de weekenden werd er nog wel eens een vechtpartijtje uitgevochten.’

 

Peutboeren

Net toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst was Sjors klaar met de opleiding voor vliegtuigmonteur. ‘Overdag werkte ik bij de Fittingfabriek en één dag in de week ging ik naar school. De rest deed ik schriftelijk, in de avonduren.’ De dienstplicht vervulde hij bij de Luchtmacht. ‘Ik werkte niet als monteur aan de vliegtuigen zelf, daar hebben ze eigen personeel voor. Ik was monteur van de tankwagens van de “peutboeren”, tanken van kerosine in de vliegtuigen. Voor dienstplichtigen was dit het hoogste wat je halen kon. Het was heel relaxt. Alleen moest je ’s avonds na het weekend al vroeg weer weg en door de week was je ook van huis. Maar goed, daar word je niet minder van.’ 

Toen hij de dienst inging woonde hij nog steeds in de Swaefkenstraat, aan de rand van de stad. ‘Toen ik na 24 maanden de dienst uitkwam was heel Tuindorp gebouwd, allemaal in een paar jaar tijd. Dat is mijn Deventer niet. En wat er nu allemaal bijgebouwd is… ik weet het niet. Dat is allemaal te groot. Ik vind het minder gezellig in Deventer. Mensen gingen vroeger ook heel anders met elkaar om, ze kennen elkaar niet meer. Je ziet het hier in de straat eigenlijk al. Als er nieuwe mensen komen – ik ken ze niet. Ze stellen zich ook niet meer voor.’

Sjors woont al sinds 1973 in de Oudegoedstraat. ‘Ik heb dit huis gekocht in 1973’, vertelt Sjors. ‘Ik ben er direct ingetrokken en ga hier niet weg. Het zijn hier allemaal volhouders hoor. Je kende iedereen in de straat. Een kruidenier had je hier zitten. En op de Diepenveenseweg zat nog een kledingzaak, een fietsenmaker, een bloemenzaak. De winkels waren hier gewoon rondom. Al die zaken zijn nu weg.’

‘Waar we hier in de straat heel druk mee zijn geweest, is het pleintje. Dat pleintje vroeger, dat was gewoon een woestenij en daar hadden we dus een kinderspeeltuin van willen hebben. De hele buurt bemoeide zich ermee. Er zijn plannen geweest, alleen de gemeente deed niet mee. Maar toen onze kinderen groot waren, vond de gemeente het leuk om van het pleintje een speeltuin te maken. Wat moet je daar nou mee?’

 

 

Niet verpieteren

De ouderen in de straat vallen één voor één weg. Ook Astrid, de vrouw van Sjors, is vier jaar geleden plotseling gestorven. Zij onderhield de contacten, ook met de nieuwe mensen. Ze was van alles altijd op de hoogte. Nu is hij van die informatiebron afgesneden. Maar hij verpietert niet, hij heeft genoeg te doen. Hij klust veel, in en rond het eigen huis of voor zijn dochters. Die ondernemen telkens iets nieuws in Deventer, kapperszaken en bloemenzaken, een restaurant, een kroeg en een bed & breakfast op een boot. En altijd is er wel iets te doen waarvoor de hulp van hun vader moet worden ingeroepen. 

Op een klein uitstapje na, toen hij op jonge leeftijd een tijdje bij de KLM werkte, is hij nooit uit Deventer weggegaan. De Amsterdammers bevielen hem niet zo. Hij voelde er zich niet thuis en ging daarom snel weer terug. ‘Als ik alleen al naar Zutphen ga, voel ik me daar niet thuis.’

Wat bindt hem aan Deventer? ‘Het is hier bekend en ik heb hier vrienden. Ik vind zeker de binnenstad echt wel aantrekkelijk. In grote lijnen is de binnenstad niet veel veranderd. Het stratenplan is hetzelfde. Het enige is dat in de Overstraten en de Korte en de Lange Bisschopstraat veel zaken zijn veranderd. Maar het huizenpatroon is in wezen nog steeds hetzelfde. En boven de gevels, als je even omhoog kijkt, dan is het lekker nog allemaal ouderwets. Dat is gezellig en het is mooi.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman

Wie op de Brink in Deventer goed rondkijkt ziet, ingeklemd tussen de horeca en vele grote terrassen, nog een enkele winkel. Vooral speciaalzaken, zoals modehuis Kok-Rengerink op nummer 78. De vaste klantenkring van dit modehuis, met name dames van vijftig plus, komt er voor een jumper, vestje of pantalon. Mode met de formule: Niet te strak, niet te kort, niet te duur.

Hoe anders zag de Brink er begin jaren zeventig uit: allemaal middenstand en slechts een enkele horecazaak. ‘Het was er heel gemoedelijk, alle winkeliers en bewoners kenden elkaar’, vertelt Ria Stegeman-Aussems.

‘Als zestienjarige, net klaar met de huishoudschool in Rotterdam, verhuisde ik naar Deventer om bij mijn oudere zus Kathy en zwager Herman Kok te gaan wonen en werken.’ Dit mode-echtpaar nam in 1972 de damesspeciaalzaak van Rengerink over. Een paar jaar later voegden zij hun eigen achternaam ‘Kok’ toe en tot op de dag van vandaag prijkt de naam ‘Kok-Rengerink’ op de gevel van dit prachtige grote pand aan de Brink.

Vijftig jaar later vertelt Ria enthousiast over de twintig jaar die zij op de Brink werkte. Haar liefde voor Deventer en ook de passie voor de kleine middenstand is toen ontstaan. ‘Ik koop veel en vaak bij de Deventer middenstand. Niet alleen bij mijn zus en zwager hoor. Handdoeken en dekbedhoezen koop ik bijvoorbeeld bij de linnenzaak waar ik nu boven woon. Ik stop mijn dochter ook regelmatig een setje handdoeken toe.’

 

Sallandse tongval

Herman Kok werkte al jaren in de textiel in Rotterdam en zag het als een carrièrestap om zijn eigen bedrijf te gaan runnen. Bij de overname van het modehuis verhuisden hij en zijn vrouw Kathy naar Deventer. Zij woonden boven de zaak, gevestigd in een rijksmonument uit 1760. Het was een drukke en goedlopende winkel en het echtpaar kon wel wat hulp gebruiken. Ze vroegen Ria bij hen te gaan wonen en werken. In eerste instantie was Ria voor ‘boven’: het huishouden en de twee kleine zoontjes. De jongste was net geboren en de oudste was toen vijf jaar. Na een korte wenperiode bleek de woon- en werkomgeving voor zowel Ria als haar zus en zwager een succes. Ook de moeder van Kathy en Ria was erg tevreden over de ‘veilige’ move van haar dochters naar het oosten van het land.

 

 

Toen de kinderen beiden naar school gingen, trok Ria naar ‘beneden’ en werkte ze volledig mee in de winkel. Behalve Kathy, Herman en Ria kende de zaak toen nog drie tot viermedewerkers. Het kon er razend druk zijn en iedere paskamer had toen zijn eigen verkoper. De medewerkers en clientèle kwamen uit Deventer en omringende dorpen zoals Bathmen, Lettele en Gorssel. Voordeel van de medewerkers van buiten was dat zij ook met de specifieke Sallandse tongval konden spreken.

 

Laat de middenstand niet verloren gaan’

 

In de volksmond werd de zaak ook wel ‘het vestenwinkeltje’ genoemd. Service voor vaste klanten was dat kledingstukken op zicht meegenomen konden voor dames die wat minder mobiel waren. In een boek werd het ‘wie’ en ‘wat’ genoteerd en na het terugbrengen of ruilen werd alles pas betaald. ‘Dat is eigenlijk nooit misgegaan’, vertelt Ria. Algauw ging ze opleidingen volgen en haalde ze haar middenstandsdiploma en textielbrevet. Bij vakanties of inkoopdagen van Kathy en Herman zwaaide Ria de scepter in de zaak. Ze was immers zowel van ’boven’ als ‘beneden’ op de hoogte.

Uiteindelijk heeft zij bijna twintig jaar gewerkt bij Kok-Rengerink, totdat zij begin jaren negentig trouwde en afscheid nam. Ze ging fulltime voor haar pasgeboren dochter zorgen. Later werd ze actief op de school van haar dochter, onder andere in de ondernemingsraad, bij creatieve lessen en als luizenmoeder. Regelmatig volgde ze creatieve cursussen als tekenen, schilderen en etsen. Haar gezellige appartement hangt vol met eigen kunst.

 

Een vertrouwd gezicht

In de jaren zeventig en tachtig kenden alle Brinkbewoners en -winkeliers elkaar. Boodschappen deed men op het plein en in de aanliggende straatjes als de Grote en Kleine Overstaat, Vleeshouwerstraat en Nieuwstraat. Naast Kok-Rengerink op de hoek zat groentewinkel Kruithof, wat nu café de Waagschaal is. Aan de andere kant vond je Stuurman, de bakkerij.

Liepen we over de Brink, dan zagen we verder Eltink de poelier, Simons zuivel, Janssen voor tabak, koffiebranderij Ten Have, de radiozaak van De Bie, de lampenwinkel van Wagemansen Teekens voor bruidsmode. In de straatjes waren winkels als groenten van Kornet, bakkerij Lankhorst en slagerij Breshamer.

De auto’s stonden gratis geparkeerd op de Brink, met uitzondering van de marktdagen vrijdag en zaterdag. Toen stonden ze onder de Wilhelminabrug, ook gratis. ‘Dat is natuurlijk niet meer van deze tijd’, zegt Ria. ‘Maar het was wel fijn.’

 

Broodje shoarma

‘In het begin ging ik elk weekend naar mijn ouders in Rotterdam’, vertelt Ria. ‘Zo hadden Kathy en Herman ook hun gezinsleven met de kinderen en kon ik lekker verhalen uitwisselen met mijn moeder, en met mijn zus zodra ik terugkwam op dinsdag.’ Na negen jaar inwonen verhuisde ze in 1981 naar een van de wooneenheden die toen opgeleverd worden naast ‘de Boze Goudvis’ tegenover ‘de Visman’, het imposante bronzen beeld aan het Pothoofd.

‘Nu zijn de woningen verpauperd, eigenlijk rijp voor afbraak’, zegt Ria. ‘Toen was het voor mij een eigen dak in het centrum. Prettig omdat het uitgaan een onderdeel van mijn bestaan was geworden. Ik ging vaak naar de City Club, de discotheek. Mijn stamkroeg was La Balance, wat nu de Heeren is. Danslessen nam ik bij Eppink, ook een begrip in Deventer. De horeca verdiende heus goed aan ons. Ga maar na: om negen uur ’s avonds gingen we uit en om drie uur de volgende morgen waren we pas thuis, nadat we steevast een broodje shoarma aten in de Overstraat.’

Ria leerde haar echtgenoot in het uitgaansleven kennen. Samen bleven ze hun verdere leven in Deventer wonen. Ze verhuisden naar verschillende wijken, om in 2013 weer in de binnenstad neer te strijken. ‘Heerlijk… de IJssel, en alles bij de hand. Ik ga niet meer weg uit de binnenstad’, zegt Ria. ‘Uitgaan doen we nog steeds, nu naar de schouwburg en het theater. Lekker uit eten, ook op de Brink. Het is er erg veranderd door de vele horeca, de grote terrassen, alle verlichting en kleurige reclames. Logisch, alles gaat met zijn tijd mee. Maar ik kom er nog steeds heel graag.’

Ria plukt aan haar mosterdgele vest. Ik kan het niet laten haar te vragen of ze dit vest bij Kok-Rengerink heeft gekocht. ‘Ja hoor… en deze geruite broek ook. Mijn zus en zwager, beiden op leeftijd, zijn nog steeds voor drie dagen in de week geopend en ook op afspraak. Ik wil het luid laten horen: Deventer, let op dat we niet alle “kleine” middenstand laten verdwijnen in ketens en horecazaken. Ze horen net als de IJssel bij onze stad. Ik vind eigenlijk dat Deventer deze zaken best in bescherming mag nemen. Je ziet ze bijna niet meer terug tussen de lange corona-terrassen.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman