Al meer dan tien jaar vaart de geboren schipper Douwe van Komen op het pontje over de IJssel. Vervelen doet hij zich nooit. ‘Hier varen betekent als het ware een snelweg oversteken.’

‘Deventer is de warmhartigste stad aan de mooiste rivier met de fraaiste wolkenpartijen van Nederland’, vindt Douwe van Komen. Sinds september 2011 vaart hij de voetgangerspont in Deventer. We zijn het eens. Ik wil graag weten hoe hij hier terecht gekomen is en of dat nou eigenlijk leuk is, steeds op en neer varen. Kan het gevaarlijk zijn? En sinds wanneer vaart de pont eigenlijk? En voor wie?

Douwe is een makkelijk prater. Hij schakelt soepel van het hier en nu naar zijn vroegere werkzaamheden en via zijn kinderjaren naar hoe hij in 2003 in Deventer belandde. En hoe hij ertoe kwam om in Deventer te blijven.

Douwe werd op 28 september 1959 geboren in Roermond als enig kind van binnenvaartschippers. Een duwboot.  Grintbakken, Maas-keien, zand maar ook wel zout. Hard werken. ‘Mijn vader was echt zo sterk als een beer. Dagen van achttien, negentien uur waren geen uitzondering. Mijn ouders hadden op een bepaald moment een eigen boot dus je doet wat nodig is. Ik heb dat ook. Ik voel me verantwoordelijk voor mijn gezin, voor mijn werk, ten opzichte van mijn baas, en met mijn collega’s vorm ik een hecht team.’

Met vader en moeder als gezelschap bleef de kleine Douwe aan boord tot hij naar school moest en om die reden met moeder aan wal ging wonen. Vader zette het schipperswerk voort en was regelmatig, maar lang niet altijd, de weekenden thuis – want hij moest op afroep beschikbaar zijn. ‘Ik kon eerder zwemmen dan lopen’, zegt Douwe. ‘Ik vond het heerlijk aan boord als kind, ik heb een fijne jeugd gehad.’

 

 

Beroerte

‘Nee, gelukkig geen schipperskindereninternaat’, verzucht Douwe, op de vraag naar het vervolg van zijn leven. ‘Toen ik zestien was kwam ik bij mijn vader aan boord in de leer en vanaf toen hebben we jaren samengewerkt. Een professionele opleiding of het behalen van een officieel diploma was in die tijd niet nodig om zelfstandig te mogen varen, ik heb vrijwel alles wat ik weet van mijn vader geleerd.’

Douwe’s moeder overleed in 1996. Vader en zoon vervoerden samen nog jarenlang wat zich aandiende, op een middelgrote boot op de binnenwateren van Nederland, Duitsland, België en soms Noord-Frankrijk.

Tot oktober 2003. Toen kreeg vader aan boord, in de sluis van Deventer, een beroerte. ‘Dat was wel een heel angstig moment.’ Douwe moet even slikken. Het was een moment waarop hij, benadrukt hij, heeft ervaren hoe hij zich door zijn geloof gesteund voelde. En trouwens niet alleen toen. ‘Het geloof loopt als een rode draad door mijn leven.’

Want hier, binnen handbereik, in de sluis van Deventer, woonde toevallig een familielid. Door diens snelle ingrijpen kwam er vrijwel direct hulp en belandde zijn vader in korte tijd in het Deventer ziekenhuis. Helaas kreeg hij daar vrijwel direct een tweede beroerte, waardoor hij verlamd raakte en in een verpleegtehuis moest worden opgenomen.

Zijn vader heeft nog tien jaar geleefd, maar werd steeds zwakker, later ook nog dement. Hij is nooit meer aan boord geweest. ‘Dat was pijnlijk en verdrietig en dat is het nog’, vertelt Douwe. ‘Op een bepaald moment dacht mijn vader dat ik zijn broer was!’

 

Knop omdraaien

Douwe bleef varen en bezocht zijn vader vaak in het verpleeghuis Sint Jozef in Deventer. Regelmatig ontmoette hij daar José, die daar háar vader bezocht, ook verlamd na een beroerte. Een kopje koffie samen, een wandeling samen. José woonde in Goor maar werkte in het Deventer ziekenhuis. ‘Zodoende zijn we bij elkaar gekomen’, vertelt Douwe en zijn glinsterende ogen spreken voor zich. In eerste instantie voer Douwe nog een poosje door met de boot van zijn ouders, wanneer nodig met assistentie, maar vast werk had hij niet. Even nog overwogen José en Douwe om samen te gaan varen. Inmiddels woonden ze bij elkaar in haar huis in Goor.

Maar dan, in 2004, vertelt Douwe, gebeurde er iets moois: ‘José bleek zwanger.’ Hij was 44, José 35. Hij voer nog enige tijd via een uitzendbureau en in 2005 werd zoon Ruben geboren. ‘Een heel bijzondere ervaring. Ik was enig kind en tamelijk alleen opgegroeid. Ik had veel alleen gewerkt. Wel eens een relatie gehad, maar ik had veel alleen geleefd. Nu had ik onverwacht een vrouw en een zoon! Ik was realistisch en dacht: nu moet ik gewoon een knop omdraaien.’

Douwe besloot om de boot te verkopen.  Hij was 46, zijn zoon een half jaar oud en zijn vader zou niet meer beter worden. Op 28 april 2006, de boot lag in de haven van Goor, kwamen de kopers de boot halen. ‘Toen ze wegvoeren met de boot die mijn ouders kochten toen ik achttien was, ben ik een heel stuk langs de kade meegereden. Er ging heel veel door me heen… Nee, José was er niet bij, sommige dingen moet je even alleen verwerken.’ Zijn vader vond het natuurlijk ook heel moeilijk. ‘Een stukje familiehistorie kwam ten einde.’

 

Voetveer

In 2007 verhuisden Douwe, José en Ruben naar Deventer. Douwe vond werk op een partyschip in Goor. Hoewel het een enorme omschakeling was om geen vracht, maar passagiers te vervoeren en om niet op de boot maar op land te wonen, pakte de verandering goed uit. Douwe bleek het leuk te vinden om het de gasten naar de zin te maken, en ook dat de passagiers met plezier naar zijn verhalen luisterden. ‘Je weet veel van rivieren, dus er is veel te vertellen’.

Hij werkte in 2010 ook op het veer van Gorssel en had het prima naar zijn zin. Maar: beide werkzaamheden waren seizoengebonden. ‘Douwe, weet je dat ze hier in Deventer iemand voor het pontje zoeken?’ vroeg een familielid op zekere dag in 2011. Douwe wist dat niet maar belde direct voor een afspraak met de heer Scheers, eigenaar van Rederij Thuishaven. 

Hij vermoedde dat hetzelfde familielid al wat voorwerk had verricht, want het sollicitatiegesprek liep zo ontspannen en plezierig dat hij al halverwege het gesprek doorhad dat ze hem wel willen hebben. Het familiebedrijf vaart al sinds 1962 dagelijks vele malen de voetveer heen en weer tussen De Worp, waar men gratis kan parkeren, en de IJsselkade. Het hele jaar door, bij weer en wind, van ’s ochtends tot ‘s avonds. 

Ze voeren met Carpe Diem, het partyschip. Douwe kon vrijwel gelijk bij de firma Scheers beginnen en het voelde goed. ‘Fijne mensen’, zegt Douwe. ‘We zijn een klein team en kunnen altijd van elkaar op aan.’

De oude heer Scheers is in het bedrijf van zijn schoonouders begonnen, heeft het overgenomen en doet zelf trouwens nog regelmatig dienst. Zijn dochter Daniëlle is heel betrokken en schoonzoon Georg vaart ook. Naast Douwe en de reserveschipper uit Zwolle vormen zij de vaste bemanning.

 

 

Humor

‘Het bedrijf vaart in 2040 nog’, zegt Douwe. De pont is onmisbaar voor het autoluwe Deventer, voor zowel woon- en werkverkeer als voor winkelende en uitgaande Deventenaren. En de pont trekt toeristen. ‘Dat zijn er veel, want er is zoveel te doen in Deventer!’ Hij somt de hoogtepunten op waar Deventer beroemd om is: het silhouet van de stad als je de brug passeert of komt aanvaren, Deventer op Stelten, de boekenmarkt, het Dickensfestival… ‘Dan varen we van ‘s ochtends vroeg tot één uur ‘s nachts met twéé boten.’

 

‘Het veer is onmisbaar, in 2040 varen we nóg’ 

 

En daarbij, in maart 2021 is de oude boot vervangen door een elektrische. ‘Hij is schoon en zó stil! Heerlijk.’ Varen met de pont is niet moeilijk en niet gevaarlijk, zegt hij. ‘Het water is relatief stabiel in hoogte en stroomsterkte. Het IJsselmeer, ja, daar heb ik vroeger wel angsten uitgestaan. Dat water was onvoorspelbaar. Hier varen betekent als het ware een snelweg oversteken: goed uitkijken en onderling contact houden, want er varen boten met de maximale lengte van 110 meter en 11,45 meter breed. Gróót voor deze rivier. En meer dan lang genoeg, bij laag water.’

Het wordt tijdens ons gesprek steeds duidelijker: Douwe houdt van Deventer, van het water en zijn werk, van zijn collega’s en van zijn vrouw en zijn zoon Ruben ‘Je moet je kind vrij laten, hij moet zijn eigen weg vinden. Hij is een heel verstandige jongen voor zijn leeftijd. En hij heeft humor, dat is naast mijn geloof de tweede rode draad in mijn leven.’ Dat wil hij graag genoteerd hebben.

Nieuwsgierig naar de vloot? Kijk op www.pontjedeventer.nl voor meer informatie.

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Wat een stijve stad, dacht de Voorburgse Anneke van Onselen als kind over Deventer. Toch ging ze er als jonge vrouw wonen, en is ze nooit meer weggegaan. Jarenlang gaf ze schilderles in Schalkhaar. ‘Schilderen verbindt.’

Het is een stralende koude herfstdag. De zon schijnt door de laatste goudgele bladeren van de platanen op het binnenplein van Ravelijn, een schitterend woongebied met nieuwbouw op de plek van de oude wijk Hoornwerk, net buiten het centrum van Deventer. Tijdens de rondleiding door haar huis is het al gauw duidelijk dat Anneke van Onselen schilder is. ‘Wel een amateur’, zegt ze er direct bij. Aan alle wanden hangen haar kleurrijke schilderijen. Op de vloer ligt een kleurige kelim, op de stoelen prijken vrolijke kussentjes. Het past wonderwel bij de kleurige vrouw die Anneke is. Trots laat ze ook werk van haar kinderen en kleinkinderen zien. De meesten van hen hebben ook een creatief gen.

Ravelijn ontleent haar naam aan de oorspronkelijke functie van dit gebied: de plek van het hoornwerk, de verdedigingsmuur van Deventer. Ravelijn betekende in de Middeleeuwen vesting. De glazen wand van het achterste woongebouw symboliseert le courtine, het gordijn, de weermuur van de vesting. De gebouwen ervoor, waarin Anneke woont, staan als verdedigingswerken voor die wand. In het logo voor de nieuwe vlag van Ravelijn, door Anneke ontworpen en door een medebewoner op de computer gerealiseerd, zijn de contouren van de vesting te zien, tegen de rood-gele achtergrond van Deventer. 

Het oude Hoornwerk was een wijk met veel vleesverwerkende bedrijven, die allang zijn gesloten. Een deel van de Turkse werknemers van de vleesfabrieken woont nu, zoals beloofd door de gemeente, in Ravelijn. Soms is het schipperen tussen twee culturen. Anneke is als lid van de bewonerscommissie een van de initiatiefnemers om de integratie van Turkse en Nederlandse bewoners te stimuleren. Een verbinder kun je haar wel noemen.

 

 

In de keuken in bad

Wie keken er, behalve haar vader en moeder, nog meer in haar wieg? ‘Mijn opa en oma van moederskant uit Deventer’, vertelt Anneke. ‘Ik bleef enig kind. Mijn vader was vaak maanden van huis. Hij voer als werktuigkundige op een vrachtschip. Als mijn vader op zee was ging ik met mijn moeder voor de gezelligheid logeren bij opa en oma in Deventer. We gingen lang en vaak, later alleen in de schoolvakanties.’

‘Het staat me nog zo helder voor de geest’, vertelt ze. ‘Het huis van opa en oma in de Burgemeester IJssel de Schepperstraat, nog zonder badkamer. Wekelijks ging iedereen in de grote teil in de keuken in bad, nadat eerst water op het fornuis was gekookt. Het was een klein huis, een gastvrij huis. Twee logees erbij vonden opa en oma alleen maar gezellig. Ze verhuurden ook regelmatig een kamer aan een student van de Landbouwschool.’

Anneke bewaart fijne herinneringen aan de wandelingen met haar opa. ‘Onderweg liep hij te neuriën, met z’n handen op z’n rug. Ik legde mijn handje dan in zijn handen. Ik herinner me nog de oude Schipbrug, en het heen en weer varen met het pontje tot ik er genoeg van had – want zolang je het pontje niet verliet, bleef je kaartje geldig. Zo heerlijk, dat varen op de IJssel.’ 

Ze denkt nog wel eens terug aan de Walstraat met zijn krotwoningen, en aan de Beestenmarkt waar elke vrijdag nog echte koeien werden verhandeld. ‘En aan de kerstnachtdienst in de Bergkerk, met echte brandende kaarsen op elke bank’, zegt Anneke. ‘Op een avond vloog de voile van de hoed van een mevrouw bijna in de fik.’

 

Rode stad

De kinderen in de buurt van haar opa en oma vonden haar maar een vreemd kind, vertelt ze. ‘En ik vond Deventer een stijve stad. “Een rode stad”, leerde mijn opa mij. “Zelfs het vee langs de IJssel is rood.” Toch had Anneke een fijne kindertijd, zowel in Deventer als in Voorburg, met een moeder bij wie ook altijd alles kon en iedereen welkom was.

Anneke ging naar de lagere en middelbare school in Voorburg, en daarna naar de Kweekschool voor Onderwijzeressen in Den Haag. Daar haalde ze het diploma kleuterleidster. Tekenen en schilderen deed ze in die tijd al. ‘Een beetje creatieve aanleg heb je in het kleuteronderwijs wel nodig’, vindt ze, ‘om bijvoorbeeld een mooie bordtekening te kunnen maken.’

Toen Anneke en haar moeder later meevoeren op het schip van haar vader, van Genua naar Rotterdam, werkte op het schip ook Ben, haar huidige echtgenoot. Maar omdat Anneke vol overtuiging zei: ’Voor mij geen zeeman!’ maakte hij geen avances. 

‘Ik trouwde jong met een echte Deventenaar’, vertelt ze. ‘Mijn schoonfamilie vond dat ik maar snel Dèventers moest leren, anders hoorde ik er niet echt bij.’ Ze woonden eerst in Apeldoorn, daarna in Deventer op verschillende adressen en uiteindelijk in Schalkhaar. Op de achtergrond werkte Anneke zestien jaar mee in het autobedrijf van haar man. Ondertussen werden er drie kinderen geboren, twee jongens en een meisje. Maar het huwelijk liep spaak.

‘Na mijn scheiding kon ik aan de slag als invaller in het kleuteronderwijs’, vertelt Anneke. ‘Op voorwaarde dat ik mijn dochter van drie mee kon nemen. Want kinderopvang was er toen nog niet. Tussen de middag deed mijn dochter een slaapje in een kampeerbedje in het kantoor. Op school zei ze “juf” tegen mij en thuis “mama”. Ze vergiste zich nooit.’

 

‘Ik moest snel Dèventers leren, anders hoorde ik er niet bij’

 

Zeemansvrouw

En ja, toen maakte Ben toch avances. ‘Alsnog trouwde ik met een zeeman’, lacht Anneke. ‘Het ritme, maanden alleen met de kinderen en daarna maanden helemaal samen, kende ik al van thuis. Het past mij ook wel, weer even mijn eigen dingen doen.’

Toen de kinderen allemaal het huis uit waren besloot Anneke om weer te gaan studeren, aan de Pabo, de opleiding tot tekendocent. Het was pittig, ze moest vier avonden per week naar school. Dit combineerde ze ook nog met het meevaren met Ben, soms zeven of acht weken lang. Maar het lukte.

Anneke koos er niet voor om leraar te worden op een middelbare school, maar om schilderles te gaan geven in het buurthuis in Schalkhaar. Van de groep cursisten waarmee ze begon zijn er nu, na 22 jaar, nog vijf over. Het zijn heel persoonlijke contacten geworden. ‘Schilderen verbindt’, zegt ze. ‘Het geeft verdieping en raakt aan andere aspecten dan de ratio.’ Het liefst zou ze zelf ook vaker schilderen en zich daarin verder ontwikkelen, ze zou zelfs wel weer les willen krijgen.

 

 

Met Ben loopt ze graag door de stad. ‘We komen er vaak bekenden tegen. Mijn favoriete plekken zijn de Brink, de Bergkerk en de Walstraat – behalve in het weekend, dan vind ik het daar te druk. In het avondzonnetje aan het water zitten op de Benedenwelle vind ik ook heerlijk. Onze stamkroeg is de Sjampetter, voor een glaasje na een wandeling langs de IJssel. We genieten daar van het gezellige geroezemoes om ons heen, het voelt als een warme deken. En dan blijven we lekker zitten voor een dagschotel.’

Toch vindt Anneke dat Deventer als gemeente ook nog wel wat kan verbeteren. Zo vindt ze dat de bewoners sneller betrokken zouden kunnen worden bij nieuwe plannen voor de stad. Zoals de inrichting van het Grote Kerkhof, de bomen bij de bibliotheek aan de Stromarkt: ze zou best een inspreker willen zijn.

 

Brieven

Alle brieven die Anneke en Ben elkaar tijdens zijn reizen hebben gestuurd zijn bewaard gebleven. Dat zijn er heel veel. Nu pakken ze regelmatig een willekeurige brief uit de verzameling en lezen die aan elkaar voor. Een moment om samen stil te staan bij hoe het allemaal is gekomen. Soms blijken dingen ook akelig actueel te zijn.

‘Ik zie mezelf als een blij mens’, zegt Anneke. ‘Ondanks teleurstellingen en verdriet toch een blij mens.’ Toch wil ze bij haar levensverhaal ook een kritische kanttekening plaatsen. ‘Eigenlijk pas je je altijd aan, als vrouw. In een andere situatie was ik misschien wel hoofd van een school geworden.’

 

Fotografie: Lieke Kooyman 

Al 46 jaar woont Ria Kuijper in de Perzikstraat. Terwijl gezinnen naar grotere huizen in Colmschate vertrokken, bleef zij waar ze was. ‘Het is een gezellig buurtje.’ 

De Perzikstraat is een smalle zijstraat van de Lange Zandstraat in Zandweerd-Zuid. Aan weerskanten staan de huizen dicht op elkaar, soms met een garage ertussen. De auto’s zijn allemaal aan een kant geparkeerd. Voortuintjes zijn niet meer dan één à twee stoeptegels breed,  de voordeuren verschillen allemaal van elkaar.

Midden in de Perzikstraat woont Ria. In een huis in een blok van vier, al 46 jaar. In 1976 kwam ze met haar toenmalige man vanuit Utrecht naar Deventer. Op zoek naar een huis, in Utrecht was niets te krijgen. ‘Net als nu’, zegt Ria. ‘We waren woningvluchtelingen. Het huis stond te koop voor dertigduizend gulden, al een jaar. We zeiden: “Als dit het huis is, is het verkocht.” We hoefden het niet eens van binnen te zien.’ 

De man van Ria werd actief bij de speeltuinverenging en bouwde daar het dierenverblijf voor de geiten, kippen en marmotten. ‘Ik bedoel natuurlijk cavia’s.’ Hij werd ook de beheerder ervan. ‘Hij praatte gemakkelijk met iedereen. Ik heb dat niet zo. Ik was thuis bij de kinderen, maar ik volgde het allemaal wel. Achteraf heb ik er soms spijt van dat ik toen niet beter bijgehouden heb hoe het er allemaal aan toeging in de wijk.’

Dat valt trouwens wel mee, dat gebrek aan bijhouden – Ria heeft de nodige documentatie. Ze komt met een grote ringmap vol foto’s en netjes ingeplakte krantenknipsels. Van de Stentor van toen met berichten dicht op de huid van de wijk. Bijvoorbeeld van die keer dat er een geit verdwenen was uit de dierenhoek. Meegenomen waarschijnlijk, maar door wie en waarom? Ze konden er alleen naar gissen. De geit was zwanger en Ria schreef in een stukje voor de Snippers van de krant, toen heette hij nog Deventer Dagblad, dat het vlees van een zwangere geit niet geschikt was voor consumptie. Het dier werd teruggevonden, de beheerder van de kinderboerderij bij de Watertoren belde dat ze bij hen over het hek was gezet. Ook dat kwam natuurlijk weer in de Deventer Snippers. Ria heeft er nog steeds plezier om. ‘Jammer dat de krant nu niet meer zo werkt.’

 

 

Brandweerplein

Toen ze in de Zandweerd kwam wonen waren er nog veel winkels en bedrijven: een sigarenboer, Jonkhout kapper annex winkel in huishoudelijke artikelen, een Spar-kruidenier, Peters Tapijtenfabriek, schilderbedrijf Rensink, dierenwinkel Kunst, Senzora wasmiddelen, lompenboer Versteeg, de brandweergarage en ga zo maar door. Ankersmit met zijn textiel was tien jaar daarvoor al gesloten – Ria’s buurman kon zich nog steeds kwaad maken over de snelle sluiting – op die plek zat nu de bibliotheekschool. De bibliotheekbus kwam wekelijks, woensdagmiddag trok een draaiorgel door de straten. ‘Het was toen veel meer een dorp. Ik ben geboren en opgegroeid in een dorp, misschien dat ik me daarom hier meteen thuis voelde. Dat geluid van die brandweerauto’s als ze uitrukten, de garage was hierachter, ik vond dat leuk.’ De garage is nu een plein geworden, het Brandweerplein. Met die naam won Ria een wedstrijd hierover.

‘Toen we hier kwamen zaten we op zomeravonden voor de deur op de stoep, we speelden badminton, we kenden elkaar allemaal. De kinderen speelden buiten, of in een pand dat afgebroken werd. Of ze haalden oude kranten op en kregen daar wat voor van de lompenboer. We waren veel meer thuis dan nu. We gingen bij elkaar op de koffie en pasten op elkaars kinderen. Velen van ons waren babyboomers en als we trouwden, stopten we meestal met werken buitenshuis, dat was in die tijd heel gewoon. Er werden regelmatig kinderen geboren, het was een kinderrijke buurt, steeds zag je wel weer iemand met een wieg sjouwen.’

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig zijn verschillende bewoners naar andere buurten vertrokken omdat ze meer ruimte wilden. Ria wilde dat niet: ‘Ik had naar Colmschate gekund, daar werd nieuw gebouwd, maar dat is ver van het station en ver van de IJssel. Niet dus. Als ik toevallig mensen spreek die om de een of andere reden weg moesten uit de wijk, verzuchten die altijd: het was een gezellig buurtje.’

 

Demonstreren bij de raad

Ria kent nog steeds de meeste mensen in de straat. ‘Er is veel verloop geweest, de laatste vijftien jaar wat minder. De buurt is redelijk geliefd. In het begin was 88 procent eigen woningbezit en woonden er met name gastarbeiders. Drukkerij Salland bouwde dit blok van vier bijvoorbeeld eind jaren vijftig voor haar werknemers. Later stootte ze deze woningen af en gingen ze in de verkoop. Door de recessie van begin jaren tachtig en de stijgende rente raakten veel huizen verwaarloosd. Ze moesten bijna allemaal vernieuwd worden. De gemeente wilde een ton uittrekken voor die vernieuwing, maar wij wisten niet of dat wel genoeg was. Met veel buurtbewoners hebben we toen gedemonstreerd bij de raadsvergadering. Met succes. De stadsvernieuwing kwam er met hulp van de Verbeterwinkel. We konden als eigenaren geld lenen van de gemeente en daar ons huis van opknappen. De lening moesten we wel terugbetalen, maar zonder rente. Dat heeft de wijk echt goed gedaan.’

Maar voordat de huizen aan bod kwamen, werden de straten opgeknapt en werden het allemaal woonerven. Renate Vincken, Deventer kunstenares, ontwierp daarvoor ronde, halfronde en langwerpige betonnen zit- en speelelementen en bloembakken en plaatste die  her en der in de straten. De elementen kregen kleuren en lijnen, elke straat zijn eigen kleuren. Op het wegdek kwam sierbestrating. Auto’s – die kwamen er steeds meer – konden parkeren in uitgespaarde vakken. Zandweerd-Zuid werd daarmee de eerste buurt waar de aankleding van de straten ontworpen was door een kunstenares. 

‘Maar toen in 2008 de riolering en waterleiding werden vernieuwd, gingen deze woonerven met hun aankleding op de schop. Jammer’, vindt Ria, ‘ook dat de auto’s nu zo’n prominente plek hebben. Ik heb zelf geen auto, maar daar niet van. De straten zijn niet breed. En als die auto’s ook nog overal in de straat staan: ik was het behoorlijk zat. Dertig jaar lang heb ik ze voor de deur gehad, ik kon bijna niet naar buiten of ik liep tegen een auto aan. Het is smal hier. Bij de herinrichting van de wijk zat ik in een klankbordgroep en hebben we toch bereikt dat de auto’s nu allemaal aan de overkant staan. Na ruim dertig jaar mocht dat wel eens.”

 

Hard hoofd

Met de gemêleerde samenstelling van de wijk heeft Ria geen moeite. Haar overbuurman, oorspronkelijk uit Turkije, hielp ze bijvoorbeeld jaarlijks met de aanvraag van de kinderbijslag. De gegevens die daarvoor nodig waren bewaarde ze voor het jaar daarop, die bleven toch hetzelfde. Maar in de loop van de tijd veranderde er wel wat anders. Toen ze in 1976 in de Zandweerd kwam wonen was er alleen een centrale antenne, met daarop Nederland 1 en 2 en Duitsland 1, 2 en 3. Iedereen keek en luisterde naar hetzelfde. Maar toen de kabel kwam met onder andere ook een Turkse zender, was die natuurlijk veel vertrouwder voor mensen uit Turkije. ‘Ik snap dat wel. Als je hier wildvreemd komt en je moet alles regelen en je begrijpt de taal niet, dat is zo zwaar.  Maar de integratie is veel moeizamer nu, met al die zenders. Ik heb er soms een hard hoofd in.’

En dat trekt ze zich toch aan. Ria voelt zich verantwoordelijk voor de wijk. Ze typeert zichzelf als ‘wel betrokken, maar geen doener’. Toch ben ik haar een keer tegengekomen met een grote plastic zak waarin ze alle losse plastic afval stopte die ze opraapte van de straat. Hoe noemt ze dat dan? Ze lacht. ‘O ja, dat weet ik nog. Tsja, ik heb maar een klein plaatsje hierachter, ik hoef al die grote bakken niet. Het zijn er nu al vier. Ik heb nog gewoon een plastic zak en na veertien dagen heb ik die maar halfvol. Als ik hem wegbreng raap ik onderweg op wat ik nog op straat zie liggen. Zodoende.”

Ze woont nog steeds graag op de plek en in de buurt waar ze nu al 46 jaar woont. ‘Het fijnste van de wijk vind ik dat mijn huis hier staat, ik ben snel in de stad en bij het station en ik woon vlakbij de IJssel, ik ben zo buiten, geen enkel stoplicht. Tot 2012 had ik een hond. Ik ging bij de IJssel naar beneden en kon dan wel een uur lopen zonder iemand tegen te komen. Soms, in de zomer, gauw even kleren uit en de plomp in. Dat kan niet meer, het is nu allemaal meer gecultiveerd en drukker. Maar dan nog. En ik ben ook blij met het wandelpad naast de spoorbrug. Ik kan nu zo aan de overkant van de IJssel gaan lopen. Echt waar, als ik terug kom van het een of ander en ik kom de IJssel over, dan kom ik thuis. Het is een warm bad.’ Ria én de Zandweerd? Ria ín de Zandweerd. In het hart!

 

Fotografie: Lieke Kooyman