De verhalen
De verhalen

Een van de weinig overgebleven boerderijen in de Deventer uiterwaarden is de Johannahoeve. Ingeklemd tussen de Bolwerkersweg en de Wilpsedijk ten zuidwesten van Deventer is dit de omgeving van Arnold Klunder. Op de hoeve waar hij opgroeide, runt hij nu met zijn zoons melkveehouderij B®oertjes Klunder. ‘Zo weids als het nu voor onze boerderij is, was het vroeger niet.’

Het boerenbedrijf was en is nog steeds een nadrukkelijk onderdeel van het Deventer landschap. Was dat eerst in de stad, later verschoof dat naar het buitengebied. De Deventer uiterwaarden zagen er na de Tweede Wereldoorlog heel anders uit dan nu. Dat was toen veel meer agrarisch met akkers, weilanden en vele keuterboertjes. De IJssel was smaller en kronkelde meer door het landschap.

 

 

Na de oorlog
Zo weet ook Arnold Klunder. Zijn roots en die van boerderij de Johannahoeve liggen in de Schoolstraat in de stad Deventer. Daar had zijn opa tot 1945 een stadsboerderij, die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door bombardementen werd vernield. Het duurde tot 1948 tot opa zijn intrek kon nemen in een met Marshallhulp gebouwde Wederopbouwboerderij. Dat was de Johannahoeve (vernoemd naar zijn oma) in de uiterwaarden ten zuidwesten van Deventer ingesloten tussen de Bolwerkersweg en de Wilpsedijk. ‘Toen mijn vader hier in 1948 begon, had je achter deze meidoornstruiken tot aan waar nu de Wilpsedijk ligt, zo’n tien keuterboeren, die op de weilanden van 0,5 tot 1,5 hectare tien tot vijftien koeien lieten grazen. Meestal hadden ze ook nog wat akkerbouw. Die keuterboeren hadden geen boerderij, maar woonden op de Steenenkamer of in de stad. Mijn opa en mijn vader begonnen in 1948 met 20 hectare en 24 melkkoeien, waarmee ze veruit de grootste waren,’ vertelt Arnold.

 

‘Volgens onderzoek zijn onze meidoorns meer dan 250 jaar oud’

 

Jaren vijftig/zestig
We gaan met Arnold terug naar zijn kindertijd. En dan hebben we het over eind jaren vijftig begin jaren zestig. Speelgoed of TV was er niet. ‘We speelden in het landschap. Nu bestaat het landschap voor en achter onze hoeve uit weiden, akkerland en hagen. Zo weids als het nu voor onze boerderij is, was het 76 jaar geleden niet. Voor onze boerderij lag een grote boomgaard, die er al was toen de Johannahoeve nog gebouwd moest worden. Tijdens het bombardement aan het eind van de oorlog is deze boomgaard op 1 appelboom na, verwoest. En die ene appelboom staat er nog steeds en is meer dan 100 jaar oud en beeldbepalend voor de Johannahoeve. De IJssel was toen wel een stuk minder breed en de Wilpsedijk was geloof ik zestig jaar geleden een meter lager. Verder is er niet veel veranderd aan het landschap rondom de hoeve. Ik zal je vertellen, de glooiing van de oude IJssel (toen die nog een andere loop had) zie je nog terug in de weilanden. Ik weet niet anders dat dat weidelandschap werd doorbroken door kilometerslange meidoornhagen. Volgens onderzoek zijn onze meidoorns meer dan 250 jaar oud. Die meidoorn loopt helemaal door naar de Schoenmakershoeve en aan de andere kant van onze boerderij liep die door naar het puinweggetje naar de Bolwerkersweg.’

 

 

Dubbelstad
Het Deventer Landschap had er heel anders kunnen uitzien als de plannen voor Deventer Dubbelstad waren doorgegaan. In 1959 publiceerde de gemeente Deventer het plan Deventer Dubbelstad. Daarin zou Deventer door middel van een sprong over de IJssel uitgroeien tot een stad van 250.000 inwoners. ‘Daar kregen wij ook mee te maken’, vertelt Arnold. ‘Want beging jaren zestig werden de pachters van wie het contract afliep de pacht opgezegd. Die gronden kwamen toen allemaal braak te liggen in afwachting van het verloop van de Dubbelstad. Daarin werden ook de Steenenkamer en de Worp betrokken. Deventer zou hierdoor uitgroeien naar zo’n 250.000 inwoners. Hoe anders zou het hier dan hebben uitgezien’, zegt Arnold. ‘Wij zouden moeten verkassen En daar waren toen vergevorderde plannen voor. Mijn vader kreeg het aanbod naar Groesbeek te verhuizen. Maar dat was geen optie’, vond mijn vader. De Dubbelstad werd in 1968 afgeblazen. Even is er toen gespeeld met het idee om de gemeente Diepenveen in te lijven. Dat lukte niet, maar wat wel lukte was om Colmschate te annexeren. In 2000 werd alsnog de gemeente Diepenveen toegevoegd aan Deventer. En in 2005 kwam de gemeente Bathmen er ook bij.

 

 

Aanleg E8
‘Een ingrijpende verandering aan de Deventer uiterwaarden was de aanleg van de E8/A1 vanaf 1968. Mijn buurman Venink van de Schoenmakershoeve zei in dat jaar: “dit is de laatste keer dat ik hier het grasland aan het maaien ben. Er komt hier een weg en een brug over de IJssel. Dit om de Rijksstraatweg en de Wilhelminabrug te ontlasten”. Ik kon me daar toen als puber van 17 jaar niets bij voorstellen.’ Arnold laat een oude foto zien waarop je de werkzaamheden aan de brug over de IJssel op een grote afstand kunt zien. Deze brug was onderdeel van de nieuwe snelweg E8/A1 waarvan in de jaren 70 het deel tussen Deventer en Hengelo werd gerealiseerd.   

Pothoofd
Nog een grote verandering vond plaats aan het Deventer aangezicht. In de 20ste eeuw was het Pothoofd een haven met overslagbedrijven, pakhuizen en vele bedrijfjes. Er werden granen, kunstmest en dergelijke gelost. Het Pothoofd veranderde vanaf eind jaren zestig langzaam tot wat het nu is. In 1969 verdween de overslagactiviteit op het Pothoofd. ‘Op grote afstand konden we dat waarnemen. De loskranen van het Deventer Overslagbedrijf zijn afgebroken en zijn nog steeds te zien in Doesburg, als industrieel erfgoed.’
Tot het jaar 2000 was er bedrijvigheid met vele kleinere bedrijven op het Pothoofd. Die bedrijven zijn gesloopt, als laatste vertrok autobedrijf Pouw. Het uitzicht op Deventer veranderde echter drastisch toen in 2005 aan het Pothoofd moderne torenflats verschenen met 173 luxe appartementen. Nu nog steeds beeldbepalend. Verder herinnert Arnold zich dat ook in de jaren zestig van de vorige eeuw een groot herenhuis plaats maakte voor de Schippersflat.

 

 

Weidevogels
Door verkeerd bemesten, bestrijdingsmiddelen maar vooral door de droogte, zijn de weidevogels de afgelopen tien jaar bijna verdwenen uit ons landschap. De Tureluur, Veldleeuwerik, Grutto, Scholekster en Kievit, je ziet ze nu bijna niet. Met de aanleg van twee (een derde komt er) zogeheten plasdrassen in zijn weilanden hoopt Arnold dat deze weidevogels weer terugkomen. ‘Voor elke plasdras hebben we stukken gras afgegraven die we met een waterpomp, die draait op zonnepanelen, drassig houden. In 2016 telden we hier 25 paartjes weidevogels. Nu met deze plasdras hoop ik ze weer terug te krijgen. Vorig jaar hadden we alweer 6 paartjes grutto’s, 2 paren tureluurs en 12 paartjes Kieviten. Ik hoop en verwacht dat we dit jaar op het dubbele uitkomen.  Mijn buurman Velderman heeft sinds kort ook een plasdras aangelegd. En die willen we verbinden met onze plasdras zodat je een geheel krijgt.’

 

Fotografie: Viorica Cernica

Voor verhalenmakers Ingrid Roelants en Petra Vink is de oversteek met het pontje dé manier om de IJssel en de unieke contrasten van het landschap te ervaren. Hoe is dit voor anderen? Ze vroegen passagiers van het pontje over hun ervaringen bij de oversteek en maakten daarvan een podcast.

 

Jasper Kortenhorst

 

Piet Groters

 

Gitte Nijkerk

 

Familie Zoese

 

Schipper Michiel Boel

 

 

Fotografie: Petra Vink & René van der Meer

De fabriek van Ankersmit, de omliggende wijk Zandweerd en de aangrenzende IJssel vormden het landschap waarin Adriaan Wielhouwer (1942) opgroeide. ‘In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan.’

‘Leren vond ik niks toen ik op de mulo zat, ik ging liever vissen, ik zat altijd aan de waterkant. Mijn vader zei: “of je gaat studeren of je moet werken.” Meer keuzes waren er niet. Nou dan maar werken, in de fabriek. Mijn vader was een hele goede verpleegkundige en hij kreeg een betrekking bij Brinkgreven. Tja, dan moest je mee he? Dat was zo in die tijd. Ik was toen zeventien.’

 

 

‘Een vriend van me was al eerder naar Deventer verhuisd. Hij nam me op sleeptouw toen ik verhuisd was. Mijn vader zei: “Je hoeft de eerste drie maanden geen kostgeld te betalen, maar dan moet je zorgen dat je binnen drie maanden een baan hebt.” Via-via ben ik er bij Ankersmit in gerold. Ik kwam terecht op de graveerderij en dat leek me wel wat. Het was een beetje technisch werk. Niet dat ik technisch geschoold was, ik had helemaal geen opleiding. Twee jaar mulo, dat was alles.’

Zelfgemaakt vuurwerk
‘Wij woonden aan de Veenweg, bij de blikfabriek. In onze straat stond een rijtje huizen, wij woonden vlakbij het tunneltje en bij de Snipperlingsdijk. In je vrije tijd kon je in die omgeving gewoon je gang gaan. Iets voorbij de woonarken staak ik daar met wat vrienden in de decembertijd ook zelfgemaakt vuurwerk af. We maakten een enorm gat, vulden dat met zand en plaatsten een zelf geknutselde bom erin, die stak je aan en ‘KNAL!!!’. Maar er kwam niemand ooit kijken ofzo. Soms denk je wel, dat kon toen zomaar.’
‘Ik had een houten bootje achter het huis liggen en had er een paar wielen onder gemaakt. Met dat bootje ging ik iets voorbij Klosters aan de Snipperlingsdijk het water op. Dan roeide ik wat verder tot op het Overijssels kanaal, om te vissen. Ik ving er ook goed, van alles wel, brasem, paling, snoekbaars. Tja, geweldig was dat.’

 

 

Zaagsel als bescherming
‘Bij Ankersmit ben ik aangenomen als leerling, dat stelsel had je toen nog. Langzaam kon je ervaring opbouwen en als er weer een nieuwe leerling kwam, kon ik een stap verder, aan de machine en zo verder. Maar je begon gewoon met de vloer aanvegen. In de begintijd als jongste bediende moest ik regelmatig zaagsel halen bij de aansluitende houtfabriek van Stoffel. Dan ging ik buitenom. Via bruggetjes over een zij-inham van de IJssel, die door Ankersmit gebruikt werd als koelwater, liep tot bij de houtfabriek en dan moest ik terug met de emmer zaagsel. Dat werd dan nat gemaakt en gestrooid onder de machines tegen het stof ter bescherming van machines en drukwalsen. Later in de week, op zaterdag, moest ik dat met een stoffer allemaal opvegen. Ik zag er dan uit als een beest.’

 

 

‘In de ochtend ging ik op de fiets naar de Zandweerd, daar had Ankersmit een enorm groot terrein. Direct als je de fabriekspoort door was, kwam je op een lange straat met aan de linkerkant de spinnerij. Ik werkte verderop in een gebouw met vier verdiepingen en een torentje. De bovenste verdieping was de handdrukkerij, op de derde, mijn plek, was de graveerderij en lager, wat deden ze daar toch? Spoelen of verven. Aan de rechterkant van de graveerderij zag je die bakken met blauwe verf staan. Soms moest ik op een andere afdeling weleens wat halen, en dan ging ik via deuren buitenom, door gangen en andere fabrieksgebouwen. Je was zo een kwartiertje kwijt, voordat je weer op de werkplek terug was. Het was een enorm terrein, maar zonder bomen.’

Diensttijd in Nieuw-Guinea
In die tijd, ik was achttien, negentien jaar, dacht ik niet zoveel na over carrière. Tenminste toen in die tijd nog niet. Werk was werk. Simpel werken, waarmee ik wat geld had om een autootje te kopen. Ik heb daar gewerkt van 1959 tot en met 1961. En van ‘62 tot en met ‘66. Die periode er tussenuit ben ik in dienst geweest, in Nieuw-Guinea, omdat ik dat spannend vond. In Nederland heb ik vooraf een opleiding gehad om het werk in Nieuw-Guinea correct uit te kunnen voeren. Omdat ik in de textiel werkte, werd ik in  Nieuw-Guinea ingedeeld bij de stoffen. In dit geval de wasserij, samen met een collega-militair uit de textiel. De inheemse mensen moesten daar het werk uitvoeren en onze taak was controleren of alles goed ging. Het was een tijd waarin ik wat van de wereld kon zien, ik herinner me nog de warmte en alle bijzondere dieren. Ik heb in mijn vrije tijd heel wat dieren opgezet. Na dienst kon ik direct weer aan de slag bij Ankersmit. Het werk bleef gewoon het werk, er was er niks veranderd. Alleen ik was zo veranderd. Wat volwassener en serieuzer.’

 

 

Sigaar
Ik kan me nog herinneren dat we elke middag een half uurtje pauze hadden en in de zomer zwom ik dan met een collega de IJssel over. We hadden precies tijd voor over en weer terug. We zwommen met een sigaar in ons mond. Het was de bedoeling om de sigaar droog te houden. Dat lukte ook.
Dat overzwemmen zou nu niet meer kunnen. De IJssel is wat breder geworden, wat uitgediept hier en daar en veel meer scheepvaart. Tja, in de tijd dat ik er werkte, kwam je af en toe eens een boot tegen, maar die zag je al van verre en dan daar paste je je zwemmen op aan. Maar als je ziet wat voor boten er nu langs komen. Onvergelijkbaar.’

Serieuzer door sluiting
‘Maar terug bij het werk, op 5 december 1965 moesten we allemaal bij elkaar komen in de kantine en kregen we te horen ”De fabriek gaat dicht.” Van de ene op de andere dag. Hoewel onze afdeling voor de Afrikaanse wasdruk tot in 1966 doorging. Misschien juist wel door die sluiting, ging ik wat serieuzer op zoek naar beter werk. Ik wilde niet steeds weer ontslagen worden en dacht aan drie opties waar altijd werk blijft; politie, belastingen en verpleging. Dat laatste beroep kende ik van mijn vader, die als B-verpleegkundige werk genoeg had.’

‘Ik ben begonnen, eind februari in Groot Graffel in Zutphen. Het eerste jaar ging heel voorspoedig en het tweede jaar ben ik naar Brinkgreven gegaan. Het liep als een trein, ook met de opleiding. Na één jaar was ik al eerste B-verpleegkundige. Ik wilde wat verder kijken en in MSPO (middelbaar sociaalpedagogisch onderwijs), kon ik als docent, leidinggevende en later zelfs adjunct-hoofd opleidingen werken. Zo heb ik zo’n 25 jaar in het verpleeg-onderwijs gezeten, erg naar mijn zin.’

‘Tegenwoordig woon ik in Dronten, een eigen huis met een fikse tuin, waar ik graag in werk. En aan de waterkant zit ik nog altijd vaak. Deventer was voor mij de stad met gewone mensen, waar niemand onder- of bovenuit stak, een fijne stad.’

 

Al meer dan dertig jaar, afhankelijk van de waterstand, kunnen de wilgen langs de IJssel rekenen op een bezoek van de Deventer Knotploeg. Deze groep vrijwilligers voorziet de bomen van een nieuwe coupe en verliest daarbij ook elkaar niet uit het oog.

Verhalenmaker Petra Baars was benieuwd naar de motivatie en ervaringen van de knotgroep en ging in gesprek met coördinator Hennie Meutstege. ‘De mooiste sportschool is in de natuur.’

 

 

Foto’s: Petra Baars/Hennie Meutstege

Ingeklemd tussen Deventer en Schalkhaar ligt landgoed de Kolk. Een groene oase met een rijke historie, zo weet Jan Jeurnink die opgroeide op het landgoed en zich inzet voor het behoud ervan. ‘Af en toe kun je hier zelfs een ijsvogel aantreffen.’

Het verhaal over landgoed Kolk gaat ver terug het bestond al in 1759. Het gebied, ingeklemd tussen de spoordijk Deventer-Zutphen, het Overijssels kanaal, Nico Bolkensteinlaan en sportvelden de Rielerenk, is ook bekend als De Wijtenhorst. In dit natuurgebied ligt ook De Douwelerkolk, een grote vijver. Tevens heeft tot er in de jaren zestig Huize de Kolk gestaan. Op dit moment wordt er door Stichting de Groen Knoop hard gewerkt om het landschapspark in oude luister te herstellen. Via deze stichting kwam ik in contact met oud-bewoner Jan Jeurnink die graag meer verteld over de omgeving waar hij opgroeide.



Twee kamers

Wonen op een landgoed was vroeger voorbehouden aan de adel. Op mijn vraag: “Heeft u blauw bloed?” begint Jan Jeurnink, 74 jaar oud en inmiddels woonachtig in Schalkhaar, hartelijk te lachen. Jan: ‘Nee, hoor ik ben in 1949 op buitengoed de Kolk geboren. Het verschil met een landgoed is dat een buitengoed een tijdelijke woonplek is. Het was het buitenverblijf van de familie Wijtenhorst, die er vooral in de zomer verbleef. Later dat jaar werd het eigendom van de gemeente Deventer. Net na de Tweede Wereldoorlog was er gebrek aan woonruimte. Mijn ouders wilden trouwen en konden toen op Huize de Kolk, wat was gevestigd op het landgoed, twee kamers huren. Er was geen stromend water en ook geen elektriciteit. De keuken en andere voorzieningen werden gedeeld.’

Een soort eiland
‘Huize de kolk in beeld brengen is mijn drijfveer, want wie de geschiedenis van zijn omgeving niet kent, weet niet waar hij woont. Vandaar dat ik me inzet voor het unieke karakter van het gebied en daarmee mijn persoonlijke geschiedenis. Vroeger was hier vooral een Hollands landschap: kleine weggetjes omzoomd met meidoorn. Boerderijen zoals Mensink en Wannink. Veel vogels, hazen en konijnen. De plek waar nu het Deventer Ziekenhuis staat, was een beschermd vogelbroedgebied. Als je nu wandelt op de Wijtenhorst is het een soort eiland, ingeklemd tussen Deventer en Schalkhaar. In het voorjaar bloeien er stinzenplanten en Lelietjes van Dalen.’

Mest en stadsafval
‘Het landschap is in de loop der eeuwen veranderd. Het is ontstaan in de laatste ijstijd. Dekzand ging stuiven en vormde verhogingen in het landschap. Daarop werden huizen gebouwd. De akkers die zo ontstonden werden opgehoogd met mest en het stadsafval van Deventer. Zo ontstond de Rielerenk. Hier stonden in vroegere tijden 14 boerderijen. Hiervan zijn er nog twee over. De rest is afgebroken, uitgebrand of in Tweede Wereldoorlog verwoest.’

 

 

Werkgroep Rielerenk-Douwelerkolk
“Toen het ziekenhuis gebouwd werd in 2008, heeft een aantal inwoners van Schalkhaar, waaronder ikzelf, de werkgroep Rielerenk-Douwelerkolk opgericht om ervoor te zorgen dat er in de omgeving van de Douwelerkolk geen woningbouw zou plaats vinden. Het ziekenhuis zorgde totaal voor een andere indeling van het gebied. Daardoor is er een hoop in het landschap aangetast. De Nico Bolkensteinlaan verving de kleine niet verharde wegen. Oorspronkelijk wilde men deze weg door de kop van de kolk aanleggen. Dat hebben wij weten te voorkomen.’

 

 

Natuur en cultuur
‘In 2022 hebben wij vanuit de werkgroep Rielerenk-Douwelerkolk samen met de natuurwerkgroep De Groene Knoop de toegangspoort van het landgoed in ere hersteld. Bruggetjes aangelegd om zo verbinding te scheppen tussen natuur en cultuur. Op deze manier onderstrepen wij het unieke karakter van dit gebied. Er vliegen vleermuizen, er zijn verschillende soorten eenden. Af en toe kun je zelfs een ijsvogel aantreffen. Wij willen de padenstructuur van de Engelse landschapstuin weer zichtbaar maken. Het is en blijft een bijzonder gebied. Fijn om in te wandelen en op aangewezen paden mag je “los” gaan op je mountainbike. Kortom: hier is oog voor de natuur- en cultuurhistorische waarde van het gebied.’

Jongetje op klompen
‘Regelmatig wandel ik zelf in het gebied. Als ik dan mijn ogen dicht doe, is het net of ik terug ben, als 5-jarig jongetje. Het statige huis met de grote hal en prachtige trap. De licht groene kleur van de wanden. Het contact met boer Klein Ovink. Het jongetje op klompen trots als een pauw met z’n kruiwagentje. Dan ruik ik weer de Lelietjes van Dalen. Zie het mooie groene gras, hoor ik bijen zoemen. Als ik mijn ogen open, dan zie ik een totaal ander landschap voor me. Het huis is afgebroken. Op de plek waar het stond zijn in 2022 acht eiken palen geplaatst die de contouren van het huis aangeven. Toch is het nog altijd een oase van rust. Ik hoop dat door onze inzet het unieke karakter als een compact eiland tussen Deventer en Schalkhaar behouden blijft voor het nageslacht.’

 

 

Naschrift:
De Douwelerkolk maakt deel uit van het landgoed De Kolk, waarop huize De Kolk van 1759 tot 1966 het beeld bepaalde. Het landgoed (inclusief landerijen) werd in 1836 door Eva Alida Pape, weduwe van Jan van der Wijck, verkocht aan Jan Jacob Wijtenhorst. In 1949 werd het eigendom van de gemeente Deventer. Het gebied is nu een vrij toegankelijk wandelpark. Het is dus niet alleen een prachtig gebied om te wandelen en fietsen, maar ook een met een rijke geschiedenis.
Bron: www.deventer.info

Uit recent onderzoek is naar voren gekomen dat de Douwelerkolk geen oude IJsselarm is zoals werd gedacht, maar een overblijfsel van een dijkdoorbraak.

 

 

Fotografie: Viorica Cernica

 

Bomen zijn overal. En we gaan er vaak letterlijk aan voorbij. Zonde, zo ontdekte verhalenmaker Anne Koot, want sommige bomen hebben een bijzonder verhaal. Zelfs als ze niet langer overeind staan, zoals de eeuwenoude beuk in de Worp.

In deze podcast staat Anne stil bij de Zinloos Gevelde Beuk in het Worpplantsoen. Een misser van de gemeente betekende begin 2016 het einde van de bijna tweehonderd jaar oude boom. Anne gaat in gesprek met Devenentaar Jan Barwegen, op wie de Boomblunder destijds grote indruk maakte.

 

 

Beelden kunstenaar Harry Schömaker woont al 30 jaar praktisch aan de IJssel, zijn tuin grenst aan de uiterwaarden. Terwijl zowel stad als de IJssel langzaam dichterbij kruipen, blijft hij het landschap schilderen én koesteren. ‘Ik voel me bevoorrecht.’

Hoe zou je het Deventer landschap omschrijven?
Het is vooral een landelijk landschap met veel groen, boerenbedrijven, akkers, weilanden en natuurlijk de IJssel die sinds het ontstaan van Deventer zo belangrijk is geweest voor de stad. Denk aan het Hanzeverbond, waardoor Deventer tijdens de middeleeuwen een welvarende stad werd. Maar de IJssel speelt ook nu nog een belangrijke rol in de bedrijvigheid, scheepvaart, watersport(roeivereniging Daventria werd in 1884 opgericht) en toerisme.’

 

 

Hoe ervaar je zelf het landschap waar je in woont?
Ik koester dat landschap, de nabijheid van het water, de weidsheid van de uiterwaarden met al die vogels, maar ook de bossen in de omgeving en de landhuizen, denk bijvoorbeeld aan landgoed de Haere. Het is een afwisselend en ook vaak veranderend landschap waarbij dat laatste vooral door de IJssel komt. Maar ik koester het ook, omdat ik in dit landschap al praktisch mijn hele leven woon en me er mee verbonden voel.’

In 2000 heb je honderd aquarellen gemaakt over de IJssel vanuit het uitzicht van je tuin dus het was een bron van inspiratie. En 25 jaar geleden nam je deel aan een expositie over het Deventer landschap, waarbij de kunstenaars hun visie mochten geven over dat landschap. Een van de schilderijen heette “de oprukkende stad”, met andere woorden, de stad verdringt het platteland, hoe heb je dat zelf ervaren?
Ja, dat herken ik wel, Deventer als stad is de afgelopen 25 jaar enorm uitgebreid, alleen al in Colmschate wonen nu 30.000 mensen, daarvoor was het vooral boerenland. Toen ik kind was, keek ik vanuit mijn ouderlijk huis (in Diepenveen) uit over de weilanden en speelde ik in de bossen. Dat uitzicht is helemaal weg, daar zijn nieuwbouwwijken voor in de plaats gekomen. Voor kinderen is spelen in de bossen en bijvoorbeeld hutten bouwen vrijwel niet meer mogelijk.’

Dus je hebt de stad letterlijk op je af zien komen?
‘Dat kun je in zijn algemeenheid wel zeggen zo zeggen, alhoewel behoud van natuur momenteel steeds meer prioriteit krijgt, voor mijn eigen uitzicht is er gelukkig nog niet veel veranderd. Behalve dat bij hoog water de IJssel wel steeds dichterbij komt.’

 

‘Het is soms, ondanks de schoonheid van dit landschap, wel erg gestructureerd’

 

Hoe is het om naast de uiterwaarden te wonen?
‘Dat blijft heel mooi. Maar ook in dat gebied is veel veranderd. Toen ik hier kwam wonen kon je vrij met de hond door de weilanden struinen en kon je tot aan de IJssel lopen. En je kon ’s zomers zwemmen, op toen nog vrij toegankelijke strandjes. Dat is nu erg ingeperkt, terecht overigens, ter bescherming van flora en fauna. Denk bijvoorbeeld ook aan het project Ruimte voor de rivier, waardoor bij hoog water de IJssel letterlijk uit haar oevers kan treden en de Welle kade niet meer overstroomt, alhoewel het pasgeleden nog kantje boord was. Verder speelt het Waterschap in Deventer en de stichting IJssellandschap een grote rol bij de inrichting van het landschap. De hond moet aangelijnd, je mag alleen nog op de gebaande paden lopen en zij bepalen waar je op een bankje mag zitten om te genieten van het landschap dat zij mede bedacht hebben. Het heet natuur maar het is steeds meer cultuur. Het is soms, ondanks de schoonheid van dit landschap, wel erg gestructureerd. Maar ik besef heel goed dat als de overheid hierin niet regulerend zou optreden het met de toegenomen drukte van al die mensen die hier rondlopen voor de natuur ook niet goed zou uitpakken.

 

 

Dus het is niet meer het landschap van 25 jaar geleden?
Nee zeker niet, meer stad en minder natuur waarbij die natuur, mogelijk noodzakelijkerwijs, meer ingericht en gestructureerd is met meer regels waar we ons aan moeten houden. Maar het blijft een prachtig landschap met de IJssel in de achtertuin en ik voel me bevoorrecht dat ik in deze mooie omgeving mag wonen.’

https://www.jhschomaker.com/
Fotografie: Cora Sens 

Als laatste directeur van Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters weet Hendrik Jan Peters hoe een stedelijk landschap kan veranderen. Hij blikt terug op de industriële bedrijvigheid in Zandweerd, waar zijn overgrootvader destijds een fabriek had gevestigd. ‘Soms kleurde de IJssel rood van de kleurstof.’

‘In 1907 vestigde mijn overgrootvader H.J. Peters, Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters aan de Lange Zandstraat, in Zandweerd. Daarvoor was hij onderdirecteur bij de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek. Onze hele familie was betrokken bij de weverij. Toen er in de jaren vijftig en zestig een grote dip ontstond in de vraag naar textiel, ontstond er discussie binnen de familie. Hoe nu verder? Uiteindelijk is besloten het roer om te gooien, in samenwerking met een andere partner in tapijt- en grondstoffen. Bij die turnaround binnen het bedrijf, kreeg ik het verzoek vanuit mijn familie: “wil jij ook voor ons komen werken?” Dat was 1968, ik had net mijn studie aan de Hogere Textielschool afgerond. Toch kreeg ik mijn plek in het bedrijf niet cadeau. Al snel werd er namelijk door de familie gezegd: “Je kunt dan wel gestudeerd hebben, maar jij gaat eerst maar eens kijken hoe tapijt verkocht moet worden.” Dat heb ik gedaan. En ik zag ook al vrij snel nieuwe kansen. Er kwam gelukkig weer voldoende kapitaal binnen, waarmee we ons konden ontwikkelen.’

 

 

Opslag in leegstaande hallen van Ankersmit
‘We zijn destijds sterk gegroeid. We hadden daardoor extra ruimte nodig voor de opslag van garens. In de leegstaande hallen van de toen net gesloten textielfabriek Ankersmit konden we zo’n 40.000 vierkante meter ruimte huren. Op zich een heel interessante tijd, omdat wij productontwikkeling moesten doen. Je besefte wel steeds dat de fabriek te midden van de woonhuizen stond.’

 

Vrijwel direct na het schoonblazen van de schoorsteen kwamen de telefoontjes uit de buurt’

 

Vlampijpen schoonblazen
‘We hadden hier in Zandweerd een ketelhuis. Daar stonden stoomketels, want stoom was nodig voor de productie en de verwarming. We stookten op kolen en bij de ketels stond een grote schoorsteen. De geroete vlampijpen maakten we schoon door er met stoom doorheen te blazen. Dat deden wij altijd op maandag. En we konden er de klok gelijk opzetten: vrijwel direct na het schoonblazen, kwamen de telefoontjes uit de buurt: “Oh, mijn wasgoed hangt buiten…” Soms kwamen mensen zelfs naar kantoor. In totaal stonden er destijds drie fabrieken in Zandweerd en gaandeweg werd wel duidelijk dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest. Daar was en ben ik het serieus mee eens.’

 

 

De IJssel blauw, of rood.
Vroeger bestonden er nog andere productiemethoden. Zo werkten we met latex-oplossingen, beenderlijm of zetmeel. Dat brandt niet, maar het stinkt wel! We gebruiken ook kleurstof, om garens te verven. Die verfresten liepen na de productie via een zinkput met spoelwater het riool in. En in die dagen kwam dat uit in de IJssel. Soms zag je blauwe verf in het water. Waarschijnlijk kleurstof van Ankersmit? Of het water kleurde rood. Van het tapijt, van Peters? Zo vroeg Zandweerd zich af, wie er achter die kleuren in de IJssel zat. Grote Ankersmit of kleine Peters?’

 

 

Brand in onze magazijnen op het Ankersmit-terrein
‘In onze magazijnen op het Ankersmit-terrein zijn drie branden geweest. Een keer op oudejaarsdag, door vuurwerk. Die laatste brand was binnen een half uur geblust. De brandweerkazerne zat toen nog in de Lange Zandstraat. Ik ben daar jarenlang brandmeester geweest. Dat was een familietraditie. Mijn grootvader was dertig jaar lang directeur der Deventer Brandweer. En mijn vader was jarenlang ondercommandant, hier in Deventer. Toen ik na mijn studie in 1968 terugkwam in Deventer werd mij gevraagd of ik ook brandweerwerk wilde doen. Natuurlijk wilde ik dat. Uiteindelijk kon ik dat met de dagelijkse drukte tussen de verschillende productielocaties niet volhouden. Maar die branden destijds heb ik van dichtbij meegemaakt. Het stond in de kranten iedereen sprak erover. “Heeft papa een leuke barbecue gehouden?”, zo kwam dochterlief thuis, van de lagere school, waar iedereen het natuurlijk over de brand had gehad. Dus ik zei toen tegen mijn secretaresse: “Bel banketbakker Wiltink ,die zat destijds direct op de hoek van de Radstakeweg, en vraag of ze honderd taarten willen maken. Dan kunnen we in ieder geval alle bewoners als troost bij de brand een taart aan huis bezorgen. Nou, dat werd natuurlijk geweldig op prijs gesteld. De kleine dingen zijn dan toch belangrijk.’

Uiteindelijke consequentie
‘Natuurlijk waren we ook goed verzekerd. Die noodzaak kent iedere textielfabrikant, of grondstofleverancier, zoals de onderneming die bij ons ook aandeelhouder was. Díe organisatie was de juridische en commerciële eigenaar van de textiel-grondstoffen en inventaris. Niet H.J. Peters. Ons bedrijf managede de activiteiten en verwerking. Maar ík kreeg de verzekeraars op bezoek. En ook al werd voor iedereen alles netjes afgehandeld, met name die branden en de nasleep ervan toonden aan dat industrie uit de stedelijke omgeving weg moest.’

 

 

Weg uit de wijk
‘Stap voor stap werden de activiteiten aan de Lange Zandstraat beëindigd en uiteindelijk is alles gesloopt voor woningbouw. Ik wilde wel in Deventer blijven produceren. Daarom stond ik in 1987 bij de gemeente op de stoep en vertelde hen: “Ik heb een paar duizend vierkante meter grond nodig op het industrieterrein. Ik wil er een kantoor op bouwen en ik wil er een hal bouwen, want ik moet een stuk productie onderbrengen. In 1988 hebben we op Kloosterlanden een pand kunnen neerzetten, direct aan de A1. Weg met de bedrijven uit Zandweerd. En zo is het gegaan.”

 

Ter herinnering aan de tapijtfabriek rest nog de naam van het pad dat de wijk doorsnijdt: PETERSPAD.

Fotografie: Viorica Cernica

Bomen zijn overal. En we gaan er vaak letterlijk aan voorbij. Zonde, zo ontdekte verhalenmaker Anne Koot, want sommige bomen hebben een bijzonder verhaal. Zoals de Kozakkenlinde, aan de rand van de stad.

In deze podcast gaat Anne op zoek naar het verhaal achter de Kozakkenlinde. Met Bob Maks van de Deventer Bomenstichting spreekt ze over het verleden, heden en de toekomst van deze bijzondere boom. Ook laat zich door omwonende Marinus de Winter bijpraten over zijn band met de Kozakkenlinde.

  

Florakenners Gerrit Hendriksen en Ben de Winder staan regelmatig voorovergebogen langs de Wellekade te genieten van speciale vondsten. Waarnaar ze zoeken? De voor Deventer kenmerkende Pothoofdplanten. ‘Mijn favoriet is Het Grote Zandkool.’

‘Heus…. ik heb geen predikersdrang … maar ben wel laaiend enthousiast van wilde planten, zeker van Pothoofdplanten’, geeft Ben de Winder aan.  ‘Als je in Deventer woont, kom je vanzelf in aanraking met de Pothoofdplanten… dat is gewoon een begrip! In alle flora-literatuur is het beschreven en je wordt dan vanzelf nieuwsgierig en gaat op onderzoek uit’, vervolgt Gerrit Hendriksen. ‘Op de stenige plekken van de binnenstad, de Wellekade, oude stadsmuren en het Pothoofd staan veel planten – soms minuscuul klein.’

‘Speuren naar vreemde planten op vreemde plaatsen. Het geeft menig florist een kick. In de negentiende eeuw was het Pothoofd al een begrip tot ver buiten de landsgrenzen’, vertelt Gerrit. Wat boeit Gerrit en Ben? Regelmatig kom ik Ben tegen terwijl hij, zeker twee meter lang, gebogen langs de Wellekade staat. Steeds met een groepje mensen om zich heen. Ik ken Ben al heel lang en weet nu pas dat het hier gaat om een excursie over wilde planten. “Pothoofdplanten” het begrip maakt mij nieuwsgierig. Ben vindt dat Gerrit de kenner bij uitstek is. Zo komt het dat ik met Ben én met Gerrit aan de koffie zit in een café bij de IJssel.

 

 

Hoezo… Pothoofd?

‘Pothoofdplanten kennen een eeuwenoude historie. We weten uit verhalen dat schepen, “potters” of “potten”, aanlegden op het Deventer Havenhoofd aan de IJssel. Eerst kleine scheepjes en toen de bevaarbare route verbeterd werd, ook grotere schepen. Graan en andere bulkproducten werden vanaf die schepen gestort en geschoond. Het uitgezeefde afval, met daartussen plantenzaden, werd ter plekke gewoon neergegooid en bleef liggen. Een deel van deze zaden kwam tot wasdom als het klimaat hen goed gezind was’, vertellen de heren als ik vraag waarom de naam ‘Pothoofdplanten’ ooit is geïntroduceerd.

‘Pothoofdplanten, van de Drie-uren-bloem tot de Russische raket, hebben allemaal een verschillende komaf. Zolang het graan uit omliggende landen kwam, bleef de aanvoer van vreemde plantensoorten beperkt. Met de komst van de grotere schepen veranderde dit en werd het graan uit alle werelddelen aangevoerd op het Pothoofd’, geeft Ben aan.

 

 

Gerrit vervolgt: ‘Zo’n honderd tot honderdvijftig jaar geleden was de Pothoofdplant echt een begrip tot buiten onze landsgrenzen. Denk je eens in dat mensen van heinde en verre naar Holland reisden om hier in Deventer deze planten te bestuderen. Bijzonder was ook dat in zo’n relatief klein geografisch gebied zoveel plantensoorten te ontdekken waren.’

 

”Op het Pothoofd zijn meer dan honderd plantensoorten als nieuw voor Nederland ontdekt”

 

Gerrit: ‘Over de eerste vondsten is ook verslag gedaan. Hij geeft me een artikeltje van FLORON, een landelijke organisatie die zich inzet voor onderzoek en bescherming van de Nederlandse wilde flora.  Een tekstje uit 1886 “daar men ze het eerst bij ons te lande in groote hoeveelheid op het Pothoofd gevonden heeft, noemt men ze Pothoofdplanten”. Ik vraag om aantallen en ben verrast te horen dat de officiële lijst van Nederlandse soorten momenteel 1666 planten telt. Destijds waren dat er nog meer en alleen al in Deventer zijn toen 1800 soorten gevonden. Op het Pothoofd zijn meer dan honderd soorten als nieuw voor Nederland ontdekt. Ongelofelijk eigenlijk.

Gerrit en Ben – echte floraliefhebbers
Gerrit studeerde milieukunde en Landschapsecologie. Planten en vooral het effect van omgevingsfactoren boeide Gerrit dermate dat hij besloot dat dit zijn afstudeeronderwerp werd aan de universiteit van Nijmegen. ‘Ik ben graag buiten’, geeft hij aan. ‘Ik vind het fijn te fietsen, wandelen, fotograferen en onderzoek te doen in de natuur, vooral wilde planten. Na mijn studententijd ben ik in 2010 in Deventer gaan wonen en sloot mij aan bij een plantenwerkgroep van de Koninklijke Nederlandse Natuur Vereniging (KNNV). Er was behoefte aan wat vers en enthousiast “bloed”. Ik kon mijn hart ophalen. Van vier wilde plantenrondleidingen per jaar gingen we in drie jaar tijd naar zes tot acht excursies per maand. Dat klinkt veel maar komt overeen met wat veel mensen doen, twee keer week naar de sportschool of andere activiteit.’ Vorig jaar heeft Gerrit, namens het KNNV en de plantenwerkgroep van IVN Deventer, de Groene vrijwilligersprijs van 2023 ontvangen uit handen van de Commissaris van de Koning Andries Heidema. Een hommage voor de manier waarop de plantenwerkgroep van de KNNV, vereniging voor veldbiologie, en het IVN, Instituut voor Natuureducatie en Duurzaamheid, bijdragen aan de kennis van de wilde flora.

 

 

Ben is eveneens een enthousiast buitenmens. Hij groeide op in Ootmarsum en als kleine jongen was hij veel bezig met vogels, planten en de natuur. Hij gaat biologie studeren in Amsterdam en verhuist daarna naar Middelburg. In 2017 komt hij in Deventer wonen en sluit zich als actief natuurgids en vrijwilliger aan bij het IVN, waar hij ook de plantenwerkgroep coördineert samen met Gerrit. Je ziet hem regelmatig in de Duursche Waarden alsook op de Wellekade. Ik vraag Ben naar zijn favoriete Pothoofdplant. Hij hoeft er niet lang over na te denken ‘Het Grote Zandkool, dat is de wilde variant van Rucola-sla. Deze kun je ook eten en in je salades verwerken en groeit gewoon in de binnenstad.’ Even later vervolgt Ben zijn verhaal: ‘ik was laatst aan het wandelen in Nieuw Heeten en maakte een praatje met een vrouw die haar tuin aan het wieden was. Ik zag het Klein Liefdegras, ooit als Pothoofdplant ontdekt. Ik vertelde haar over de komaf van het plantje, wat de vrouw deed besluiten het onkruidje toch te laten staan!’

Van verleden naar heden
‘Begin vorige eeuw is voorgesteld om de Pothoofdplant een meer algemene naam te geven. ‘Adventiefplant’, een plantensoort dat onopzettelijk uit een ander gebied is aangevoerd. ‘Floristisch gezien daalde de waarde van het Pothoofd ook’, vertelt Gerrit. Hij wijst me op de tekst “Sedert lang nu, heeft dat Pothoofdterrein zijn ouden roem van zeldzame planten te herbergen verloren en zoo gaat ’t met vele van zulke terreinen in de buurt van groote steden”.

Het Pothoofd is sinds 1546 een gangbare naam in Deventer. Eerst was er de haven en later zijn een graanpakhuis en meelfabriek door Noury en Van de Lande gebouwd op het huidige terrein van De Gasfabriek. De graanoverslag is gaandeweg meer verlegd naar wat nu het Havenkwartier heet en zijn daar de zwarte – en de grijze silo gebouwd.

Veel van de Pothoofdplanten die indertijd werden gevonden zijn niet meer in Deventer, met name doordat de graanoverslag is verdwenen. Een aantal heeft vaste voet aan wal gekregen, zoals de Hongaarse – en Oosterse raket, Draadgierst, Zandteunisbloem en het Klein Liefdegras. Aan de Wellekade en op het Pothoofd maar ook net buiten de binnenstad bijvoorbeeld op het parkeerterrein bij het station en Saxion.

In de weken na het interview stijgt het water van de IJssel enorm. Oevers en kademuren staan onder water. Zandzakken worden langs de rivier opgestapeld om erger te voorkomen. Toch hoeven we ons geen zorgen te maken, hoor ik van de heren “Onkruid vergaat niet. In Deventer blijft de Pothoofdflora bestaan.”

Meer weten over de Pothoofdflora en de excursies van Gerrit Hendriksen en Ben de Winder? Bezoek www.ivn.nl.

Fotografie: Cora Sens / De Salon Fotografen Collectief