De verhalen
De verhalen

De fabriek van Ankersmit, de omliggende wijk Zandweerd en de aangrenzende IJssel vormden het landschap waarin Adriaan Wielhouwer (1942) opgroeide. ‘In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan.’

‘Leren vond ik niks toen ik op de mulo zat, ik ging liever vissen, ik zat altijd aan de waterkant. Mijn vader zei: “of je gaat studeren of je moet werken.” Meer keuzes waren er niet. Nou dan maar werken, in de fabriek. Mijn vader was een hele goede verpleegkundige en hij kreeg een betrekking bij Brinkgreven. Tja, dan moest je mee he? Dat was zo in die tijd. Ik was toen zeventien.’

 

 

‘Een vriend van me was al eerder naar Deventer verhuisd. Hij nam me op sleeptouw toen ik verhuisd was. Mijn vader zei: “Je hoeft de eerste drie maanden geen kostgeld te betalen, maar dan moet je zorgen dat je binnen drie maanden een baan hebt.” Via-via ben ik er bij Ankersmit in gerold. Ik kwam terecht op de graveerderij en dat leek me wel wat. Het was een beetje technisch werk. Niet dat ik technisch geschoold was, ik had helemaal geen opleiding. Twee jaar mulo, dat was alles.’

Zelfgemaakt vuurwerk
‘Wij woonden aan de Veenweg, bij de blikfabriek. In onze straat stond een rijtje huizen, wij woonden vlakbij het tunneltje en bij de Snipperlingsdijk. In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan. Iets voorbij de woonarken staak ik daar met wat vrienden in de decembertijd ook zelfgemaakt vuurwerk af. We maakten een enorm gat, vulden dat met zand en plaatsten een zelf geknutselde bom erin, die stak je aan en ‘KNAL!!!’. Maar er kwam niemand ooit kijken ofzo. Soms denk je wel, dat kon toen zomaar.’
‘Ik had een houten bootje achter het huis liggen en had er een paar wielen onder gemaakt. Met dat bootje ging ik iets voorbij Klosters aan de Snipperlingsdijk het water op. Dan roeide ik wat verder tot op het Overijssels kanaal, om te vissen. Ik ving er ook goed, van alles wel, brasem, paling, snoekbaars. Tja, geweldig was dat.’

 

 

Zaagsel als bescherming
‘Bij Ankersmit ben ik aangenomen als leerling, dat stelsel had je toen nog. Langzaam kon je ervaring opbouwen en als er weer een nieuwe leerling kwam, kon ik een stap verder, aan de machine en zo verder. Maar je begon gewoon met de vloer aanvegen. In de begintijd als jongste bediende moest ik regelmatig zaagsel halen bij de aansluitende houtfabriek van Stoffel. Dan ging ik buitenom. Via bruggetjes over een zij-inham van de IJssel, die door Ankersmit gebruikt werd als koelwater, liep tot bij de houtfabriek en dan moest ik terug met de emmer zaagsel. Dat werd dan nat gemaakt en gestrooid onder de machines tegen het stof ter bescherming van machines en drukwalsen. Later in de week, op zaterdag, moest ik dat met een stoffer allemaal opvegen. Ik zag er dan uit als een beest.’

 

 

‘In de ochtend ging ik op de fiets naar de Zandweerd, daar had Ankersmit een enorm groot terrein. Direct als je de fabriekspoort door was, kwam je op een lange straat met aan de linkerkant de spinnerij. Ik werkte verderop in een gebouw met vier verdiepingen en een torentje. De bovenste verdieping was de handdrukkerij, op de derde, mijn plek, was de graveerderij en lager, wat deden ze daar toch? Spoelen of verven. Aan de rechterkant van de graveerderij zag je die bakken met blauwe verf staan. Soms moest ik op een andere afdeling weleens wat halen, en dan ging ik via deuren buitenom, door gangen en andere fabrieksgebouwen. Je was zo een kwartiertje kwijt, voordat je weer op de werkplek terug was. Het was een enorm terrein, maar zonder bomen.’

Diensttijd in Nieuw-Guinea
In die tijd, ik was achttien, negentien jaar, dacht ik niet zoveel na over carrière. Tenminste toen in die tijd nog niet. Werk was werk. Simpel werken, waarmee ik wat geld had om een autootje te kopen. Ik heb daar gewerkt van 1959 tot en met 1961. En van ‘62 tot en met ‘66. Die periode er tussenuit ben ik in dienst geweest, in Nieuw-Guinea, omdat ik dat spannend vond. In Nederland heb ik vooraf een opleiding gehad om het werk in Nieuw-Guinea correct uit te kunnen voeren. Omdat ik in de textiel werkte, werd ik in  Nieuw-Guinea ingedeeld bij de stoffen. In dit geval de wasserij, samen met een collega-militair uit de textiel. De inheemse mensen moesten daar het werk uitvoeren en onze taak was controleren of alles goed ging. Het was een tijd waarin ik wat van de wereld kon zien, ik herinner me nog de warmte en alle bijzondere dieren. Ik heb in mijn vrije tijd heel wat dieren opgezet. Na dienst kon ik direct weer aan de slag bij Ankersmit. Het werk bleef gewoon het werk, er was er niks veranderd. Alleen ik was zo veranderd. Wat volwassener en serieuzer.’

 

 

Sigaar
Ik kan me nog herinneren dat we elke middag een half uurtje pauze hadden en in de zomer zwom ik dan met een collega de IJssel over. We hadden precies tijd voor over en weer terug. We zwommen met een sigaar in ons mond. Het was de bedoeling om de sigaar droog te houden. Dat lukte ook.
Dat overzwemmen zou nu niet meer kunnen. De IJssel is wat breder geworden, wat uitgediept hier en daar en veel meer scheepvaart. Tja, in de tijd dat ik er werkte, kwam je af en toe eens een boot tegen, maar die zag je al van verre en dan daar paste je je zwemmen op aan. Maar als je ziet wat voor boten er nu langs komen. Onvergelijkbaar.’

Serieuzer door sluiting
‘Maar terug bij het werk, op 5 december 1965 moesten we allemaal bij elkaar komen in de kantine en kregen we te horen ”De fabriek gaat dicht.” Van de ene op de andere dag. Hoewel onze afdeling voor de Afrikaanse wasdruk tot in 1966 doorging. Misschien juist wel door die sluiting, ging ik wat serieuzer op zoek naar beter werk. Ik wilde niet steeds weer ontslagen worden en dacht aan drie opties waar altijd werk blijft; politie, belastingen en verpleging. Dat laatste beroep kende ik van mijn vader, die als B-verpleegkundige werk genoeg had.’

‘Ik ben begonnen, eind februari in Groot Graffel in Zutphen. Het eerste jaar ging heel voorspoedig en het tweede jaar ben ik naar Brinkgreven gegaan. Het liep als een trein, ook met de opleiding. Na één jaar was ik al eerste B-verpleegkundige. Ik wilde wat verder kijken en in MSPO (middelbaar sociaalpedagogisch onderwijs), kon ik als docent, leidinggevende en later zelfs adjunct-hoofd opleidingen werken. Zo heb ik zo’n 25 jaar in het verpleeg-onderwijs gezeten, erg naar mijn zin.’

‘Tegenwoordig woon ik in Dronten, een eigen huis met een fikse tuin, waar ik graag in werk. En aan de waterkant zit ik nog altijd vaak. Deventer was voor mij de stad met gewone mensen, waar niemand onder- of bovenuit stak, een fijne stad.’

Als laatste directeur van Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters weet Hendrik Jan Peters hoe een stedelijk landschap kan veranderen. Hij blikt terug op de industriële bedrijvigheid in Zandweerd, waar zijn overgrootvader destijds een fabriek had gevestigd. ‘Soms kleurde de IJssel rood van de kleurstof.’

‘In 1907 vestigde mijn overgrootvader H.J. Peters, Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters aan de Lange Zandstraat, in Zandweerd. Daarvoor was hij onderdirecteur bij de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek. Onze hele familie was betrokken bij de weverij. Toen er in de jaren vijftig en zestig een grote dip ontstond in de vraag naar textiel, ontstond er discussie binnen de familie. Hoe nu verder? Uiteindelijk is besloten het roer om te gooien, in samenwerking met een andere partner in tapijt- en grondstoffen. Bij die turnaround binnen het bedrijf, kreeg ik het verzoek vanuit mijn familie: “wil jij ook voor ons komen werken?” Dat was 1968, ik had net mijn studie aan de Hogere Textielschool afgerond. Toch kreeg ik mijn plek in het bedrijf niet cadeau. Al snel werd er namelijk door de familie gezegd: “Je kunt dan wel gestudeerd hebben, maar jij gaat eerst maar eens kijken hoe tapijt verkocht moet worden.” Dat heb ik gedaan. En ik zag ook al vrij snel nieuwe kansen. Er kwam gelukkig weer voldoende kapitaal binnen, waarmee we ons konden ontwikkelen.’

 

 

Opslag in leegstaande hallen van Ankersmit
‘We zijn destijds sterk gegroeid. We hadden daardoor extra ruimte nodig voor de opslag van garens. In de leegstaande hallen van de toen net gesloten textielfabriek Ankersmit konden we zo’n 40.000 vierkante meter ruimte huren. Op zich een heel interessante tijd, omdat wij productontwikkeling moesten doen. Je besefte wel steeds dat de fabriek te midden van de woonhuizen stond.’

 

Vrijwel direct na het schoonblazen van de schoorsteen kwamen de telefoontjes uit de buurt’

 

Vlampijpen schoonblazen
‘We hadden hier in Zandweerd een ketelhuis. Daar stonden stoomketels, want stoom was nodig voor de productie en de verwarming. We stookten op kolen en bij de ketels stond een grote schoorsteen. De geroete vlampijpen maakten we schoon door er met stoom doorheen te blazen. Dat deden wij altijd op maandag. En we konden er de klok gelijk opzetten: vrijwel direct na het schoonblazen, kwamen de telefoontjes uit de buurt: “Oh, mijn wasgoed hangt buiten…” Soms kwamen mensen zelfs naar kantoor. In totaal stonden er destijds drie fabrieken in Zandweerd en gaandeweg werd wel duidelijk dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest. Daar was en ben ik het serieus mee eens.’

 

 

De IJssel blauw, of rood.
Vroeger bestonden er nog andere productiemethoden. Zo werkten we met latex-oplossingen, beenderlijm of zetmeel. Dat brandt niet, maar het stinkt wel! We gebruiken ook kleurstof, om garens te verven. Die verfresten liepen na de productie via een zinkput met spoelwater het riool in. En in die dagen kwam dat uit in de IJssel. Soms zag je blauwe verf in het water. Waarschijnlijk kleurstof van Ankersmit? Of het water kleurde rood. Van het tapijt, van Peters? Zo vroeg Zandweerd zich af, wie er achter die kleuren in de IJssel zat. Grote Ankersmit of kleine Peters?’

 

 

Brand in onze magazijnen op het Ankersmit-terrein
‘In onze magazijnen op het Ankersmit-terrein zijn drie branden geweest. Een keer op oudejaarsdag, door vuurwerk. Die laatste brand was binnen een half uur geblust. De brandweerkazerne zat toen nog in de Lange Zandstraat. Ik ben daar jarenlang brandmeester geweest. Dat was een familietraditie. Mijn grootvader was dertig jaar lang directeur der Deventer Brandweer. En mijn vader was jarenlang ondercommandant, hier in Deventer. Toen ik na mijn studie in 1968 terugkwam in Deventer werd mij gevraagd of ik ook brandweerwerk wilde doen. Natuurlijk wilde ik dat. Uiteindelijk kon ik dat met de dagelijkse drukte tussen de verschillende productielocaties niet volhouden. Maar die branden destijds heb ik van dichtbij meegemaakt. Het stond in de kranten iedereen sprak erover. “Heeft papa een leuke barbecue gehouden?”, zo kwam dochterlief thuis, van de lagere school, waar iedereen het natuurlijk over de brand had gehad. Dus ik zei toen tegen mijn secretaresse: “Bel banketbakker Wiltink ,die zat destijds direct op de hoek van de Radstakeweg, en vraag of ze honderd taarten willen maken. Dan kunnen we in ieder geval alle bewoners als troost bij de brand een taart aan huis bezorgen. Nou, dat werd natuurlijk geweldig op prijs gesteld. De kleine dingen zijn dan toch belangrijk.’

Uiteindelijke consequentie
‘Natuurlijk waren we ook goed verzekerd. Die noodzaak kent iedere textielfabrikant, of grondstofleverancier, zoals de onderneming die bij ons ook aandeelhouder was. Díe organisatie was de juridische en commerciële eigenaar van de textiel-grondstoffen en inventaris. Niet H.J. Peters. Ons bedrijf managede de activiteiten en verwerking. Maar ík kreeg de verzekeraars op bezoek. En ook al werd voor iedereen alles netjes afgehandeld, met name die branden en de nasleep ervan toonden aan dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest.’

 

 

Weg uit de wijk
‘Stap voor stap werden de activiteiten aan de Lange Zandstraat beëindigd en uiteindelijk is alles gesloopt voor woningbouw. Ik wilde wel in Deventer blijven produceren. Daarom stond ik in 1987 bij de gemeente op de stoep en vertelde hen: “Ik heb een paar duizend vierkante meter grond nodig op het industrieterrein. Ik wil er een kantoor op bouwen en ik wil er een hal bouwen, want ik moet een stuk productie onderbrengen. In 1988 hebben we op Kloosterlanden een pand kunnen neerzetten, direct aan de A1. Weg met de bedrijven uit Zandweerd. En zo is het gegaan.”

 

Ter herinnering aan de tapijtfabriek rest nog de naam van het pad dat de wijk doorsnijdt: PETERSPAD.

Fotografie: Viorica Cernica

Bijna zestig jaar na de sluiting van textielbedrijf Ankersmit voelen oud-medewerkers Dinie en Theo de Kreek nog steeds de verslagenheid. Uiteindelijk houden ze aan hun ontslag uit de fabriek een huwelijk en huurwoning over. ‘Van ons laatste salaris hebben we onze flat ingericht.’

 

Deventer is in shock als Jan Ankersmit in december 1965 meedeelt dat Ankersmit per direct sluit. Het eerste massaontslag in Nederland is een feit. Een ramp voor Deventer en omstreken waarmee Deventer in negatieve zin voorloopt op de massaontslagen in de Twentse textielindustrie vanaf 1967. Meer dan duizend werknemers van Ankersmit verliezen hun baan, waaronder Dinie en Theo. Dinie begon in 1962 als 16-jarige bij Ankersmit op de Productieleiding en werkte uiteindelijk vier jaar op kantoor. Dit op aandringen van Theo die ze kenden van de drumband Actief (nu Muziekvereniging Actief) waarin ze beiden speelden en waarmee ze in 1961 verkering kreeg. Ook Theo was 16 toen hij in 1959 begon. Hij werkte in totaal zeven jaar bij Ankersmit en werkte ten tijde van de sluiting op het Bedrijfsbureau Veredeling A.

 

 

Geen protest

Dinie: ‘De mededeling kwam vlak voor Sinterklaas. We zeiden nog als grap “dat is een mooi Sinterklaascadeau”. Er was grote verslagenheid onder de medewerkers. De mensen hadden er geen weerwoord op.’ Van de een op andere dag komen er ruim duizend mensen zonder werk. Meer dan tien procent van de werkgelegenheid in Deventer. Het nieuws haalt het journaal en de VARA-nieuwsrubriek “Achter het Nieuws”, maar van enig protest was verder geen sprake. Geen bemoeienis van gemeente, provincie of de regering, ondanks het eerste massaontslag in Nederland. Theo: ‘Ook de bonden roerden zich niet.’ Wel vinden er onder het personeel enkele ludieke acties plaats, waaronder een in de fabriek gemaakt nep-graf als symbool voor de plotselinge sluiting.

 

13.5 miljoen gulden

In de laatste jaren voor de sluiting was er eigenlijk geen communicatie meer naar het personeel. Dinie: ‘Zo is de aandelenverkoop in 1964/1965 stilgehouden. In die periode werden alle aandelen door de familie Ankersmit voor 13,5 miljoen gulden verkocht aan Unilever.’ Theo vult aan: ‘Waarschijnlijk is dat een zet geweest van Jan Ankersmit, president-directeur van Ankersmit. Ik denk dat hij de bui zag hangen, dat het verkeerd zou gaan.’ Vanaf de jaren 60 was er wereldwijd crisis in de textielindustrie. De Afrikaanse markt, de belangrijkste afzetmarkt voor Ankersmits wasdrukproducten, stortte in. ‘Om die reden’, denkt Theo, kozen de eigenaren van  Ankersmit voor het grote geld.’ Dinie: ‘13,5 miljoen gulden was een godsvermogen in die tijd. (Volgens het CBS staat 13,5 miljoen gulden in 1965 gelijk aan 9.371.176.802 euro, zegge €9,3 miljard in 2022).

 


Werk te doen

Ondanks de plotse sluiting is het werk in het bedrijf nog een jaar doorgegaan. Dinie: ‘Lopende orders moesten worden afgemaakt. Al snel na de bekendmaking van de sluiting werd ik door de directie gevraagd of ik nog een periode wilde doorwerken. Dat wilde ik wel, want ik had het reuze naar mijn zin, het was helemaal mijn ding’, glundert Dinie nu nog. ‘Ik zat daar op de afdeling Productieleiding. Daar kwam alles binnen wat er geproduceerd werd. Staaltjes stof moesten gedocumenteerd en berekend worden. Na de sluiting ging op een gegeven moment die afdeling dicht en kwam ik op de Afdeling Verkoop Buitenland, de afdeling die zakendeed met Afrika. Later kwam ik nog te werken op de afdeling Boekhouding. Ik heb in een korte tijd veel verschillende dingen gedaan. Heel leuk. Eind 1966 was het klaar.’

 

Theo en Dinie bij het Ankersmit monument op de Zandweerd.

 

Extra loon

Theo: ‘Na het bericht van de sluiting gingen veel mensen solliciteren, vonden snel ander werk en namen ontslag. Er was toen geen grote werkloosheid. Hierdoor werd de directie overspoeld door vele ontslagaanvragen en moest snel ingrijpen, want er waren veel orders die nog uitgeleverd moesten worden. De directie heeft toen snel op verschillende plekken in de productie mensen een contract aangeboden voor een half jaar met driemaand extra loon en de optie om tot eind 1966 in dienst te blijven. Ik mocht ook blijven, op de productieplanning, die een centrale rol had in de afhandeling van de lopende orders. Er was toen zeker nog voor vier tot vijf maanden werk. Ik kreeg een contract tot juli 1966 met de mogelijkheid tot december in dienst te blijven. De overgebleven medewerkers vonden snel ander werk in de textielindustrie in Twente, maar ook in Deventer bij bijvoorbeeld Thomassen & Drijver (nu Trivium).’

 

Trouwen

Dinie: ‘Er was in die tijd geen grote werkeloosheid, wel grote woningnood, vergelijkbaar met nu. De gemiddelde wachttijd bij het Gemeentelijk Woningbureau bedroeg al gauw zo’n zeven jaar.’ Theo: ‘Met de sluiting van Ankersmit vertrokken er veel mensen en kwamen er huurhuizen – in eigendom van Ankersmit – vrij. Ik wist dat en was zo slim om bij de contractverlenging aan de maatschappelijk medewerker van Ankersmit een huurhuis te bedingen.’ In die tijd was het gebruikelijk dat werkgevers huizen in eigendom hadden voor het personeel. Om daarvoor in aanmerking te komen moest je wel getrouwd zijn. ‘We waren toen jong, eigenlijk te jong. Ik was 23 en Dinie was net 20. We hebben die beslissing genomen, zijn getrouwd in mei 1966 en kregen een flat op de Rivierenwijk, aan de Haringvlietstraat. Daarnaast kregen we met het contract beiden nog eens drie maand extra uitbetaald. Dat kwam ons goed uit, want met dat geld konden we ons flatje inrichten.’

 

Het voorwerp dat Theo vasthoudt een schietspoel is, dat ze vroeger gebruikten voor het weven van stoffen.

 

Na Ankersmit

Dinie en Theo hebben na Ankersmit nog een bloeiende carrière bewandeld. Dinie werkt achtereenvolgens bij Stegeman, bij het medisch consultatiebureau voor alcoholisme (MCB) in Deventer, bij uitzendbureau Raad en Daad in de Nieuwstraat, bij Calpam op het industrieterrein, bij architect Rijtsma in Twello, bij uitzendbureau Dactylo en tot slot bij Twijnstra & Gudde waar ze meer dan 25 jaar tot haar pensioen heeft gewerkt. Nu doet ze nog vrijwilligerswerk en is ze betrokken bij deSalon fotografen collectief in Wilp. Theo kreeg al voordat het werk stopte bij Ankersmit een baan aangeboden bij Thomassen & Drijver. Na een reorganisatie koos hij ervoor om hierna bij Auping aan de Laan van Borgele te gaan werken. Daar heeft Theo gewerkt tot zijn pensioen, waarna hij als vrijwilliger is toegetreden tot de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED). Daar is hij tot nu toe verantwoordelijk voor alles op het gebied van fotografie. Zowel Theo als Dinie zijn altijd verbonden gebleven met Deventer, geheel in de lijn van Theo’s vader en oom die in de jaren ’30 in het kampioenselftal speelden van Go Ahead dat destijds twee keer landskampioen werd.

 

 

Meer weten?

Lees hier over de geschiedenis van Ankersmit.
Boek: Ankersmit. Honderd jaar katoen in Deventer. Een fabrieksgeschiedenis vol herinneringen van oud-werknemers; door Heleen Janszen en Sam de Visser.
Documentaire: Opgedoekt, documentaire over Ankersmit Deventer; Producent: RTV Oost; Camera en Edit: Tom Meerbeek. 2015. De documentaire is nog steeds te zien op YouTube.

 

Fotografie: Viorica Cernica

Na twaalf jaar werkzaam te zijn geweest als secretaris van de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED) nam Piet de Noord onlangs afscheid. Een mooie reden om terug te blikken op zijn loopbaan en de stad, waar hij inmiddels bijna dertig jaar woont. ‘Ik vind Deventer ontzettend veranderd, ten goede.’

 

Stad leren kennen

‘In 1984 ben ik in Deventer gaan werken als directeur van het ROC. Vanwege mijn baan en alle bijhorende connecties wilde ik er ook wonen. Om de stad te leren kennen en te weten wat er speelt. Ook scheelt het dat je niet hoeft te pendelen en ik vond het een mooi vooruitzicht om gebruik te kunnen maken van de voorzieningen van de stad waarin ik werkte en die ik vanaf het begin mooi vond. Dus in Deventer naar de schouwburg gaan en mijn boeken kopen. Ik had verder geen binding met Enschede, waar ik eerder werkte. Een jaar na mijn start bij het ROC ben ik met het gezin naar Deventer verhuisd. Destijds was het vooral een stad met lager opgeleiden.’

 

 

Industriële geschiedenis

‘Tijdens mijn werkzame periode heb ik ook altijd interesse gehad in industrieel erfgoed, dit is ontstaan tijdens mijn studie sociologie. Met name de industriële ontwikkeling en de industriële geschiedenis van Engeland vond ik boeiend. We spreken dan over 1968. Ik ben van oorsprong arbeidssocioloog en bij die specialisatie besteed je veel aandacht aan de maatschappelijke gevolgen van de industrialisatie en aan de organisatie van de industriële arbeid. Tijdens vakanties in Engeland heb ik veel plekken bezocht die daar een rol bij hebben gespeeld.’


Toetreding tot de SIED

‘Vanuit mijn interesse in industrieel erfgoed is de SIED op mijn pad gekomen. Ik zat destijds in de gemeenteraad en toen ik daarmee stopte, vroeg de voormalig voorzitter of ik me bij de SIED wilde aansluiten. Ik had het nog veel te druk en zei hem: ‘Als ik op pensioen ben, wil ik er wel weer over nadenken.’ Dat was niet tegen dovemans oren gezegd, want ik had de deur van het ROC nog niet achter me dichtgetrokken, of daar kwam de SIED-voorzitter langs, die me herinnerde aan deze toezegging. Dat is 12 jaar geleden, in januari 2011. Er bleek destijds een secretaris en een penningmeester nodig. Nu kan ik kan goed met geld omgaan, maar ik vind dat niet per se leuk. Wel om politiek bezig te zijn. Zo ben ik ook altijd als vrijwilliger actief geweest op sociaal en politiek gebied. Als secretaris zit je als een spin in het web en ik vind het leuk om te schrijven. Zo koos ik voor de functie van secretaris.’

 

 

Bloeiend Deventer

‘Ik vind Deventer ontzettend veranderd, ten goede. De stad heeft door toerisme, onderwijs en de bloei van Saxion een mooie ontwikkeling doorgemaakt. Het heeft zich tijdig  geëmancipeerd vanuit een wat armoedige arbeidersstad waar ook een forse dienstensector bij is gekomen, tot een bloeiender stad. Het gaat economisch beter met Deventer. Er is meer vertier en dergelijke. Er wordt ook gebouwd. Het is gewoon een plezierige stad om in te wonen. Zonder dat het z’n roots kwijtgeraakt is. Daarbij hoort dat het een arbeidersstad is, Moskou aan de IJssel heet het tenslotte nog altijd. Die wortels zijn er nog steeds. Het is niet in verval geraakt en dat vind ik een prachtige ontwikkeling.’


Erkenning voor de SIED

‘Ook de SIED is fors veranderd. Het is een partij geworden waar, op basis van deskundigheid en uiteraard betrokkenheid, op gemeentelijk niveau naar geluisterd wordt. Zo vond een aantal ondernemers dat ze iets moesten zeggen over het Burgerweeshuis, omdat men daarover in discussie is. Maar, zo werd gezegd, dan moet de SIED daar ook over meedenken, omdat het Burgerweeshuis bij de inventarisatie door de SIED is aangemerkt als waardevol. Die erkenning van de stichting is niet ineens gebeurd, maar in de loop van de 12 jaar zie je wel dat er een ontwikkeling plaats gevonden heeft. Bij de ontwikkelingen van de bouwplannen rond het Senzora-complex was er ook een overwinninkje, toen de wethouder riep dat de adviesorganen, zoals de SIED, geraadpleegd moeten worden. En de SIED ís helemaal geen adviesorgaan. Het geeft maar even aan wat voor status je in dezen hebt gekregen.’

 

Roots behouden

‘Waar ik ook erg blij om ben, is dat ook de SIED, net als Deventer als stad, de roots niet zijn kwijtgeraakt. Dat je het werk met de machines, hoe het toeging in de fabriek allemaal in de SIED terugvindt bij de werkgroep Collectie, die zichzelf tegenwoordig “handen uit de mouwen” noemt. Die werkgroep is nu bijvoorbeeld klaar met het maken en herplaatsen van luiken op het stationsgebouw, zoals dit van oorsprong 100 jaar geleden ook was. De SIED is dus niet alleen bezig met de ruimtelijke ordening, maar ook met: wát is nou industrie en wát is techniek, hoe werk een machine. Kijk maar naar die pomp die we als monumentaal industrieobject hebben kunnen plaatsen bij voor het gemaal Ankersmit. De aantrekkingskracht en waarde van machines en industriële processen is blijvend, en daarmee de SIED.”

 


Overdracht secretariaat SIED

‘Net zoals voordat ik secretaris van de SIED was, zijn de politiek en sociale werkzaamheden in en nabij Deventer nog altijd zaken waar ik mee bezig blijf. Ze ben ik lid van de werkgroep waterschaps-financiën bij Water Natuurlijk, voorzitter van cliëntenraad Carinova, lid raad van toezicht van Bewonersinitiatief De Hagedoorn in Almelo en voorzitter overleg van Deventer Buurthuizen. Bij de SIED ga ik gewoon verder in de werkroep communicatie, nadat ik ik in mei het stokje aan mijn opvolger definitief overdraag.’

Fotografie: Viorica Cernica

In Boskamp (bij Olst) stond de wieg van Frans van Oldeniel. Een roomse omgeving: dorp, school, een bejaardentehuis met nonnen. Zijn vader was aannemer. Hij maakte alles wat er in de boerderij nodig was, van gebinten tot karren. Het waren de vijftiger jaren, er was nog geen gas en geen waterleiding. Het water kwam nog uit de pomp en koken werd gedaan op oliestel of butagas.

Hoe jong Frans ook was, hij hielp zijn vader mee. ‘Meehelpen was vanzelfsprekend’, zegt Frans. ‘Niks mis mee. Ik kwam uit een gezin van elf kinderen; de op vier na jongste in het gezin. Een groot gezin, heerlijk! Met kerst zaten we in een grote kring rond de kachel. We zongen samen, mijn broer speelde orgel. Gezelligheid kun je niet kopen. Er was geen televisie.’ Terwijl hij dit vertelt, glimmen zijn ogen.

‘Mijn grootvader was molenaar, ook vakwerk’, gaat hij verder. ‘Hij maakte bijvoorbeeld de wielen voor de karren. In de schuur was daarnaast ruimte voor dieren, onder andere varkens en kippen en ook drie koeien, voor melk. We hadden in die tijd een bokkenkar met van die spaken, zelf gemaakt met een geit ervoor. Je had konijnen, duiven – je had alles.’

 

Rotkoeien
Frans’ vader is ingetrouwd. ‘’s Morgens moest hij gaan melken’, vertelt hij. ‘Twee keer had hij het gedaan en toen zei hij: “Die rotkoeien, ik ga niet meer.” Vader was geen boer. “Wil jij het doen”, vroeg hij. Voor tien cent per keer ben ik het gaan doen. Ja, ik kom uit een familie van handige jongens. Aanpakken is ons levensmotto. Anders hadden we dit bedrijf niet op kunnen bouwen. Het jonge volk zou meer in beweging moeten komen. En wij zouden meer met ze moeten praten.’

 Hoe kwam je van de aannemerij in de installatietechniek?
Frans: ‘We kregen waterleiding in huis. Mijn vader zei: jongen, dat kun jij ook wel doen. Zo ging ik naar de LTS, afdeling elektro. Daarna ging ik bij verschillende bedrijven aan het werk en deed ik ook nog de avondschool, afdeling loodgieterswerk.’

Dat was zeker een hele ontwikkeling: water in huis?
‘Ik ben blij dat ik het heb mee mogen maken. Je leert lopen, je leert fietsen en je ontwikkelt je, stapje voor stapje omhoog.’

Zijn vrouw Wil: ‘In ons leven hebben we heel wat veranderingen doorgemaakt.’

Het bedrijf van Frans was nog niet zo groot. ‘Door je sociale contacten en door je werk goed te doen, mocht je terugkomen’, vertelt hij. ‘Ik kwam een keer bij Piet van der Lande, een industrieel, werk afleveren. Ik had mijn soepjurk (de overall) nog aan. We spraken Nederlands. Na een tijdje zei hij: “Kun je geen Dempters, mien jong?” Dat die man dat zo zei, dat had ik niet verwacht! Ik zei: “Dit voelt wel beter.””

 

 

Van huis uit sprak het gezin Sallands. ‘In Deventer had je Deventer binnen de grachten (het geld) en Deventer van buiten de grachten (dat was van de arbeidersklasse)’, zegt Frans. ‘Ik kon beide wel verstaan, ik kende veel mensen en maakte met iedereen een praatje. Ik had contact met energiebedrijven, was betrokken bij de oprichting van AGAS, zat in bestuur van installateursvereniging. Helaas is dat allemaal niet meer.’

Zou het kunnen zijn dat je dit sociale al van huis uit hebt meegekregen? ‘Tuurlijk! Als je vroeger met Kerst om vier uur ‘s morgens naar de nachtmis ging, dan was dat bijzonder. De klokken luidden, je liep de kerk in en het was feest. Door het jaar heen was het eten minder, maar op die dagen kreeg je speciale gerechten, zoals balkenbrij en kaantjes. Geweldig, wat was je er gelukkig mee. Nagelhout, ken je dat?

Wel van gehoord, nooit geproefd.
‘Dat zou je toch eens moeten kopen.’

Ik ben vegetariër.
‘Ja, maar een klein stukje mag wel!’

 We lachen voluit met elkaar, zo leer ik Frans kennen. De roomse lijn en even ervan afwijken: dat herkennen we beiden. Terug naar de sociale contacten: mijn beeld is dat wat er ook gebeurt in het Bergkwartier, jullie zijn erbij en kennen iedereen. ‘Ja, ik ken de hele buurt van A tot Z. Ik begon met mijn vader langs boeren te gaan die hij allemaal kende om daar elektrisch aan te leggen. Mijn vader als deuropener. Van de Boskamp ben ik naar de stad gegaan omdat ik algauw doorhad dat bij de boeren niet veel te verdienen viel. Toen kwam ik in deze buurt, in de Smedenstraat en Bierstraat, ik heb hier voor verschillende bedrijven gewerkt. Maar “eigen baas” zijn is me met de paplepel ingegoten.’

‘In 1961, op een carnavalsavond bij de Lindeboom in Schalkhaar sprak ik iemand aan de bar die bij Assendorp werkte’, vertelt Frans. ‘Hij zei me dat die zaak te koop kwam. Meteen de volgende middag heb ik een rondje stad gedaan om te kijken waar de Menstraat was. ’s Avonds stapte ik bij Assendorp binnen, een leuk ouderwets winkeltje met een pannen en potten, petroleum, laarzen, katoen. Wat er allemaal wel niet in die winkel stond!’

‘De man kwam op me af. “Ik heb gehoord dat je er wel mee ophouden wilt”, zei ik. “Wel een keer”, zei Assendorp. Ik zei dat ik wel interesse had. “Hou oud ben je?” vroeg Assendorp in plat Deventers. Ik zei dat ik 23 was. “Dat is veels te jong”, zei hij. Gelukkig stond zijn vrouw in de gang mee te luisteren. Zij kwam binnen en vroeg of ik een kopje koffie wilde. Om een lang verhaal kort te maken: we hebben van half zes tot negen uur zitten praten.’

‘Assendorp vond het blijkbaar moeilijk om het over te dragen. Ik had een voorstel: als ik nou eens hier komen helpen ’s avonds na mijn werk, je hoeft me niks te betalen. Als er iets verdiend wordt, deel ik mee. De man klaarde helemaal op. Zo zijn we gestart.’

 

Strijkijzers
‘Assendorp had connecties met Ten Have, de koffiefabriek. De directeur liet me komen om in zijn fabriek machines te onderhouden of weer aan de gang te helpen. Later bleek dat hij zelf de storing veroorzaakte om zo te kunnen checken wat ik kon. Na een half jaar riep hij me bij zich. Hij vertelde dat hij me gecontroleerd had en had gezien wat ik kon en wat ik niet kon. “Ben ik goed bevonden?” vroeg ik. Dat was ik, ik kreeg de opdracht om in de hele fabriek een nieuwe installatie te maken. Een karwei van een jaar werk voor vier mensen. Zo ben ik gestart, en ieder keer heb ik iets verder uitgebreid.’

In 1964 kwam Wil, zijn vrouw, in de zaak werken. ‘Het was de tijd van de overgang naar het aardgas en de overgang van 127 volt naar 220 volt. Er was veel werk te doen. Wil deed de  apparaten, zoals strijkijzers. Die zette ze over naar 220 volt. Het was ook de tijd dat het Bergkwartier bouwvallig was. In de oorlog was er veel weggebombardeerd. Er zaten nog wel enkele bedrijven, zoals de Bunschoten wijnhandel, Hengelo bier, uitgeverij AnkhHermes, een slagerij, een kruidenierswinkel, een boekbinder. In de Kerksteeg waren vooral pakhuizen.

‘Wij breidden uit van het ene pand naar het andere’, vertelt Frans. ‘Het uitgangspunt was niet zozeer het vergaren van bezit, we hadden de ruimte nodig. De gereformeerde kerk in Achter de muren Santpoort kwam vrij, eerst is het nog een moskee geweest. Als wij het niet kochten, waren er ontwikkelaars die andere plannen hadden voor die ruimte. Met onze plannen daarvoor ben ik naar de commissie van de gemeente geweest en heb ik persoonlijk met de heer Goudappel, de voorzitter, gesproken. Ik kreeg de vrijheid om het te verbouwen zoals wij het wilden. Onlangs hebben we het pand geheel gerestaureerd.  Wij houden van Deventer, vandaar.

 

Met de tijd mee

Dit was ook de tijd van de opbouw van het Bergkwartier. ‘De heren Witteveen, Eggink en Strik hebben veel gedaan voor de stad’, zegt Frans. ‘Ze werden gesteund door burgemeester Bolkestein, die ervaring had met restaureren en het herstel van een historisch centrum in een andere gemeente. Langzaamaan is de buurt daardoor wel veranderd: pakhuizen verdwenen, de koffiefabriek in het pakhuis aan het begin van de Menstraat ging weg, evenals de vishandel.  Het is meer een woonbuurt geworden.’

Volgens Frans is het contact met de buren nu anders. ‘Naoberschap was hier al. Nu moest er een buurtvereniging komen. Belangen van bedrijven zijn echter anders dan die van particulieren, onder andere ten aanzien van verkeer. Particulieren willen de auto’s graag weg hebben, ik sta daar wat anders in.’

 

‘In het Bergkwartier kun je met mummies praten’

 

Wel vindt hij het nog steeds gezellig. ‘Je kunt bij iedereen binnenlopen. Het is een samengaan van mensen, zoals bij het Dickens-festival. De liefde voor Deventer moet blijven. Het is een oude buurt: je kunt met de mummies praten.’ In de zaak staan intussen zoon en dochter aan het roer. Frans kijkt met dankbaarheid terug. ‘Wil en ik hebben het samen opgebouwd. Nu zijn we gestopt – je moet met de tijd meegaan en dat konden wij niet meer. Onlangs bij de restauratie stond Wil nog wel even op de steigers om de werkzaamheden van boven te aanschouwen.’

Fijn van een familiebedrijf is dat zelfs de kleinkinderen in tijd van nood bijna automatisch een aantal taken overnemen. Zoals nu: de kleinzoon komt binnen voor de lunch bij zijn grootouders, om daarna weer in het bedrijf aan de slag te gaan.

De tapijten die in Deventer werden gemaakt, waren wereldberoemd. Hoe ontstond het idee de oosterse weefkunst hier verder te ontwikkelen? Een zoektocht naar de geschiedenis van een verlaten fabriek.

Het is een druilerige dag, begin januari 2022. Rond een uur of twee zeg ik tegen mezelf: ‘Mooier dan dit wordt het vandaag toch niet. Vandaag alleen een ommetje.’ Gedachteloos trek ik vanuit mijn huis Voorstad in. Straat uit, linksaf, weer rechts en zo dwaal ik door de wijk. Zonder doel. Weinig bewust van de omgeving. Het gefluit van de vogel maakt mij ‘wakker’ en ik zie dat ik inmiddels in de Smyrnastraat ben beland.

Ik passeer een leegstaand fabrieksgebouw. Ik mompel: nog steeds niet in gebruik. Wonderlijk, zo’n mooi en doorleefd gebouw zit nog steeds te wachten op nieuwe bewoners of activiteiten. Tapijtfabriek – Smyrna – schiet door mijn hoofd. Ik herinner mij dat we er thuis weleens over spraken. Het sprak tot mijn verbeelding. Mijn moeder borduurde Smyrnakussens. Met een speciale soort haaknaald haalde ze dubbelgevouwen draadjes van een bepaalde lengte door een stramien. De draadjes werden op of in het stramien geknoopt, zo ontstond er een zachtpolig kussen.

Als kind vroeg ik mij af of de arbeiders in de fabriek op dezelfde wijze te werk gingen. Ik was overigens altijd een beetje trots wanneer men sprak over de Deventer handgemaakte tapijten. ‘Wereldberoemd’, zeiden ze dan. Zelfs het Paleis op de Dam had tapijten uit Deventer.

 

 

Bestrijding van armoede
Verdiept in mijn herinneringen loop ik naar huis. De tapijtfabriek blijft mij bezighouden. Wanneer is de fabriek eigenlijk gesloten? Thuis typ ik bij Google ‘Smyrna tapijtfabriek’ in en kom ik terecht op de site van de digitale bibliotheek Overijssel. De volgende zin treft mij: ‘Aan de basis van de Koninklijke Tapijtfabriek Deventer staat de bestrijding van armoede.’ Geboeid lees en zoek ik verder.

In 1777 schrijven de schepenen en raad van Deventer een prijsvraag uit om de armoede in het gebied rond Deventer te bestrijden. De Zwitser Gautier Zindel komt met het voorstel een fabriek te bouwen. Van zijn plan komt niet veel terecht, maar het idee wordt overgenomen door Peter en Willem Boers. Zij krijgen een vergunning en octrooi om een katoen- en dweilenfabriek op te richten. Een voorwaarde is dat men werkverschaffing biedt aan hulpbehoevenden. Later wordt de fabriek overgenomen door de familie Birnie en wordt het een zeil- en tapijtmakerij.

Ik lees verder. Binnen de fabriek is altijd aandacht geweest voor arbeidsomstandigheden, gezondheid en welzijn van de arbeiders. In de loop van de negentiende eeuw richt men een fonds voor geneeskundige behandeling op en geeft men leningen voor begrafenissen. Er wordt een armenschool opgezet, later een bedrijfsschool. Men neemt geen vrouwen aan die veel kinderen hebben, een vrouw hoort thuis te zijn. Sterke drank verklaarde men uit den boze. Nu zouden we dat bemoeienis in de persoonlijke levenssfeer vinden, maar in die tijd waren dit mijns inziens goede initiatieven.

Een ander prachtig voorbeeld van het afstemmen van de arbeidsomstandigheden: in 1848 besluit de directie het loon voortaan op donderdag uit te betalen, en de werkdag op vrijdag pas om tien uur ‘s ochtends te starten. Zo kunnen de arbeiders hun inkopen op de – nu nog steeds bekende – vrijdagmarkt doen.

 

Haaientanden
In 1902 verhuist de Koninklijke Tapijtfabriek naar wat toen de rand van Deventer was. Dit zijn dus de panden die ik op deze druilerige dag tegenkwam in de Smyrnastraat: de panden met hun mooie kenmerkende ‘sheddaken’. Vanaf de zijkant zijn het net haaientanden. Het zijn typerende daken voor deze industrie, ze zorgen voor lichtinval van boven.

Terug naar de Smyrnastraat. Wat is nu de reden dat een tapijtfabriek Smyrnakleden, van oorsprong oosterse tapijten, gaat maken? In het boek Geknoopt en geweven van Sam de Visser en Nina Herweijer (2014) lees ik het volgende verhaal.

Mevrouw Schimmelpenninck klopt in 1813 aan bij de tapijtfabriek in Deventer, toen op de hoek Nieuwstraat/Smedenstraat. Van haar familie in Deventer heeft ze over deze fabriek gehoord. Ze heeft een oosters tapijt dat is beschadigd, het heeft brandplekjes en -gaten. Misschien is het wel een tapijt uit de herenkamer, de kamer waar sigaren gerookt en cognac gedronken werd. Geen wonder dat een sigaar weleens van de rand van de asbak rolde.

 

Product van stand
Het tapijt is een kostbaar bezit van de familie en mevrouw Schimmelpenninck vraagt of men dit in Deventer kan herstellen. Eigenlijk heeft de directie geen idee, maar dat laat ze niet merken en accepteert de klus. Met veel interesse onderzoeken een aantal medewerkers, waaronder de zoon van de directeur, hoe het kleed gemaakt is. Het lukt hun het tapijt te herstellen.

 

‘De directie had geen idee, maar accepteerde de klus’

 

De zoon die erbij betrokken was, David Gerhard Birnie, ziet wel wat in deze techniek en ontwikkelt een nieuw weefgetouw waarmee de Smyrnaknoop gemaakt kan worden. Zo gebeurt het dat een Smyrnatapijt niet alleen meer uit het Oosten komt, maar ook uit Deventer. Een product van stand, degelijk, het gaat een leven lang mee – mits de heren wakker blijven en de sigaren aandachtig op de rand van de asbak leggen.

Inmiddels ben ik het druilerige van de dag helemaal vergeten. Het is schemerig geworden. Ik steek de lamp aan en besluit een stukje te schrijven over hoe de Smyrnastraat aan zijn naam kwam. En wanneer het gaat om sluiting van de fabriek: dat was in 1978.